Louise Bourgeois, een ontmoeting …

In het begin en nog in het midden van de jaren negentig, net als in de jaren tachtig, was het mogelijk om in offset gedrukte gegevens van kunstenaars op te zoeken. Als galerie of kunstinstituut kon je daarin adverteren en bij de gratie van de opbrengsten daarvan bestond die publicatie, The Art Diary. Klaarblijkelijk kon menig kunstenaar de verleiding niet weerstaan om haar of zijn gegevens, adres, postcode en telefoonnummer, daarin te laten opnemen. Intussen is deze ranke pocket in het web opgelost en zijn kunstenaars een stuk terughoudender geworden in het openbaren van hun informatie.

Aangezien ik artistiek leider was van het kleine bedrijf dat mijn vrouw en ik begonnen waren ontwikkelden zich bij mij in die lijsten van contactmogelijkheden diverse verlangens. Zoals het er naar uit zag kon ik iedereen wiens of wier werk ik bewonderde bereiken door middel van dit boekje. Bijvoorbeeld Robert Ryman (die even geen zin had in een werk in oplage), Jeff Koons (die ik al had leren kennen, maar geen heil zag in een samenwerking), Robert Gober, Robert Barry (met wie meerdere projecten tot stand kwamen), Elsworth Kelly (met wie enkele memorabele telefoongesprekken volgden, maar geen editie) en met Bridget Riley bij wie ik nog steeds op de thee mag komen, maar die me toevertrouwde dat ze onze zeefdrukker niet precies genoeg achtte om iets met ons samen uit te geven; ten onrechte, maar de kunstenaar was altijd de baas of bazin, zo meende ik …

Naar aanleiding van een vakantievoorval had het bedrijfje van mijn ex-vrouw en mij een Franse naam. Om begrijpelijke redenen was dat voor Louise Bourgeois meteen een reden om in mij een aanvaardbare Franse gesprekspartner te vinden. Vanaf het eerste moment dat ik contact met haar kreeg, zij in New York, ik in Amsterdam, vonden de eerste twee minuten van ons gesprek in haar moerstaal plaats. Met plezier wrong ik me altijd even in de bochten die mijn minimale kennis van het spreken in het Frans me boden. Spoedig echter moest ik Louise manen tot een “lentement” om kort daarop over te mogen gaan op een Engels dat zij natuurlijk zeer goed beheerste al was ze een Frans accent nooit kwijtgeraakt.

“Yes, tell me!”, was haar eerste nieuwsgierige vraag naar wat ik eigenlijk uitspookte en wat de reden was voor mijn telefoontje, gevolgd door de vraag: “Are you in New York?”.

In die tijd was Louise natuurlijk nog niet de wereldheldin die ze nu is. Dat wist ze natuurlijk zelf ook, al was haar zelfrespect terecht gestegen met alle aandacht die er gelukkig sinds eind jaren ’80 voor haar werk was ontstaan. Er bestonden al enkele cult-documentaires over haar waarin ze een soort half-waanzinnige kunstenaarspersoonlijkheid speelt, des ochtends haar kranten strijkend, en waarin ze af en toe haar eigen sculpturen voor de camera stukgooit omdat ze, zo meldt ze, daar gewoon zin in heeft.
Maar het werkelijk internationale respect voor Louise Bourgeois was nog aan het groeien. Tegelijkertijd maakte Louise al bronzen gietsels van haar houten sculpturen uit de jaren veertig, dus ze wist wel degelijk precies wat ze waard was. Beelden die vaak als masculien worden gezien, maar die, vooral gegroepeerd, een enorme kwetsbaarheid, teerheid en onzekerheid weerspiegelen, maar alles nadrukkelijk uitgesproken.
Net als bij Andy Warhol zijn die drie eigenschappen ook specifiek voor het hele oeuvre van Louise: bijvoorbeeld in tekeningen, zakdoeken, stofpoppen, cell-werken, voeten, handen, teksten.

Af Fijn, Louise en ik belden dus met enige regelmaat, oui, bien sûre.
En ik had haar gevraagd of ze voor ons een werk in oplage zou kunnen concipiëren. Nou, dat was niet zo gemakkelijk, want ze was enorm aan het etsen. Dat deed Louise namelijk graag, etsen, en een enorme concurrent van ons in New York had net, recentelijk, zojuist, vorige week, een hele etsinstallatie bij Louise in de kelder, down town, geïnstalleerd. Daar moest ze dus wel mee aan de slag. Toch zou ze wel degelijk over onze uitnodiging nadenken. Maar wanneer was ik nou eigenlijk precies van plan om haar in New York te bezoeken??

De aan haar gerichte uitnodiging was er niet een van de reguliere orde, of eigenlijk wel, voor ons. We hadden in Amsterdam verzonnen, ik eigenlijk, dat het wel wat had als een kunstenaar een voorstelling bedacht die we dan in “onzichtbare inkt” lieten drukken. Je kon dat “lege” beeld dan als kunstenaar, wat velen ook gedaan hebben, weer handmatig zichtbaar maken met (kleur)potlood, grafiet, pigmenten of pastelkrijt.
“Ja, graag, Louise, ook jij!”
“Are you in New York?”

Het leek wel een halve relatie, dus ik moest naar New York. Dat moest ik sowieso al, voor een bezoek aan een paar kunstbeurzen, aan de New York Public Library en aan het MOMA, want tijdens de verkoop ging mijn werk gewoon door.
Naast haar werk is Louise Bourgeois ook bekend vanwege het feit dat ze op zondagmiddagen, jaren lang, vooral vrouwelijke kunstenaars, curatoren en critici ontving in haar huis, meestal vanaf een uur of drie; haar zogenaamde Salons, die langzamerhand een cultstatus kregen. Het zal niemand verbazen dat ik daarvoor werd uitgenodigd en wel op het vroegchristelijke tijdstip van twee uur des middags.
Nou wil ik niet zeggen dat ik me een ongeluk heb lopen zoeken, maar wel, en dat is echt waar, dat op weg naar haar townhouse, vanaf een nauwelijks volgroeide boom me, zonder dat het opmerkelijk hard waaide, een behoorlijk zware tak op m’n schouder viel. Ik weet wel dat je in Amerika mensen, gemeentes en staten overal voor kunt vervolgen, maar dat leek me niet de beste binnenkomer bij Louise. En verder werd ik door pijn noch door angsten achterna gezeten.
Trapje op, aanbellen. Wat moet je anders. Uit het voorraam komt het rozijnige hoofd van Louise Bourgeois gestoken. Louise was toen reeds ruim in de tachtig.

“Yes”?
“Hello, I am Hans”.
“Yes, I’ll open the door”.
Ik ben altijd van het tutoyeren geweest, althans, vanaf het moment dat ik je en jij tegen mijn ouders durfde te zeggen. En dat laatste heeft jaren in beslag genomen omdat suggesties in die richting niet van hen uit kwamen. Het beslag laten leggen op “Het Uwen” heeft lang geduurd. Bij hun voornamen, Ben en Lenie, heb ik mijn ouders nooit genoemd en in zekere zin doet dat me nog steeds verdriet. In het Duits is het niet vanzelfsprekend dat je iemand met “je, jou en jij” aanspreekt (behalve God en je (groot)ouders), maar omdat ik toch een buitenlander was (en ben) deed en doe ik dat daar steeds en dat valt meestal goed.

Ik kan me niet herinneren dat ik Louise begon aan te spreken bij haar voornaam, maar dat moet reeds snel hebben plaatsgevonden: “Yes, but Louise, …”, want we waren het telefonisch niet altijd met elkaar eens.
De vraag of ik op deze New Yorkse zomerdag zenuwachtig ben is eigenlijk van geen belang; we hebben elkaar al vaak aan de telefoon gehad, wat hebben we van elkaar te vrezen? Nou ja, ik sta op het punt om een van de belangrijkste beeldhouwsters van de 20-ste eeuw thuis te bezoeken en zij krijgt een ventje van veertig op bezoek.
Kort na mijn binnenkomen overhandig ik haar een fles zeer fraaie Bourgogne, gekocht op advies van een gemeenschappelijke kennis, die ze dankbaar in ontvangst neemt, die ik open maak, en die ze in de loop van de middag, in een rustig tempo, na een kopje koffie en naast een glas voor zichzelf, aan mij zal proberen op te schenken. Tevens overhandig ik haar een exemplaar van een T-shirt met daarop ons logo, vergezeld van de vraag of zij zich daarin op een door haar gekozen moment en wijze wil laten fotograferen.
“I will do so”, zegt Louise, “I will wear it. And Nothing Else!!” Helaas heeft ze zich nooit aan die toezegging gehouden, voor zover ik weet.

Ze vraagt mij om de luiken en ramen naar haar tuin te openen (het is augustus, warm en enorm benauwd), ze krijgt het zelf niet meer voor elkaar. Daarna stelt Louise mij aan als portier voor de komende middag en geeft me de daartoe noodzakelijke instructies: “You open the glass window in the door, ask who is there, you close the glass, you will come to me, tell me who it concerns, and I will tell you if you can let them in, or not”.
“Okay, Louise”, en dat doe ik dus ook in de loop van de middag, alsmaar goeie vriendinnen van haar binnen latend, want voor niemand anders (“or not”) is er een reden bij haar langs te wippen of aan te bellen. Ik ben verdomme begin veertig, maar ik laat me dit recente aspect van onderdanigheid in onze nog frisse verhouding met een licht gevoel van ongemak aanleunen.
De rest van dat eerste uur zitten Louise en ik samen in de piepkleine keuken die zich in het midden van de bel-etage bevindt. Het keukentje grenst in open setting aan de zeer ruime achterkamer waar twee wanden door boekenkasten worden afgedekt. Een veelheid aan dingetjes, memorabilia en recente kleinere stoffen voorbeelden van eigen werk vult alles wat horizontaal is. Waarschijnlijk werkt ze aan die laatste nog, want verder is er geen Bourgeois-tekening of -sculptuur te bespeuren, zoals dat hoort bij goede kunstenaars thuis.

Aan die binnendruppelende en door mij welkom geheten vriendinnen mag ik daarna, op Louise’s bevel, steeds opnieuw mijn voorstel voor die onzichtbare inkt uitleggen, precies als eerder aan Louise zelf. De Meesteres doet of zegt zelf weinig, maar blijft zeer alert en geniet duidelijk van de samenkomst. Ze maakt vooral notities met potlood in een petit aantekeningenboekje. De gespreksonderwerpen beperken zich niet tot beeldende kunst en regelmatig wordt er gelachen. Ik voel me licht geïntimideerd door de entourage, maar tegelijkertijd op mijn gemak. Ik realiseer me steeds dat ik “een man met een missie” ben: Louise overhalen om met ons samen te werken, natuurlijk, maar ik kan niet anders dan “go with the flow”.
Wanneer haar zoon Jean-Louis onverwacht opbelt, vanuit Mexico (waarom niet?), en Louise zelf de telefoonhoorn van het vrijwel antieke toestel opneemt, geeft ze die na enkele woorden, met een uitgestrekte magere arm, door aan éen van haar gasten (gelukkig niet aan mij) die de goeie man nooit gesproken of ontmoet heeft met de woorden: “Jean-Louis wants to talk to you!”, wat tot een kort en vanzelfsprekend weinig samenhangend gesprek leidt met een verbijsterde jonge kunstcritica terwijl de rest van het kleine gezelschap getemperd door keuvelt.

Na een afrondend Good-bye, nice to meet you en een kusuitwisseling tussen Louise en mij verlaat ik om een uur of vijf de eigentijdse, maar ook anachronistische fata morgana aan de twintigste straat. Was het vanmiddag nou 1958 of 1998?, vraag ik me af.
Daarnaast blijft het ook nog eens ongewis of Louise bereid is om mijn uitnodiging serieus te overwegen. Wat me in ieder geval rest is een vorm van trots en plezier dat ik zojuist éen en ander aan Louise heb mogen voorleggen en dat ik deelgenoot ben geweest van een legendarische babbelclub van niveau en genoegen.
Een maand of drie later komt er in Amsterdam via de fax een voorstel van Louise voor een kunstwerk in zeer kleine oplage hetgeen ik afwijs omdat het niet voldoet aan het door mij voorgestelde concept.
Had ik mijn verstand maar gebruikt. Alles was zo eenvoudig geweest! Oh, waar was mijn respect voor Louise? Hoe kon ik zo brutaal zijn? Was ik maar nooit geboren!

Een paar maanden voor haar dood in 2010, Louise is dan 98 jaar oud, staat haar zaakwaarnemer, tevens muze, Jerry Gorovoy me nog een kort telefoongesprek met haar toe. Ja, alles is goed, zegt ze, en ze informeert of alles goed met mij is.
Of we Frans of Engels spreken kan ik me niet meer herinneren, maar Louise vraagt me wel of ik toevallig in New York ben.

ANDERS DAN IN KEULEN …

Deze tekst schreef ik enige tijd geleden, maar ik ben er nog steeds niet helemaal zeker van. Toch lijkt het me een goed moment om hem “voor de leeuwen” te gooien. Maar dat is meer een kwestie van intuïtie dan van overtuiging:

ANDERS DAN IN KEULEN …

Hoe kan het in godsnaam zijn dat ik soms denk dat ik anders ben dan andere mensen, bijvoorbeeld anders dan mensen in Keulen. Wat ben ik toch een domoor. Ik ken alles in de wijde omgeving van de Dom daar, en als REM daar optreedt dan kan ik me daar alles bij voorstellen. Maar hunnie in het publiek zijn andere mensen, denk ik dan, in mijn oneindige bekrompenheid. Anders in hun humor, en in hun gebrek daaraan, en in hoe ze hun neus snuiten, hoe ze naar REM luisteren …, denk ik dan. Oh mijn God, was ik maar dood. En ik schaam me zo. The Kinks zingen: I’m not like everybody else, maar ze hebben ongelijk.

Anthony Bourdain, die helaas echt dood is, was elke keer weer blij als hij terug was in Vietnam: vanwege zijn vrienden daar, vanwege het land, vanwege het eten en vanwege het bier in Hanoi, omdat daar voor hem weinig boven ging. Nou heeft Tony gelukkig ook wel eens Eisbein geproefd in Keulen, en het lekker gevonden, een varkenspootje, met geleiachtige tussenbeetjes; hij stak, naar mijn mening, iets te weinig de loftrompet van Kölsch, maar daar zat voor hem vermoedelijk niet genoeg alcohol in.

Over het Duits-Nederlandse probleem, voor zover dat al bestaat, zijn veel dingen te zeggen. Een van mijn beste vrienden is dicht bij de grens opgegroeid en die kent het verschil nauwelijks; voordat ik het weet hebben we onze conversatie naar de Duitse taal verlegd, want ik ben in het Oosterbuurs niet per sé, éen, twee, drie een sukkel.

Tja, ik heb hem natuurlijk nooit gekend, maar ik had een oom gehad kunnen hebben (Give him a name!: Toine) die in Neuengamme, een concentratiekamp in Noord-Duitsland, na een reis langs andere kampen, doodgehongerd is. Hij was de oudste broer van mijn moeder. Blijkbaar deed hij, reeds op jonge leeftijd, allerlei dingen voor het verzet in Noord-Brabant (of in de wereld). Niemand heeft ooit kunnen achterhalen wat die dingen geweest zijn. Dat verlies (hij kon goed tekenen, ook nog) is natuurlijk het gezin van mijn moeder en de rest van de familie gaan kenmerken (kind, neef, broer verliezen, en zo), en dan alles ook nog door die kutmoffen …

Dat mijn vader, reeds jong EHBO-er en, daaraan tot op latere leeftijd met maandelijkse regelmaat bloed gevend, ook betrokken was bij de opvang van slachtoffers uit de oorlogskampen, maakte hem, binnen ons gezin, tot een in zich zelf gekeerd mens. En tot iemand die het goede in zijn kinderen tevoorschijn wilde toveren, vaak met klappen gepaard. Een soort Hans Klok, maar dan, om voor ons onnavolgbare redenen, vaak boos  en agressief.

Dat ik dit weinige van zijn geschiedenis ken betekent dat er mij iets over is verteld, maar verder kan ik er niet over uitwijden, want dit was alles wat ons kinderen werd toegemeten. Dat het zwaar en droevig moet zijn geweest liet zich eenvoudig  tussen de regels doorlezen.

Mijn moeder had wel enkele vrolijke verhalen te vertellen over die tijd. Hoe ze op het arbeidsbureau werkte en zaken verdonkeremaande om daarmee de bezetter dwars te zitten waar het ging om mogelijke Arbeitseinsatz, voedselbonnen, en dergelijke. Querulante streken, die vaak aspecten van dapperheid en slimheid in zich hadden. Tegelijkertijd kon ze het hebben over het rijkste Joodje van Bergen op Zoom, dat in de jaren dertig, in zijn Rolls Royce, een blijkbaar minder geliefde, maar bekende persoonlijkheid in dat stadje was.

Niet dat mijn vader het tegensprak, in tegendeel, maar dit was een voorbode van latere vormen van vooroordelen, waarin omgang met de gekleurde medemens, laat staan een huwelijksrelatie met een Surinamoïde, slechts tot ellende kon voeren. Zo ook was omgang met homoseksuelen sterk af te raden vanwege het besmettelijke aspect van de afwijking. Nou werden er aan de deur geen homo’s verkocht en moesten Jehova’s-Getuigen meteen opdonderen als ze op zondagochtend aanbelden, maar ik moet eerlijk toegeven dat er zaadjes werden gezaaid. Andere mensen waren Anders, ook omdat we niet met protestantse kinderen mochten buitenspelen

Wel schiet me ineens Imbras te binnen, een toen vier- of vijfjarig meisje dat het enige kind was in een Turks gezin dat direct achter ons woonde in een door tijd en weer vrijwel gesloopt behuizinkje, en over een gammel, net niet instortend, scheidingsmuurtje werd getild om met ons te spelen (en aan het eind van de dag weer terug gegooid, natuurlijk). De kleuter stonk een uur in de wind, maar ze was welkom en vrolijk.

Wat later werden mijn schoolvriendjes (vriendinnetjes, alsmaar langskomend,  waren dan altijd al stapelverliefd op mij, zonder dat ik ook maar iets in de gaten had) door mijn ouders, onderverdeeld in twee categorieën: A: “Je steekt er weinig van op” of B: “Wel een aardige jongen”. Uit categorie B ontving ik, zeker wat later, weinig schoolgenoten thuis want die waren, eigenlijk zonder uitzondering, “nogal eigenwijs”, wat alleen maar heibel gaf, letterlijk: men werd nog wel eens het huis uitgegooid, als vriendje van mij en zo is mij nog een halve carrière in de Nederlandse popmuziek ontgaan. In contact met de B-groep vond natuurlijk ook informatie-uitwisseling plaats over kunst, muziek en poëzie, soms politiek, hetgeen door paps en mams nou ook weer niet heel erg werd aangemoedigd. Want een kind, of een jong mens, met een mening kon beter zijn of haar bek houden, en kranten lezen was eerder iets voor volwassenen. Verliefdheden mijnerzijds, op geheel andere meisjes dan die hun ogen op mij gericht hadden, waarover ik mijn moeder wel eens in vertrouwen nam, moesten na een paar dagen “maar eens afgelopen zijn”. Mijn hemel, wat een hel, als ik er op terugkijk.

Nou, en dan zit je dus te kijken op een filmpjeswebsite naar een van je vele favoriete bands en dan denk je: “Toch kunnen ze de crux niet helemaal te pakken krijgen, daar in Keulen!”.

Laatst zat ik met een, nota bene Duitse, vriend te kijken naar een voetbalwedstrijd met als een partij het team waar hij een idolaat fan van is: Eintracht Frankfurt. Op een gegeven moment neemt de scheidsrechter een beslissing waar wij het geen van beiden mee eens konden zijn, maar, terwijl ik gelaten het vervolg af wachtte, raakte mijn vriend geheel door het dolle. Toen suggereerde ik hem om de arbiter een brief te schrijven waarin de vraag opgenomen zou kunnen zijn: “Wie denk je wel dat je bent?”, maar daarmee slaagde ik er niet in om de kwaliteit van zijn humeur te verbeteren. Gelukkig won Eintracht uiteindelijk, maar de vraag bleef me bij. En die ben ik mezelf gaan stellen, ook al hoef ik niet, tussen tweeëntwintig man, twee keer drie kwartier op een grasveld rond te hollen en éen keer per jaar éen Coopertest te doen.

Wie ben ik wel dat ik denk dat ik ben?

Men kan zich afscheiden van een, opgewekt of neerslachtig, geventileerde nevenmening door, weloverwogen, over bepaalde zaken na te denken en daardoor op “iets eigens” te komen. Dat daar vaak weinig origineels in schuilt is op dit moment even van minder belang.

Nadat we het begin van mijn laatste relatie achter de rug te hadden, deelde ik mijn vriendin (ook Duits, trouwens) mee dat ik, vanaf dat moment, pogingen wilde gaan ondernemen om eerlijk te zijn. Naast andere zaken, die een niet onbelangrijke rol speelden, was dat het begin van de ondergang van de verhouding. Zij interpreteerde mijn, uit echte wanhoop voortkomende, voornemen als een permanente leugenachtigheid mijnerzijds, met betrekking tot alles, terwijl ik niet het liegende type ben. Was ik dat maar geweest, dan had ik, in veel gevallen, dapper in mijn liegen, eerlijk kunnen zijn over waar het er echt toe deed. Over een politicus, over een museumdirecteur, over een collega die het allang verdiende om dood te zijn.

Maar nee: lafheid, eigenwijsheid en afgunst op een recht vooruit gesproken mening, belemmerde me, evenals het idee dat het onderdeuraspect van mijn persoonlijkheid er weinig tot niets toe deed.

En angst. Angst, zonder moed, dus. Angst kun je zeker een drijfveer (of zeg gerust, in mijn geval: “zinkveer”) in mijn leven noemen. En het bestempelen van de ander als “anders” hoort in dat pakket helemaal thuis. Angst als een signaal dat ik niet ben die ik wezen moet; dat ik me maar beter kan wegpraten, schamen en lullen in de richting van dit zowel als dat.

Weliswaar kan (of kon) ik het talent van een jonge kunstenaar spoedig herkennen (en daarmee niet bedoelend haar of zijn potentiële marktwaarde), en dat is zeker een talent van mij. En ik kon erover spreken, als ging het om mijn eigen marktwaarde. Maar ik was een kluns in het erkennen, ondergaan van mezelf.

Rivieren stromen altijd naar het eb en de vloed van de zee, zoals REM zingt in Find the River. Ik ben, op z’n hoogst, een zijriviertje; geen bron, geen waterval, geen Maas of Mississippi, geen delta.

Je kunt vrienden tegen komen om de hoek, maar ook ver weg. En ver weg stap ik misschien wel een keer een museum of een café binnen. Ik zal mijn vrienden niet meteen herkennen omdat ik ze nooit eerder ontmoette.

Ik ben geloof ik steeds meer aan het leren om geen schepen voor me uit te verbranden. Ik vind “de ander” een groot begrip, en tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, maar voor wie ik liefheb wil ik heten, en voor wie mij wil liefhebben wil ik proberen eerlijk te zijn. En voor een ander misschien wel in een toekomst, met het risico dat ik soms zelf die ander zal zijn.

Amsterdam, 1 April 2019

Find the River (R.E.M.)

Hey now, little speedy head
The read on the speed meter says
You have to go to task in the city
Where people drown and people serve
Don’t be shy
Your just deserve
Is only just light years to go

Me, my thoughts are flower strewn
Ocean storm, bayberry moon
I have got to leave to find my way
Watch the road and memorize
This life that pass before my eyes
Nothing is going my way

The ocean is the river’s goal
A need to leave the water knows
We’re closer now than light years to go

I have got to find the river
Bergamot and Vetiver
Run through my head and fall away
Leave the road and memorize
This life that pass before my eyes
Nothing is going my way

There’s no one left to take the lead
But I tell you and you can see
We’re closer now than light years to go
Pick up…

Neeltje Maria Min

Mijn moeder is mijn naam vergeten.
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Een “must” voor hen die soms niet in optimisme geloven … (20): “Scarlatti door Ivo Pogorelich”

Mijn hele leven ben ik al een knalharde fan van Ivo Pogorelich. Of het nou om Bach, Scarlatti (zoals hier), Chopin of Tchaikovsky gaat.
Eén van de mooiste stukken door twee briljante musici is wel Opus 111, de 32-ste pianosonate van Van Beethoven, maar die hoort hier helemaal niet thuis.
Dus daarom (en zonder bewegende beelden van ooit wonderschone Ivo*), maar wel met de muziek erbij en voor de swing en de verfijning:

*Om te bewijzen wat ik zojuist zei …

Voor hen die niet van … (vliegjes) houden (4): “Drosophila”

Awel zunne, dierbare volger in België, en welkom, elke ander volger van deze zich steeds bijzarder (althans in mijn eigen beperkte perspectiefje) ontwikkelende web-site.
Op dit moment lees ik The Portable Atheist, een bundeling van teksten die is samengesteld door Christopher Hitchens (1949-2011, atheïst par excellence, net als Richard Dawkins, Stephen Fry en Ricky Gervais. Bekijk hen alsjeblieft op Joetjoeb). Elk essay, van 2.000 jaar geleden tot relatief recent, heeft tot onderwerp de verwondering van elke schrijver over het bestaan van allerlei vormen van religie, het geloof in een designer, in geesten, in leven na de dood, het veelzijdig ontstaan van soorten, enzovoorts. Vorige week las ik Descartes, Spinoza en Darwin, eergisteren en gisteren Bertrand Russell en vandaag onder andere Carl Sagan. Terecht zal een enkeling opmerken: “Stel je niet zo aan, mislukte VWO-er!” en daar valt wat voor te zeggen. Toch ben ik een een leerling van Verwondering, Waarneming en Onderzoek, wat ook een soort VWO is, maar dan als Formule1-didact. En natuurlijk een leerling van de kunst; wie of wat was ik geweest zonder de kunst?

Maar nu alle gekheid op een stokje: vorige week had ik een schilletje van een mango blijkbaar precies naast de prullenmand geworpen en voordat je daarachter komt en voordat je ook nog dat bodempje wijn hebt uitgewassen, kan er enige tijd overheen gaan.
Nou ben ik heel goed met dieren en dat is veelal wederzijds en ook met kinderen. Die laatste groep heeft zelfs de neiging om, en daar zijn vele getuigen(issen) van, geheel door mijn verschijning gefascineerd te raken: waarnemingen van dit merkwaardige fenomeen hebben zich voorgedaan op de snelweg (ze draaiden bekant (dat is Zaans voor: bijna), als zonnebloemen, hun hoofdjes van hun nog zo jonge nekjes om me door de achterruit te blijven bekijken), tijdens wandelingen in de openbare natuur, bezoeken aan steden. En een meisje van een jaar of vier is ooit, in een rustig hotelzwembad in het Zuiden van Midden-Frankrijk, ternauwernood aan de verdrinkingsdood ontsnapt omdat haar oudere zus zeer alert reageerde toen ze, alleen maar op mij gefocust, van de rand van het bad het water in lazerde: een soort geriafilie, dus. Je zal het maar hebben. Op dieren heb ik dus een vergelijkbaar effect, maar in veel mildere mate, want die blijven op zichzelf letten.
Ik wijd geloof ik een beetje uit, maar die mangoschil en dat bodempje wijn, bracht nogal wat drosophila’s in mijn directe omgeving op de been. Daar heb ik geen enkel probleem mee, want ze doen immers geen vlieg kwaad.

Toen het genetisch onderzoek nog in de kinderschoenen (o, daar heb je ze weer) stond, is er heel veel met fruitvliegjes gedaan, want die waren makkelijk in de omgang, reproduceerden zich aangenaam snel en hadden een kort genenpatroon. En daarom kon je er, door manipulatie, makkelijk een oogje, een vleugeltje, bij- of een pootje minder aan ontwerpen. Een bruikbaar, kortom, en volgzaam vliegje. Sindsdien kunnen ze van bijna niks iets in een petrischaal tot een lever of een nier opkrikken. En als het nu niet is dan komt het morgen wel.
Ik heb dus die tien, of twaalf, of twintig fruitvliegjes om me heen. Er bestaan trouwens zo’n 1.500 soorten en mijn determinatie-set bevindt zich in de opslag, dus de ondersoort is me even onduidelijk en hun voorliefde voor rode wijn (een Vacqueyras) en mango geeft geen uitsluitsel op het net.


Maar wat een wonderbaarlijke diertjes, nauwelijks groter dan twee speldenknoppen, zijn het toch. Ze bestaan, ze zien jou met ogen kleiner dan een naaldpunt waarop wie weet hoeveel engelen dansen. Ze komen, heel bewust, op je pols, je bril of op het snoer van je telefoonoplader zitten, of, en dat is helemaal een feest, op je beeldscherm. Het mag natuurlijk een uitdrukking zijn, maar je weet niet wat je ziet!
Ik wil niet zeggen dat koolwitjes permanent bezopen zijn, maar die lijken het vaak wel: ze fladderen alsof ze uit een café komen en niet meer weten waar ze wonen. Nee, dan onze Drosophila: ze zijn recht-door-zee en dat uiten ze in hun vliegbeeld, zoals dat bij vogels heet. Ze hebben trek in iets, ze weten de weg te vinden, doen zich eraan tegoed en komen je dan gezelschap houden.
In voornoemd Zuiden van Midden-Frankrijk kwam er ook altijd een hoornaar slokjes wijn uit mijn glas nemen, meerdere malen achter elkaar in de loop van anderhalf uur. Voor hem of haar was het natuurlijk ook lunch en klaarblijkelijk de periode om het kroost aan een ietsiepietsie alcohol te laten wennen. Dat gezellige, sociale, bijna gedomesticeerde gedrag is toch opvallend? Aaien is bij hoornaars af te raden, want er kunnen weleens misverstanden ontstaan en hoewel hun stembanden niet zijn ontwikkeld moet je toch oppassen, heb ik weleens gehoord, dat je niet het hele volk op je af krijgt.

De Europese Hoornaar,… maar dus drie keer zo groot als een reguliere wesp

Bij de Drosophila’s zijn de risico’s anders verdeeld. Die zijn voor hun groter dan voor mij en hun stembandjes zijn nog kleiner, al weten we natuurlijk niets over de frequenties waarop ze mogelijk alarm slaan. Ze stijgen sneller op dan de hoornaar, maar wanneer je ze aanwijst zijn ze eigenlijk al zo goed als dood, in tegenstelling tot hun gigantische wespenneven of -nichtjes (als er al sprake is van verwantschap, want zo schijnt het nijlpaard dichter bij de walvis dan bij een koe of een leeuw te staan, genetisch-technisch gesproken).

Moeten we nu per heden in god geloven omdat de fruitvlieg bestaat?
Ik denk het wel, maar dan alleen maar in goden die bestaan voor fruitvliegjes.
Ik zal er éen zijn (dan heb ik ook eens wat), want, met een beetje accuratesse, vitesse en mazzel, kan ik beslissen over hun leven en dood.
Daarnaast bestaat er voor hun de mango-god: is er mango dan is het goed, is er geen mango dan moeten er kinderoffers worden gebracht En dan moet je je voorstellen dat die peuterfruitvliegjes voor het menselijk oog niet eens waarneembaar zijn, dus wat heeft die mango-god daaraan?
En natuurlijk geloven ze in de god van de wijn, Bacchus, die voor de hoornaar zowel als voor mij ook bestaat.
En in de God van het Kurken Trekken, want die helpt ons alle drie door het leven. Het moge duidelijk zijn dat onderstaande “modellen” niet de enige zijn in onze gespleten wereld, dus een religieuze strijd zal ongetwijfeld volgen, al blijf ik de fruitvlieg het laatste slokje gunnen.

Aanvulling per 22 september 2020: Ik lees net in het weetjesboek van de Britse tv-serie IQ dat mannelijke fruitvliegjes, al zijn het allemaal slobbers, significanter aan de alcohol raken als ze door een vrouwtje worden afgewezen. Ik zou zeggen: Dames, doe er uw voordeel mee, al weet ik niet precies welke kant op ik dat bedoel…

Een “must” voor hen die soms niet in optimisme geloven … (20): “Lijpe Harry”

Nu ik met dit nummer aankom staat het eenieder vrij om tegen mij te zeggen: “Hans, je moet, in deze categorie, wel een beetje snoeien” Zoals aan die alsmaar wilder uitbottende Glansmispel met zijn mooie buitenste rode blaadjes die soms geeneens geen bloemen geeft of de Liguster (die zijn eigen vlinder heeft, alhoewel hieronder beslist niet op ligustergroen gefotografeerd want het blad lijkt meer op dat van de esdoorn, de maple leaf, die in in het rood de Canadese vlag siert):

De ligusterpijlstaart (foto Olaf Leillinger)

Daar heeft Eenieder gelijk in.
Dit lied is echter een soort dubbelloopsgeweer waarbij het ene schot hagel het pessimisme en het andere het optimisme vertegenwoordigt. Daarnaast is het, door compositie en uitvoering, opwekkend en hilarisch (en ook zeer zorgvuldig). Tegelijkertijd is het de vraag of het nou sugar coated treurnis is, of salt coated geluk. Soms, zoals ik wel vaker meld, weet ik het gewoon niet. Mondiaal ken ik er geen equivalent van, in ieder geval.
Ik probeer steeds uit te stellen om jullie hier met deze Armand (god (hij was duidelijk atheïst) wat heeft hij toch fantastische composities geschreven, even zo goed als Boudewijn de Groot/Lennaert Nijgh) te confronteren, want ik wil er eigenlijk veel meer omheen lullen. Misschien komt dat later nog wel een keer, dus vooruit dan maar, bij deze, veel plezier en geluk ermee, au revoir, vaarwel, tot gauw, &c.

E-mail aan lieve vriendin H. en anderen: “Excuses, Banksy, Tenen en Relaties”

Ach, dear H., nu begrijp ik pas wat er is gebeurd, gisteren. Soms heb ik van die buien en heb ik bij LinkedIn op allerlei knopjes gedrukt. Het schiet me te binnen dat jij daar ook voorbij kwam. Neem me vooral niet kwalijk en trek je er niks van aan. Ik ben ooit aan die zooi begonnen omdat ik dacht dat het iets was ten gunste van Amsterdam Drawing en sindsdien heb ik tegen de 2.000 volgers ontwikkeld. Die zet ik nu, terwijl ik mijn hele profiel heb omgewerkt tot een persoonlijker inhoud, dan maar in om mijn website enigszins onder de aandacht te brengen, wat nog een beetje lukt ook. Nogmaals excuses voor het op die manier aan jouw deur kloppen …
Intussen ook het volgende te melden, want dat heb ik net aan een andere vriend, die ook H. (maar anders dan jij) heet, gecomponeerd:

Zojuist, omdat ik naar wat kunstveiling-websites zat te kijken kwam ineens dit werk van Banksy voorbij: https://www.sothebys.com/en/buy/auction/2020/evening-sale-london/banksy-mediterranean-sea-view-2017

Ik ben wel een bewonderaar van Banksy’s houding, maar geen groot liefhebber van zijn werk. Maar dit drieluik deed me huilen en lachen tegelijk: aangespoelde zwemvesten, geschilderd op gevonden kitscherige zeelandschappen. Zijn humane intelligentie staat natuurlijk buiten kijf. Dit werk komt direct van hem, moet verdomd veel geld opbrengen en dat gaat dan ook naar een zeer goed doel.
Afgelopen woensdag veroorzaakte ik, ook door een humane actie, hoewel die minder geld oplevert dan die van Banksy, een enorme boosheid bij een buurman die mij over een meter of zes op enkelhoogte een porseleinen beker toewierp. Deze raakte dan ook, als een soort dumdumkogel, wel degelijk mijn rechtervoet. Na enige dagen gedacht te hebben dat het resultaat daarvan een zware kneuzing was ben ik vanmiddag, tussen de laatste vrije training en de kwalificatie van de Formule-1 in, eventjes (uit en thuis binnen het uur) naar het OLVG (een hospitaal in Amsterdam) geweest. Daar werd natuurlijk eerst mijn voet geportretteerd. Blijkbaar succesvol en naar tevredenheid, want kort daarop kon een anonieme, maar zeer vriendelijke en mij terug-tutoyerende arts mij mededelen dat ik niet éen, maar twee tenen heb gebroken en niet elk éen keer, maar elk twee keer. Zo zie je maar dat ik niet van de straat ben.
De medische wereld gaat er verder niet op ingrijpen, want ik ben per slot van rekening Epke Zonderland niet. Die elegante lidmaten moeten dus uit hun eigen genezen, wat ongeveer drie tot zes weken in beslag gaat nemen. Ter ondersteuning van dit proces kreeg ik van hem een goedkoop uitziende (het verbaast me soms dat er niet fietsventieldopjes in meerder kleuren verkrijgbaar zijn), maar vermoedelijk kostbare variant van de sandaal die ik zelf drie weken geleden voor baje veel geld bij Swartjes in de Utrechtsestraat kocht (kort na mijn triomfantelijke aanschaf kreeg ik van M. te horen dat de winkel en des familie geheel fout waren in de oorlog, net als Hugo Boss en het wasmiddel Persil, dus wat moet je daar dan weer mee?). Deze ziekenhuissandaal heeft echter een plaat staal in de zool zodat ik bij het afwikkelen van mijn voet eigenlijk niks afwikkel, waardoor mijn kapotte teentjes netjes gestrekt blijven. Nadeel, voordeel, dus.

De hele buurt leeft hier enorm mee, dus ik voel me erg gekoesterd. Eergisteren kreeg ik van een andere buurman, terwijl ik zijn aandringen enorm geprobeerd had af te wijzen, een fles wijn van heb ik me jou daar cadeau. Die moest en zou duur zijn en geheel naar mijn wens. Omdat ik zo zielig ben, natuurlijk. En ik maar zeggen: Nee, dat hoeft helemaal niet, wat kan jij eraan doen, en zo voorts (die buurman is ook een beetje een maatje van de veroorzaker, die zichzelf intussen dood schaamt en zich al meerdere keren per Epke (dat dan weer wel) en ook in persoon heeft verontschuldigd).

Af Fijn, wegens het ontbreken van een Kurk-en-Trekker (een product dat nergens meer verkrijgbaar is, niet bij de Abbertijn, niet bij de gespecialiseerde wijnwinkel waar de fles vandaan komt en ook niet bij de vedderop gelegen Gall & Gall (Lever & Lever noemde een oude schoolvriend het concern altijd) kon ik er pas vandaag aan beginnen, aan die wijn dus, omdat lieve om-de-hoek-vriendin A. mij een elementair gedraaid stukje staal langs bracht waarmee ik de geest uit de fles kreeg. Er zit wel 14,5% drank in en ik ben al over de helft terwijl de 5 pas net in de klok zit, maar buurman begon al een half uur na het overhandigen van zijn gift (en dat was om half elf des ochtends) bij mij te informeren of ik hem lekker vond. Hij is 40% Grenache en 60% Syrah en van goede herkomst, net als ik; nou, steviger kan je mij niet raken. Geheel op artisanale wijze tot stand gebracht ook, waar ik verder niet vaak acht op sla, al heb ik grote bewondering voor iedere alpinopet die zich daarmee bezighoudt.

“Nou”, voorspelde de arts in het ziekenhuis mij, “Je zult nu gaan merken hoe vaak een mens per dag, normaliter, maar onbewust en zonder klachten, zijn of haar teen stoot”. Maar behalve dat kortelings een van de twee hondjes van eerder genoemde vriendin A. precies met haar linkervoorpoot effekes, in haar enthousiasme om mij te zien, op mijn viervoudige breuk ging staan, is de last van mijn letsel eerder af- dan toegenomen. Alles kan dus ook in het positieve verkeren.

P. S.
Goed nieuws: Ah, de buurtsuper heeft weer kurkentrekkers en nog helemaal goed ook. Nou had ik er maar éen nodig, maar de barcode werd bij de zelfscanner niet herkend, dus heb ik hem maar gewoon in mijn tas gestopt en meegenomen voor de komma van negen euro negenennegentig. You win some, you loose some!

P. P. S.
Laten we in god’s naam iets menselijks doen voor de bootvluchtelingen …!!!

Voor hen die niet van … (een schilderij) houden (3): “Jos van Merendonk”

Nou ken ik, niet geheel toevallig, maar dat heeft meer met zijn kwaliteiten dan met de mijne te maken, zowel Jos als zijn schilderijen. En ik ken ook een aantal mensen dat dol is op zijn werk, zijn avontuur, zijn onderzoek, zijn vasthouden aan risico’s. En zijn (relatieve) neiging om zaken, ook in de kunst, te relativeren. Eerst maar eens kijken wat de goede man eigenlijk uitspookt:

Dit is een schilderij uit 2006 van 100 x 100 cm, éen van de standaardmaten van Van Merendonk, naast 200 x 200 en 60 x 60 cm. Zijn werken hebben als titel een samengesteld nummer dat verwijst naar jaar van ontstaan, formaat, gebruikte soort verf en de positie in de volgorde van ontstaan.
De compositie hierboven zou voor de argeloze kijker nogal willekeurig kunnen schijnen, maar zij representeert in verf de “basistekening” waarmee Van Merendonk elk schilderij aanvangt in potlood om pas daarna de kwast ter hand te nemen. Onderstaand schilderij laat, als voorbeeld, zien dat dat startpunt een vaak zeer losse leidraad blijkt te zijn:

Meteen duidelijk is dat het belangrijkste deel van het beeld (van 60 x 60 cm) met verf gespoten is. Daarnaast maakt Van Merendonk hier gebruik van verticalen, als lijn en als een hangende slinger. Componenten die in de basistekening elk slechts éen keer voorkomen.
In een reeks schilderijen uit 2005, waarvan hieronder een voorbeeld van 100 x 100 cm, is, voor ons als beschouwers, elk houvast aan de begincompositie geheel zoek geraakt. Het leek Van Merendonk wel een aardig idee om eens met een verfroller aan de slag te gaan, want dat was er tot dan toe nooit van gekomen. En elke uitdaging moet met open vizier tegemoet getreden worden.

Zo’n roller heeft natuurlijk tamelijk rigide eigenschappen ten opzichte van de kwast of de spuitbus, wat me indertijd verleidde tot de opmerking dat het nu niet veel gekker meer kon worden, waar de kunstenaar zelf gelukkig hartelijk en bijna instemmend om moest lachen. In dit schilderij zijn trouwens ook, voor zover niet overschilderd, de potloodlijnen van de tekening duidelijk waarneembaar.
En dan hieronder een laatste voorbeeld (van 200 x 200 cm) waarin je zou kunnen spreken van een lyrische uitwerking die, als het ware, aangestuurd is door geselecteerde elementen van de basistekening:

Ik heb hier gekozen voor een paar werken uit het midden van het eerste decennium van onze fijne eeuw, maar kijk ook eens op de web-site van Jos van Merendonk. Die wordt regelmatig verfrist (al mis ik altijd een archief, maar daar zal Jos beslist een reden voor hebben) en bevat ook een paar fraaie teksten uit binnen- en buitenland (en zelfs een video) over een aantal beweegredenen die tot een dergelijk oeuvre kunnen leiden.

P. S.
Oplettende kijkertjes thuis is het misschien opgevallen dat ik bij mijn selectie steeds “gegaan ben” voor groene schilderijen. Daar zit iets in, ware het niet dat Van Merendonk sinds midden jaren ’80 alleen maar groene schilderijen maakt, gebruik makend van het zogenaamde chroomoxide-groen. Maar ik vind het “monochrome aspect” eigenlijk verwaarloosbaar. Net als met de basistekening vermijdt hij hiermee het ellendige horror vacui dat menige kunstenaar kwelt. Terwijl hij vanaf het eerste begin steeds meerdere keuzes heeft geëlimineerd, resulteert die eliminatie in een kleurrijk, vrij en vindingrijk levenswerk (waaraan trouwens nog volop geklust wordt).

Voor hen die niet van … (poëzie) houden (2): “Midden op de weg”

Om maar met de deur in huis te vallen:

Midden op de weg

Midden op de weg lag een steen
lag een steen midden op de weg
lag een steen
midden op de weg lag een steen.

Nooit zal ik die gebeurtenis vergeten
in het leven van mijn zo vermoeide netvliezen.
Nooit zal ik vergeten dat midden op de weg
lag een steen
lag een steen midden op de weg
midden op de weg lag een steen.

Carlos Drummond de Andrade (No meio do caminho)
Vert. August Willemsen

Zo heeft een filosoof en natuurkundige (of omgekeerd) ooit eens beschreven wat een geweldig toeval het was dat hij op een auto, midden in New York, het nummerbord CT-133-RT aantrof (of een nummer van een andere, maar gelijkwaardige orde, maar vraag me dat nou weer niet want de publicatie bevindt zich al jaren in een opslag). Ik ben verdomme z’n naam vergeten en ik kan er wel een sjekkie over draaien, maar ik weet bijna zeker dat ik er niet op kom (het is ook al wel een paar jaar geleden; hij had ook iets met de atoombom of andere explosieven van doen, &c).

Hah! iedereen die achter de uitspraak aanschuifelt dat we maar 10% van onze hersenen gebruiken, loopt een Broodje Aap achterna: de wetenschap is er tot nu toe niet achter hóe we met onze overige 90% omgaan, maar die gebruiken we wel degelijk:
De briljante man die me zojuist te binnen schoot heet dus Richard Feynman. Dat ik op zijn naam kan komen maakt me beslist niet zo briljant als hij was, maar het is wel fijn om te merken dat mijn synapsen nog een beetje knapperen.

P. S.

Van dit gedicht nam ik kennis in de fraaie, associatieve compilatie van poëzie, samengesteld door Henny Vrienten, in 2009 gepubliceerd onder de titel Zwaan kleef aan (op pagina 68).