LEAVING ON A JET PLANE

Door een zwaar katholieke en vermoedelijk impotente apotheker, vrijwel zeker pedofiel van geest, van toen reeds oudere leeftijd (met een eigen, door de bisschop ingewijd kapelletje in een relatief minuscule flat in het Haarlemse Schalkwijk), zijn mijn iets jongere broer en ik eens door hem meegenomen op een vluchtje in een Cessna, of een vergelijkbaar luchtbrommertje met éen of twee motortjes, nee eentje, realiseer ik me nu.

In dat kapelletje heb ik nog wel eens een misje gediend, als een soort aanstellerig, gelovig knaapje. Hoewel ik toen al wilde dat ik dood was in de religie waarin ik was opgevoed, maar nog te weinig toegang had tot mijn eigen wil, vond ik dat misdienen, geloof ik, wel een geschenk aan iemand die verder, voor zover ik begreep, niets anders dan goeds bedoelde. En, uiteindelijk, was dat ook wel zo, behalve dan dat deze voornoemde apotheker enorme hoeveelheden Mormonen uit Amerika bleef importeren en onderhouden. Die liepen dan op Haarlemse braderieën rond om hun onbeholpen geloof te verkondigen, in ongewoon correcte kostuums en met kapsels alsof ze spoedig ter aarde besteld zouden worden. Voor zover ik kon overzien werden er, ten aanzien van de apotheker, geen onnatuurlijke handelingen verwacht of ten uitvoer gebracht (maar je weet het niet, en wat wist ik en wat weet ik nu?).

Het is met de grootst mogelijke, volstrekt onterechte, aarzeling dat ik bij deze hartelijk wil verklaren dat ik een enorme fan ben van John Denver.
De achterkant, de “tuin”, van het huis waarin ik opgroeide sloot naadloos aan op een van de weinige, toen nog in Haarlem bestaande, achterbuurten; de voorkant was beslist gerespecteerd. In de tuin werd ik schallend geconfronteerd met mijn liefde voor muziek: Tom Jones, The Supremes, The Righteous Brothers, Gladys Knight and The Pips, Elvis en The Beatles, terwijl dat alles bij ons in huis verboden was. De asocialen waren dus niet ongenegen om hun geluk te delen. Nirvana, REM, The White Stripes en Ryan Adams bestonden nog niet; Bonnie Raitt, James Taylor en The Boss nauwelijks; al wel een beetje, maar die hoorde ik daar niet. Wel John Denver!

In 1969, ik was 12 jaar oud, schrijft John Denver Leaving on a Jet Plane. Geweldig! In 1971 neemt Frank Sinatra (in de Codex Sinatrae) het voor het eerst op, OMG.

Er waren nog niet zo heel veel Jet Planes, dus als geliefde liep je weinig risico, zal ik maar zeggen. Maar: Already I’m so Lonesome I could die. Kijk, hier gaat het mis, nee, eigenlijk goed. Het lijkt een beetje lullig dat John, iets verderop in het lied, aan zijn lief verklaart dat hij bij hun volgende ontmoeting, mocht de heen- en terugvlucht succesvol verlopen, een trouwring voor haar klaar heeft. Ik vond dat eerst wel een jammermomentje.

Zoals de nauwelijks te overschatten Al Green en, daarna, Talking Heads het met Take Me to the River hebben over Het Concept van het Geloof (de doop), zo heeft John Denver het hier over het concept van afscheid en wederkomst. Ik zie het hele lied en met name de referentie aan a jet plane als een metafoor. Maar een metafoor voor wat? Zijn koffers zijn gepakt, hij is klaar om af te reizen en hij wil nog een laatste kus. Die kus moet de eigenschappen hebben alsof het nauwelijks voorstelbaar is dat hij ooit nog zal terugkeren. Waar gaat de ik-persoon naar toe en welke gevaren zullen hem daar terminaal bedreigen? Hij weet dat hij zal opstijgen naar “de hemel”. Het is duidelijk geen Judaskus, maar wel een zéer noodzakelijke kus.

Thema’s als Pilatus’ uitspraak Ecce Homo (“Zie De Mens!”) en de kruiswoorden “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U me verlaten?” (I hate to go) duiken op in mijn nadenken, hoewel een letterlijke verwijzing naar een religieuze context in Denver’s tekst ontbreekt. Behoorlijk hoogdravend, geef ik toe, maar zonder dat kom ik het doolhofje dat dit lied kan zijn niet uit.

Already I’m so lonesome I could die verwijst expliciet naar de eerder genoemde kruiswoorden, naar de eenzaamheid van Christus aan het kruis (en naar Hank Williams). Denver spreekt duidelijk uit dat hij (ook maar) een mens is en fouten heeft gemaakt die menselijk zijn en die de relatie op losse schroeven hebben gezet. Impliciet vraagt hij aan zijn geliefde, Maria Magdalena misschien, daarvoor vergiffenis. Hij smeekt haar om te wachten op zijn terugkeer, op hun hernieuwde vereniging (met ringen). Ik denk hier dus natuurlijk aan de terugkeer van De Verlosser, waarna alles, maar dan ook totaal, in orde zal komen. “Wacht op me, alsjeblieft”, tot in het oneindige.

Daarnaast suggereert hij, ook weer impliciet, te verwachten dat zijn reis ergens zal eindigen. Ergens van waaruit hij niet meer zal kunnen terugkeren. Het is dus ook een verzoek om vergeven te worden voor alles wat mis is gelopen tussen haar en hem, vooral door zijn eigen onbeholpen menselijkheid. Een soort laatste sacrament. Hij vraagt haar uiteindelijk ook om te glimlachen óm hem (smile for me), niet naar hem. Hij neemt geen Polaroid van haar mee op reis; hij laat een beeld van zichzelf bij haar achter, voor altijd. Niet voor niets noemen nonnen in een kloostergemeenschap zich ook wel Bruiden van Christus.

Sinatra adapteerde het lied overduidelijk als een verwijzing naar zijn, uit haar voegen barstende, verhouding met Ava Gardner. Een geweldige uitvoering, maar door het jazzy karakter, van iets minder diepgang dan die van Denver zelf, al druipt er het verdriet wegens het vaarwel en de (toekomstige) melancholie vanaf; dat is nou eenmaal eerder regel dan uitzondering bij The Voice.

Leaving on a jet plane is heel vaak opgenomen door “artiesten”. Het hoort thuis in de categorie van songs die Niet Kapot Te Krijgen zijn, al moet ik wel zeggen dat heel veel uitvoerders alles op alles hebben gezet om dat toch voor elkaar te krijgen. Maar het lukt eigenlijk nooit.

Vroeger dacht ik altijd dat John Denver een enorme slijmbal was, als schrijver en zanger tenminste, want ik heb nooit persoonlijk thee of bier met hem gedronken. Pas de laatste jaren, filmpjes kijkend, kom ik er achter dat hij een serieus componist en uitvoerder was, met humor ook en zelfrelativering. Van een ander kaliber dan Elvis, natuurlijk, maar wel van een vergelijkbare klasse. Over John gaan geen verhalen dat hij Cadillacs weggaf, maar dat vind ik ook niet noodzakelijk voor groot kunstenaarschap.

Denver had elk jaar van zijn leven zijn verjaardag op 31 december.

Elke keer is het vieren van oud en nieuw een afscheid en een nieuw begin. Laten we Leaving on a jet plane, als voorstel mijnerzijds, opdragen aan een liefdevol “tot ziens”, maar ook aan een vernieuwend “hallo”, wanneer de gelegenheid zich maar voordoet. En laten we daarom zo min mogelijk neerstorten of, voor altijd, zo veel als mogelijk opstijgen.

P. S.
Natuurlijk zijn boerderijen in de sneeuw van Monet nog mooier, maar dat is ook geen vergelijk.

Bij Gebrek aan Beter

Judith …

Kijk
Hier is een bundel van Herzberg,
Niet alles aait je en soms
Kan ik met meer of minder toe

Maar
In het begin toen het begon
Is wel een mooie zin
Evenals de hunkering naar Au

Waarom
Kan Angst niet later opstaan
Of vroeger naar bed gaan
Wanneer kraait een middaghaan?

PST V

o… aan .oor iemand
liever want
misstaat niemand
misligt, hapert?
o aan oor iemand
desnoods doof.

[Het laatste kwart is, naast de gestolen regels, regelrecht een gedicht van Judith Herzberg uit de bundel Dagrest, pagina 31 (Van Oorschot, 1984, tweede druk)]

E-mail aan lieve vriend P. – “Een wel heel oud, maar wonderbaarlijk mooi lied”.

Ik kom erop dankzij éen van mijn favorietste muziekmakers: Jack White (van The White Stripes, je weet wel, die eigenlijk Gieles heet, maar dan Gilles, dus maar éen letter verschil) en ik ben er erg door geroerd.
Het gesprek tussen Jack White en Conan O’Brien, al begint het een beetje stug, is ook erg de moeite waard.
Hartje,
Hans

Over het Openen van Ramen

(Long as I can see the light)

Het is eind maart en ik zit op een terrasbank op een rustiek pleintje in Amsterdam-Zuid; in De Pijp, eigenlijk. Het cafeetje waar mijn terras bij hoort is onderdeel van een fraai Amsterdamse Schoolcomplex van zo’n vijftig bij twintig meter, opgeleverd in 1920 en ontworpen door de onvermijdelijke architect Piet Kramer. Dit complex neemt het gehele deel van de langere, oostelijke zijde van het pleintje in beslag.
Ik zit op een plek waarvan ik weet dat de nog jonge voorjaarszon me tussen vier en vijf uur op m’n leuke toetje zal schijnen. De eigenares van het café, geïnteresseerd in cultuur en zo, is erg mooi, maar wel spichtig. Bij de vorige vroege lentedag stiftte ze, kort nadat ik arriveerde, haar lippen vuurrood. Voor mij, nam ik voor het gemak maar aan, hoewel een voorspoedige verhouding, onder andere door ons leeftijdsverschil, me vooralsnog niet in het verschiet lijkt te liggen en ik eigenlijk ook spichtig ben.
Ik lees een mooi boek, maar pauzeer bij tijd en wijle en kijk dan om me heen of luister naar naburige gesprekken. Naast me op de bank vergelijken twee jongere vrouwen hun mislukte en tijdelijk geslaagde relaties; twee tafeltjes verder op het terras praten twee mannen over vrouwen. Ik drink daarbij een Italiaans biertje.
Volgende week wordt het weer een stuk frisser.

In de noordelijke, kortere, gevelrij (laat 19de-eeuws, maar verder best in orde) lapt een vrouw haar uitzicht en schuift daarna een raam omhoog en steekt een sigaret op. Klaarblijkelijk rookt ze binnen liever niet. Halverwege de sigaret verdwijnt ze, maar prompt daarop gaan de dubbele deuren naar haar Franse balkonnetje open en zet ze zichzelf neer op een klapstoeltje in de zon.
Hoe oud, mooi, of lelijk ze is, kan ik, vanwege de afstand en het gebrek aan mijn verrekijker niet duiden, maar dat speelt nu ook even geen rol. Vanaf haar tweede etage heeft ze een vergelijkbaar zicht op het plein met platanen als ik, maar dan in vogelperspectief.
Ik vind dat het opendraaien, openklappen of openschuiven van een raam iets magisch heeft. De amorfe eigenschappen van glas, die me altijd enige angst inboezemen, dragen er zorg voor dat je “binnen” zit, terwijl je toch informatie krijgt over “buiten”. Ik vind dat een geweldige uitvinding. Vroeger, toen vensterglas nog niet kon worden gefabriceerd, kwamen buiten en binnen op hetzelfde neer, behalve dat je buiten natregende en binnen niet. En toen vensterglas nog heel duur was nam de adel, wanneer ze naar hun zomerkasteel verhuisde, het glas mee om, al was het prachtig weer, toch ook af en toe “binnen” te kunnen zitten.

In het huis waar ik opgroeide hadden we ramen die je naar boven opentilde. Die zijn, per definitie, zwaar en daarom waren ze ook, met onzichtbare ophanging aan touwen, voorzien van contragewichten, zodat ook mijn moeder bijvoorbeeld, die handeling zonder problemen kon verrichten. Niet dat dat vaak gebeurde, want ons huis stond aan een drukke straat vol autogassen en lawaai. Uiteindelijk konden de ramen helemaal niet meer open omdat voornoemd touw vergaan en daardoor gebroken was.
Vanuit de woonkamer, die zich tegen alle regels in op éen hoog bevond, hadden we natuurlijk zicht op de overkant van de straat. Naast de kunstschilder Kees Verwey, die mij nog eens zou portretteren, kwam daar menig ander karakteristiek type voorbij. De Trompetter, die was blijven hangen in een drugspsychose, waardoor hij, in het openbaar, ellenlange speeches over niets hield, maar hij speelde nog wel zijn instrument. Of De Blote Voetenman, zijn epitheton beschrijft zijn markantste aspect, die zich, ook nog eens, altijd in pyjama kleedde maar zonder gêne stevig doorstapte. Beiden gaven echter geen sjoege op ons bestaan achter het bovenraam. Maar er was wel degelijk De Turk Met Het Been, die dagelijks passeerde en ons zwaaiend groette, evenals wij hem. Tot een nadere kennismaking kwam het nooit en niemand voelde daar een noodzaak toe.
Tevens trof het enorm dat zich tegenover ons de hoofdvestiging van de stedelijke brandweer bevond. Naast het enorme voordeel dat het mijn vader enige procenten in de kosten van een vrijwel kosteloze brandverzekering scheelde, leverde het ook onophoudelijk sociaal contact met de mannen op, want de kazerne was natuurlijk dag en nacht bezet.
Kortom: het kijken en zwaaien, van binnen naar buiten, en vice versa, werd mij met de paplepel ingegoten. Ook doordat we vader, die een eind verderop in de stad zijn baan had, elke dag, ’s ochtends en na het middageten, uitzwaaiden tot hij onzichtbaar was geworden.

Een raam is dus wel iets bijzonders: je kunt je er achter verschuilen, eventueel met de gordijnen dicht, of je kunt het open doen wanneer je de buitenwereld durft in te ademen. Kunstenares Yoko opent ostentatief de luiken wanneer John Imagine zingt.

De kunstenaar Tim Ayres, die met grote regelmaat tekst tot beeldend onderwerp van zijn schilderijen maakt, heeft ooit een werk gemaakt dat voorstelde: Finally I’ve opened all the windows. Het geluk dat uit deze voorstelling straalt weerspiegelt tevens een wanhoop die aan de uitspraak vooraf ging.
Om even binnen de wereld van de beeldende kunst te blijven (op muziek kom ik zo dadelijk): Picasso, Matisse, Vermeer, De Hoogh, Bonnard en vele anderen hebben het venster, als beeldend onderdeel, regelmatig in hun schilderijen opgenomen. En niet alleen als licht brengend element in het afgebeelde interieur.

Wandelend door stedelijke straten en grachten kijk ik ook altijd door ramen naar binnen om te zien wat men zoal aan wanddecoratie heeft hangen. Een enkele keer heb ik wel eens aangebeld om te vragen of ik een schilderij nader mocht bekijken. Dat mocht meestal. Toon mij uw venster en ik vertel u wie u bent, als het ware.
Als ik nu uit mijn eigen raam, op een tweede verdieping, kijk zie ik in metselstructuren gevatte vensters aan de overkant. Nou ben ik ook geïnteresseerd, want niets menselijks is mij vreemd, in metselwerk en voegen, maar in dit geval zijn die niet erg boeiend want ze komen uit een wat minder sterke periode, wat architectuur betreft. Mijn straat is, relatief, aan de nauwe kant dus onlangs zwaaide een overbuurman naar me terwijl ik de lucht bestudeerde en stak zelfs zijn duim omhoog; waarom mag Joost weten, maar ik groette natuurlijk van harte terug. In een ander raam zit vaak een jong stel naar een televisie te kijken, met hun ruggen naar mij toe. Serieuze redenen om hiervoor m’n verrekijker uit zijn huls te halen heb ik dus nog niet kunnen verzinnen.

John Fogerty schreef voor zijn band Creedence Clearwater Revival het lied Long as I can see the light. Het begint met de zin Put a candle in the window. De tekst lijkt in eerste instantie uit elkaar te vallen, want de ik-persoon maakt duidelijk dat hij weg wil, op een reis móet. Het kwartje valt echter wanneer hij aangeeft om zeker ook terug te willen komen. En dat de brandende kaars in het raam zijn anker is. “Wacht op mij, wees er voor mij als ik terug kom”. Het raam als een soort worm hole waardoor je naar het licht kunt gaan, maar er ook weer door kan terugkeren.

Twee kunstenaars, John Cage en Neil Diamond, ervaren muziek wanneer ze het raam openen. Cage, een nogal esoterisch typje, maar zeer invloedrijk en bekend van zijn pianocompositie Vier Minuten en Drieëndertig Seconden Stilte, heeft ook een tamelijk kaal werk geschreven dat bestaat uit het openen van een venster in New York City. Het lawaai van sirenes, auto’s, een blaffende hond, kan het muzikaal resultaat zijn, als een brute maar eerlijke melodie. Mogelijk in navolging hiervan schrijft Neil Diamond, een nogal Middle-of-the-Road typje (maar ik ben een groot fan), het lied Beautiful Noise (coming down from the street). Hierin benoemt hij de stadsgeluiden die door een geopend raam naar binnen komen als een op zichzelf staande schoonheid. Hij zingt er dus over als een wederzijdse liefdesverklaring: van de stad aan hem terwijl hij de grote stad bezingt.
Nee, dan heb je ook nog Van Morisson met zijn lied Cleaning Windows over het zeer zinnige beroep van ramenwasser, waarin hij uitspreekt dat hij een gelukkig man is, op de toppen van zijn kunnen.
En Frank Sinatra zingt in Out beyond the window, dat hij elk jaar een etage hoger gaat wonen en, intussen, de hemel bijna kan aanraken en dat hij de wolken kan verschuiven. Maar er zijn bijna geen wolken meer en komt er niemand meer bij hem langs.

Het openen van een raam en het daarna, later, weer sluiten, is als een zeer trage knipoog. En wat je, tijdens die knipoog,  gezien of gemist hebt kan wel een tijdje een raadsel blijven. Door een voordeur stap je naar buiten, de wereld in. Door een raam ben je waarnemer, of wordt je, eventueel, waargenomen, in voor- en tegenspoed. Een open raam is als een liefde op de lagere school (hierbij moet ik zelf denken aan Ellie Dekker): er gebeurt niks, je weet van niks, maar je voelt van alles. Een flakkerend vuur halverwege iets of niets worden, om het maar eens weinig dynamisch uit te drukken.
Na dit alles grondig te hebben overdacht, waardoor mijn bierglas leeg is, zie ik, tachtig meter van me vandaan, door de nog kale platanen heen, de vrouw haar balkondeuren sluiten, het vensterglas kussen, en zich terugtrekken in een wereld waar ik geen donder mee te maken heb.

Voor Han!

Amsterdam, 29 maart 2019

Hans Gieles

Louise Bourgeois, een ontmoeting …

In het begin en nog in het midden van de jaren negentig, net als in de jaren tachtig, was het mogelijk om in offset gedrukte gegevens van kunstenaars op te zoeken. Als galerie of kunstinstituut kon je daarin adverteren en bij de gratie van de opbrengsten daarvan bestond die publicatie, The Art Diary. Klaarblijkelijk kon menig kunstenaar de verleiding niet weerstaan om haar of zijn gegevens, adres, postcode en telefoonnummer, daarin te laten opnemen. Intussen is deze ranke pocket in het web opgelost en zijn kunstenaars een stuk terughoudender geworden in het openbaren van hun informatie.

Aangezien ik artistiek leider was van het kleine bedrijf dat mijn vrouw en ik begonnen waren ontwikkelden zich bij mij in die lijsten van contactmogelijkheden diverse verlangens. Zoals het er naar uit zag kon ik iedereen wiens of wier werk ik bewonderde bereiken door middel van dit boekje. Bijvoorbeeld Robert Ryman (die even geen zin had in een werk in oplage), Jeff Koons (die ik al had leren kennen, maar geen heil zag in een samenwerking), Robert Gober, Robert Barry (met wie meerdere projecten tot stand kwamen), Elsworth Kelly (met wie enkele memorabele telefoongesprekken volgden, maar geen editie) en met Bridget Riley bij wie ik nog steeds op de thee mag komen, maar die me toevertrouwde dat ze onze zeefdrukker niet precies genoeg achtte om iets met ons samen uit te geven; ten onrechte, maar de kunstenaar was altijd de baas of bazin, zo meende ik …

Naar aanleiding van een vakantievoorval had het bedrijfje van mijn ex-vrouw en mij een Franse naam. Om begrijpelijke redenen was dat voor Louise Bourgeois meteen een reden om in mij een aanvaardbare Franse gesprekspartner te vinden. Vanaf het eerste moment dat ik contact met haar kreeg, zij in New York, ik in Amsterdam, vonden de eerste twee minuten van ons gesprek in haar moerstaal plaats. Met plezier wrong ik me altijd even in de bochten die mijn minimale kennis van het spreken in het Frans me boden. Spoedig echter moest ik Louise manen tot een “lentement” om kort daarop over te mogen gaan op een Engels dat zij natuurlijk zeer goed beheerste al was ze een Frans accent nooit kwijtgeraakt.

“Yes, tell me!”, was haar eerste nieuwsgierige vraag naar wat ik eigenlijk uitspookte en wat de reden was voor mijn telefoontje, gevolgd door de vraag: “Are you in New York?”.

In die tijd was Louise natuurlijk nog niet de wereldheldin die ze nu is. Dat wist ze natuurlijk zelf ook, al was haar zelfrespect terecht gestegen met alle aandacht die er gelukkig sinds eind jaren ’80 voor haar werk was ontstaan. Er bestonden al enkele cult-documentaires over haar waarin ze een soort half-waanzinnige kunstenaarspersoonlijkheid speelt, des ochtends haar kranten strijkend, en waarin ze af en toe haar eigen sculpturen voor de camera stukgooit omdat ze, zo meldt ze, daar gewoon zin in heeft.
Maar het werkelijk internationale respect voor Louise Bourgeois was nog aan het groeien. Tegelijkertijd maakte Louise al bronzen gietsels van haar houten sculpturen uit de jaren veertig, dus ze wist wel degelijk precies wat ze waard was. Beelden die vaak als masculien worden gezien, maar die, vooral gegroepeerd, een enorme kwetsbaarheid, teerheid en onzekerheid weerspiegelen, maar alles nadrukkelijk uitgesproken.
Net als bij Andy Warhol zijn die drie eigenschappen ook specifiek voor het hele oeuvre van Louise: bijvoorbeeld in tekeningen, zakdoeken, stofpoppen, cell-werken, voeten, handen, teksten.

Af Fijn, Louise en ik belden dus met enige regelmaat, oui, bien sûre.
En ik had haar gevraagd of ze voor ons een werk in oplage zou kunnen concipiëren. Nou, dat was niet zo gemakkelijk, want ze was enorm aan het etsen. Dat deed Louise namelijk graag, etsen, en een enorme concurrent van ons in New York had net, recentelijk, zojuist, vorige week, een hele etsinstallatie bij Louise in de kelder, down town, geïnstalleerd. Daar moest ze dus wel mee aan de slag. Toch zou ze wel degelijk over onze uitnodiging nadenken. Maar wanneer was ik nou eigenlijk precies van plan om haar in New York te bezoeken??

De aan haar gerichte uitnodiging was er niet een van de reguliere orde, of eigenlijk wel, voor ons. We hadden in Amsterdam verzonnen, ik eigenlijk, dat het wel wat had als een kunstenaar een voorstelling bedacht die we dan in “onzichtbare inkt” lieten drukken. Je kon dat “lege” beeld dan als kunstenaar, wat velen ook gedaan hebben, weer handmatig zichtbaar maken met (kleur)potlood, grafiet, pigmenten of pastelkrijt.
“Ja, graag, Louise, ook jij!”
“Are you in New York?”

Het leek wel een halve relatie, dus ik moest naar New York. Dat moest ik sowieso al, voor een bezoek aan een paar kunstbeurzen, aan de New York Public Library en aan het MOMA, want tijdens de verkoop ging mijn werk gewoon door.
Naast haar werk is Louise Bourgeois ook bekend vanwege het feit dat ze op zondagmiddagen, jaren lang, vooral vrouwelijke kunstenaars, curatoren en critici ontving in haar huis, meestal vanaf een uur of drie; haar zogenaamde Salons, die langzamerhand een cultstatus kregen. Het zal niemand verbazen dat ik daarvoor werd uitgenodigd en wel op het vroegchristelijke tijdstip van twee uur des middags.
Nou wil ik niet zeggen dat ik me een ongeluk heb lopen zoeken, maar wel, en dat is echt waar, dat op weg naar haar townhouse, vanaf een nauwelijks volgroeide boom me, zonder dat het opmerkelijk hard waaide, een behoorlijk zware tak op m’n schouder viel. Ik weet wel dat je in Amerika mensen, gemeentes en staten overal voor kunt vervolgen, maar dat leek me niet de beste binnenkomer bij Louise. En verder werd ik door pijn noch door angsten achterna gezeten.
Trapje op, aanbellen. Wat moet je anders. Uit het voorraam komt het rozijnige hoofd van Louise Bourgeois gestoken. Louise was toen reeds ruim in de tachtig.

“Yes”?
“Hello, I am Hans”.
“Yes, I’ll open the door”.
Ik ben altijd van het tutoyeren geweest, althans, vanaf het moment dat ik je en jij tegen mijn ouders durfde te zeggen. En dat laatste heeft jaren in beslag genomen omdat suggesties in die richting niet van hen uit kwamen. Het beslag laten leggen op “Het Uwen” heeft lang geduurd. Bij hun voornamen, Ben en Lenie, heb ik mijn ouders nooit genoemd en in zekere zin doet dat me nog steeds verdriet. In het Duits is het niet vanzelfsprekend dat je iemand met “je, jou en jij” aanspreekt (behalve God en je (groot)ouders), maar omdat ik toch een buitenlander was (en ben) deed en doe ik dat daar steeds en dat valt meestal goed.

Ik kan me niet herinneren dat ik Louise begon aan te spreken bij haar voornaam, maar dat moet reeds snel hebben plaatsgevonden: “Yes, but Louise, …”, want we waren het telefonisch niet altijd met elkaar eens.
De vraag of ik op deze New Yorkse zomerdag zenuwachtig ben is eigenlijk van geen belang; we hebben elkaar al vaak aan de telefoon gehad, wat hebben we van elkaar te vrezen? Nou ja, ik sta op het punt om een van de belangrijkste beeldhouwsters van de 20-ste eeuw thuis te bezoeken en zij krijgt een ventje van veertig op bezoek.
Kort na mijn binnenkomen overhandig ik haar een fles zeer fraaie Bourgogne, gekocht op advies van een gemeenschappelijke kennis, die ze dankbaar in ontvangst neemt, die ik open maak, en die ze in de loop van de middag, in een rustig tempo, na een kopje koffie en naast een glas voor zichzelf, aan mij zal proberen op te schenken. Tevens overhandig ik haar een exemplaar van een T-shirt met daarop ons logo, vergezeld van de vraag of zij zich daarin op een door haar gekozen moment en wijze wil laten fotograferen.
“I will do so”, zegt Louise, “I will wear it. And Nothing Else!!” Helaas heeft ze zich nooit aan die toezegging gehouden, voor zover ik weet.

Ze vraagt mij om de luiken en ramen naar haar tuin te openen (het is augustus, warm en enorm benauwd), ze krijgt het zelf niet meer voor elkaar. Daarna stelt Louise mij aan als portier voor de komende middag en geeft me de daartoe noodzakelijke instructies: “You open the glass window in the door, ask who is there, you close the glass, you will come to me, tell me who it concerns, and I will tell you if you can let them in, or not”.
“Okay, Louise”, en dat doe ik dus ook in de loop van de middag, alsmaar goeie vriendinnen van haar binnen latend, want voor niemand anders (“or not”) is er een reden bij haar langs te wippen of aan te bellen. Ik ben verdomme begin veertig, maar ik laat me dit recente aspect van onderdanigheid in onze nog frisse verhouding met een licht gevoel van ongemak aanleunen.
De rest van dat eerste uur zitten Louise en ik samen in de piepkleine keuken die zich in het midden van de bel-etage bevindt. Het keukentje grenst in open setting aan de zeer ruime achterkamer waar twee wanden door boekenkasten worden afgedekt. Een veelheid aan dingetjes, memorabilia en recente kleinere stoffen voorbeelden van eigen werk vult alles wat horizontaal is. Waarschijnlijk werkt ze aan die laatste nog, want verder is er geen Bourgeois-tekening of -sculptuur te bespeuren, zoals dat hoort bij goede kunstenaars thuis.

Aan die binnendruppelende en door mij welkom geheten vriendinnen mag ik daarna, op Louise’s bevel, steeds opnieuw mijn voorstel voor die onzichtbare inkt uitleggen, precies als eerder aan Louise zelf. De Meesteres doet of zegt zelf weinig, maar blijft zeer alert en geniet duidelijk van de samenkomst. Ze maakt vooral notities met potlood in een petit aantekeningenboekje. De gespreksonderwerpen beperken zich niet tot beeldende kunst en regelmatig wordt er gelachen. Ik voel me licht geïntimideerd door de entourage, maar tegelijkertijd op mijn gemak. Ik realiseer me steeds dat ik “een man met een missie” ben: Louise overhalen om met ons samen te werken, natuurlijk, maar ik kan niet anders dan “go with the flow”.
Wanneer haar zoon Jean-Louis onverwacht opbelt, vanuit Mexico (waarom niet?), en Louise zelf de telefoonhoorn van het vrijwel antieke toestel opneemt, geeft ze die na enkele woorden, met een uitgestrekte magere arm, door aan éen van haar gasten (gelukkig niet aan mij) die de goeie man nooit gesproken of ontmoet heeft met de woorden: “Jean-Louis wants to talk to you!”, wat tot een kort en vanzelfsprekend weinig samenhangend gesprek leidt met een verbijsterde jonge kunstcritica terwijl de rest van het kleine gezelschap getemperd door keuvelt.

Na een afrondend Good-bye, nice to meet you en een kusuitwisseling tussen Louise en mij verlaat ik om een uur of vijf de eigentijdse, maar ook anachronistische fata morgana aan de twintigste straat. Was het vanmiddag nou 1958 of 1998?, vraag ik me af.
Daarnaast blijft het ook nog eens ongewis of Louise bereid is om mijn uitnodiging serieus te overwegen. Wat me in ieder geval rest is een vorm van trots en plezier dat ik zojuist éen en ander aan Louise heb mogen voorleggen en dat ik deelgenoot ben geweest van een legendarische babbelclub van niveau en genoegen.
Een maand of drie later komt er in Amsterdam via de fax een voorstel van Louise voor een kunstwerk in zeer kleine oplage hetgeen ik afwijs omdat het niet voldoet aan het door mij voorgestelde concept.
Had ik mijn verstand maar gebruikt. Alles was zo eenvoudig geweest! Oh, waar was mijn respect voor Louise? Hoe kon ik zo brutaal zijn? Was ik maar nooit geboren!

Een paar maanden voor haar dood in 2010, Louise is dan 98 jaar oud, staat haar zaakwaarnemer, tevens muze, Jerry Gorovoy me nog een kort telefoongesprek met haar toe. Ja, alles is goed, zegt ze, en ze informeert of alles goed met mij is.
Of we Frans of Engels spreken kan ik me niet meer herinneren, maar Louise vraagt me wel of ik toevallig in New York ben.

ANDERS DAN IN KEULEN …

Deze tekst schreef ik enige tijd geleden, maar ik ben er nog steeds niet helemaal zeker van. Toch lijkt het me een goed moment om hem “voor de leeuwen” te gooien. Maar dat is meer een kwestie van intuïtie dan van overtuiging:

ANDERS DAN IN KEULEN …

Hoe kan het in godsnaam zijn dat ik soms denk dat ik anders ben dan andere mensen, bijvoorbeeld anders dan mensen in Keulen. Wat ben ik toch een domoor. Ik ken alles in de wijde omgeving van de Dom daar, en als REM daar optreedt dan kan ik me daar alles bij voorstellen. Maar hunnie in het publiek zijn andere mensen, denk ik dan, in mijn oneindige bekrompenheid. Anders in hun humor, en in hun gebrek daaraan, en in hoe ze hun neus snuiten, hoe ze naar REM luisteren …, denk ik dan. Oh mijn God, was ik maar dood. En ik schaam me zo. The Kinks zingen: I’m not like everybody else, maar ze hebben ongelijk.

Anthony Bourdain, die helaas echt dood is, was elke keer weer blij als hij terug was in Vietnam: vanwege zijn vrienden daar, vanwege het land, vanwege het eten en vanwege het bier in Hanoi, omdat daar voor hem weinig boven ging. Nou heeft Tony gelukkig ook wel eens Eisbein geproefd in Keulen, en het lekker gevonden, een varkenspootje, met geleiachtige tussenbeetjes; hij stak, naar mijn mening, iets te weinig de loftrompet van Kölsch, maar daar zat voor hem vermoedelijk niet genoeg alcohol in.

Over het Duits-Nederlandse probleem, voor zover dat al bestaat, zijn veel dingen te zeggen. Een van mijn beste vrienden is dicht bij de grens opgegroeid en die kent het verschil nauwelijks; voordat ik het weet hebben we onze conversatie naar de Duitse taal verlegd, want ik ben in het Oosterbuurs niet per sé, éen, twee, drie een sukkel.

Tja, ik heb hem natuurlijk nooit gekend, maar ik had een oom gehad kunnen hebben (Give him a name!: Toine) die in Neuengamme, een concentratiekamp in Noord-Duitsland, na een reis langs andere kampen, doodgehongerd is. Hij was de oudste broer van mijn moeder. Blijkbaar deed hij, reeds op jonge leeftijd, allerlei dingen voor het verzet in Noord-Brabant (of in de wereld). Niemand heeft ooit kunnen achterhalen wat die dingen geweest zijn. Dat verlies (hij kon goed tekenen, ook nog) is natuurlijk het gezin van mijn moeder en de rest van de familie gaan kenmerken (kind, neef, broer verliezen, en zo), en dan alles ook nog door die kutmoffen …

Dat mijn vader, reeds jong EHBO-er en, daaraan tot op latere leeftijd met maandelijkse regelmaat bloed gevend, ook betrokken was bij de opvang van slachtoffers uit de oorlogskampen, maakte hem, binnen ons gezin, tot een in zich zelf gekeerd mens. En tot iemand die het goede in zijn kinderen tevoorschijn wilde toveren, vaak met klappen gepaard. Een soort Hans Klok, maar dan, om voor ons onnavolgbare redenen, vaak boos  en agressief.

Dat ik dit weinige van zijn geschiedenis ken betekent dat er mij iets over is verteld, maar verder kan ik er niet over uitwijden, want dit was alles wat ons kinderen werd toegemeten. Dat het zwaar en droevig moet zijn geweest liet zich eenvoudig  tussen de regels doorlezen.

Mijn moeder had wel enkele vrolijke verhalen te vertellen over die tijd. Hoe ze op het arbeidsbureau werkte en zaken verdonkeremaande om daarmee de bezetter dwars te zitten waar het ging om mogelijke Arbeitseinsatz, voedselbonnen, en dergelijke. Querulante streken, die vaak aspecten van dapperheid en slimheid in zich hadden. Tegelijkertijd kon ze het hebben over het rijkste Joodje van Bergen op Zoom, dat in de jaren dertig, in zijn Rolls Royce, een blijkbaar minder geliefde, maar bekende persoonlijkheid in dat stadje was.

Niet dat mijn vader het tegensprak, in tegendeel, maar dit was een voorbode van latere vormen van vooroordelen, waarin omgang met de gekleurde medemens, laat staan een huwelijksrelatie met een Surinamoïde, slechts tot ellende kon voeren. Zo ook was omgang met homoseksuelen sterk af te raden vanwege het besmettelijke aspect van de afwijking. Nou werden er aan de deur geen homo’s verkocht en moesten Jehova’s-Getuigen meteen opdonderen als ze op zondagochtend aanbelden, maar ik moet eerlijk toegeven dat er zaadjes werden gezaaid. Andere mensen waren Anders, ook omdat we niet met protestantse kinderen mochten buitenspelen

Wel schiet me ineens Imbras te binnen, een toen vier- of vijfjarig meisje dat het enige kind was in een Turks gezin dat direct achter ons woonde in een door tijd en weer vrijwel gesloopt behuizinkje, en over een gammel, net niet instortend, scheidingsmuurtje werd getild om met ons te spelen (en aan het eind van de dag weer terug gegooid, natuurlijk). De kleuter stonk een uur in de wind, maar ze was welkom en vrolijk.

Wat later werden mijn schoolvriendjes (vriendinnetjes, alsmaar langskomend,  waren dan altijd al stapelverliefd op mij, zonder dat ik ook maar iets in de gaten had) door mijn ouders, onderverdeeld in twee categorieën: A: “Je steekt er weinig van op” of B: “Wel een aardige jongen”. Uit categorie B ontving ik, zeker wat later, weinig schoolgenoten thuis want die waren, eigenlijk zonder uitzondering, “nogal eigenwijs”, wat alleen maar heibel gaf, letterlijk: men werd nog wel eens het huis uitgegooid, als vriendje van mij en zo is mij nog een halve carrière in de Nederlandse popmuziek ontgaan. In contact met de B-groep vond natuurlijk ook informatie-uitwisseling plaats over kunst, muziek en poëzie, soms politiek, hetgeen door paps en mams nou ook weer niet heel erg werd aangemoedigd. Want een kind, of een jong mens, met een mening kon beter zijn of haar bek houden, en kranten lezen was eerder iets voor volwassenen. Verliefdheden mijnerzijds, op geheel andere meisjes dan die hun ogen op mij gericht hadden, waarover ik mijn moeder wel eens in vertrouwen nam, moesten na een paar dagen “maar eens afgelopen zijn”. Mijn hemel, wat een hel, als ik er op terugkijk.

Nou, en dan zit je dus te kijken op een filmpjeswebsite naar een van je vele favoriete bands en dan denk je: “Toch kunnen ze de crux niet helemaal te pakken krijgen, daar in Keulen!”.

Laatst zat ik met een, nota bene Duitse, vriend te kijken naar een voetbalwedstrijd met als een partij het team waar hij een idolaat fan van is: Eintracht Frankfurt. Op een gegeven moment neemt de scheidsrechter een beslissing waar wij het geen van beiden mee eens konden zijn, maar, terwijl ik gelaten het vervolg af wachtte, raakte mijn vriend geheel door het dolle. Toen suggereerde ik hem om de arbiter een brief te schrijven waarin de vraag opgenomen zou kunnen zijn: “Wie denk je wel dat je bent?”, maar daarmee slaagde ik er niet in om de kwaliteit van zijn humeur te verbeteren. Gelukkig won Eintracht uiteindelijk, maar de vraag bleef me bij. En die ben ik mezelf gaan stellen, ook al hoef ik niet, tussen tweeëntwintig man, twee keer drie kwartier op een grasveld rond te hollen en éen keer per jaar éen Coopertest te doen.

Wie ben ik wel dat ik denk dat ik ben?

Men kan zich afscheiden van een, opgewekt of neerslachtig, geventileerde nevenmening door, weloverwogen, over bepaalde zaken na te denken en daardoor op “iets eigens” te komen. Dat daar vaak weinig origineels in schuilt is op dit moment even van minder belang.

Nadat we het begin van mijn laatste relatie achter de rug te hadden, deelde ik mijn vriendin (ook Duits, trouwens) mee dat ik, vanaf dat moment, pogingen wilde gaan ondernemen om eerlijk te zijn. Naast andere zaken, die een niet onbelangrijke rol speelden, was dat het begin van de ondergang van de verhouding. Zij interpreteerde mijn, uit echte wanhoop voortkomende, voornemen als een permanente leugenachtigheid mijnerzijds, met betrekking tot alles, terwijl ik niet het liegende type ben. Was ik dat maar geweest, dan had ik, in veel gevallen, dapper in mijn liegen, eerlijk kunnen zijn over waar het er echt toe deed. Over een politicus, over een museumdirecteur, over een collega die het allang verdiende om dood te zijn.

Maar nee: lafheid, eigenwijsheid en afgunst op een recht vooruit gesproken mening, belemmerde me, evenals het idee dat het onderdeuraspect van mijn persoonlijkheid er weinig tot niets toe deed.

En angst. Angst, zonder moed, dus. Angst kun je zeker een drijfveer (of zeg gerust, in mijn geval: “zinkveer”) in mijn leven noemen. En het bestempelen van de ander als “anders” hoort in dat pakket helemaal thuis. Angst als een signaal dat ik niet ben die ik wezen moet; dat ik me maar beter kan wegpraten, schamen en lullen in de richting van dit zowel als dat.

Weliswaar kan (of kon) ik het talent van een jonge kunstenaar spoedig herkennen (en daarmee niet bedoelend haar of zijn potentiële marktwaarde), en dat is zeker een talent van mij. En ik kon erover spreken, als ging het om mijn eigen marktwaarde. Maar ik was een kluns in het erkennen, ondergaan van mezelf.

Rivieren stromen altijd naar het eb en de vloed van de zee, zoals REM zingt in Find the River. Ik ben, op z’n hoogst, een zijriviertje; geen bron, geen waterval, geen Maas of Mississippi, geen delta.

Je kunt vrienden tegen komen om de hoek, maar ook ver weg. En ver weg stap ik misschien wel een keer een museum of een café binnen. Ik zal mijn vrienden niet meteen herkennen omdat ik ze nooit eerder ontmoette.

Ik ben geloof ik steeds meer aan het leren om geen schepen voor me uit te verbranden. Ik vind “de ander” een groot begrip, en tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, maar voor wie ik liefheb wil ik heten, en voor wie mij wil liefhebben wil ik proberen eerlijk te zijn. En voor een ander misschien wel in een toekomst, met het risico dat ik soms zelf die ander zal zijn.

Amsterdam, 1 April 2019

Find the River (R.E.M.)

Hey now, little speedy head
The read on the speed meter says
You have to go to task in the city
Where people drown and people serve
Don’t be shy
Your just deserve
Is only just light years to go

Me, my thoughts are flower strewn
Ocean storm, bayberry moon
I have got to leave to find my way
Watch the road and memorize
This life that pass before my eyes
Nothing is going my way

The ocean is the river’s goal
A need to leave the water knows
We’re closer now than light years to go

I have got to find the river
Bergamot and Vetiver
Run through my head and fall away
Leave the road and memorize
This life that pass before my eyes
Nothing is going my way

There’s no one left to take the lead
But I tell you and you can see
We’re closer now than light years to go
Pick up…

Neeltje Maria Min

Mijn moeder is mijn naam vergeten.
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Een “must” voor hen die soms niet in optimisme geloven … (20): “Scarlatti door Ivo Pogorelich”

Mijn hele leven ben ik al een knalharde fan van Ivo Pogorelich. Of het nou om Bach, Scarlatti (zoals hier), Chopin of Tchaikovsky gaat.
Eén van de mooiste stukken door twee briljante musici is wel Opus 111, de 32-ste pianosonate van Van Beethoven, maar die hoort hier helemaal niet thuis.
Dus daarom (en zonder bewegende beelden van ooit wonderschone Ivo*), maar wel met de muziek erbij en voor de swing en de verfijning:

*Om te bewijzen wat ik zojuist zei …

Voor hen die niet van … (vliegjes) houden (4): “Drosophila”

Awel zunne, dierbare volger in België, en welkom, elke ander volger van deze zich steeds bijzarder (althans in mijn eigen beperkte perspectiefje) ontwikkelende web-site.
Op dit moment lees ik The Portable Atheist, een bundeling van teksten die is samengesteld door Christopher Hitchens (1949-2011, atheïst par excellence, net als Richard Dawkins, Stephen Fry en Ricky Gervais. Bekijk hen alsjeblieft op Joetjoeb). Elk essay, van 2.000 jaar geleden tot relatief recent, heeft tot onderwerp de verwondering van elke schrijver over het bestaan van allerlei vormen van religie, het geloof in een designer, in geesten, in leven na de dood, het veelzijdig ontstaan van soorten, enzovoorts. Vorige week las ik Descartes, Spinoza en Darwin, eergisteren en gisteren Bertrand Russell en vandaag onder andere Carl Sagan. Terecht zal een enkeling opmerken: “Stel je niet zo aan, mislukte VWO-er!” en daar valt wat voor te zeggen. Toch ben ik een een leerling van Verwondering, Waarneming en Onderzoek, wat ook een soort VWO is, maar dan als Formule1-didact. En natuurlijk een leerling van de kunst; wie of wat was ik geweest zonder de kunst?

Maar nu alle gekheid op een stokje: vorige week had ik een schilletje van een mango blijkbaar precies naast de prullenmand geworpen en voordat je daarachter komt en voordat je ook nog dat bodempje wijn hebt uitgewassen, kan er enige tijd overheen gaan.
Nou ben ik heel goed met dieren en dat is veelal wederzijds en ook met kinderen. Die laatste groep heeft zelfs de neiging om, en daar zijn vele getuigen(issen) van, geheel door mijn verschijning gefascineerd te raken: waarnemingen van dit merkwaardige fenomeen hebben zich voorgedaan op de snelweg (ze draaiden bekant (dat is Zaans voor: bijna), als zonnebloemen, hun hoofdjes van hun nog zo jonge nekjes om me door de achterruit te blijven bekijken), tijdens wandelingen in de openbare natuur, bezoeken aan steden. En een meisje van een jaar of vier is ooit, in een rustig hotelzwembad in het Zuiden van Midden-Frankrijk, ternauwernood aan de verdrinkingsdood ontsnapt omdat haar oudere zus zeer alert reageerde toen ze, alleen maar op mij gefocust, van de rand van het bad het water in lazerde: een soort geriafilie, dus. Je zal het maar hebben. Op dieren heb ik dus een vergelijkbaar effect, maar in veel mildere mate, want die blijven op zichzelf letten.
Ik wijd geloof ik een beetje uit, maar die mangoschil en dat bodempje wijn, bracht nogal wat drosophila’s in mijn directe omgeving op de been. Daar heb ik geen enkel probleem mee, want ze doen immers geen vlieg kwaad.

Toen het genetisch onderzoek nog in de kinderschoenen (o, daar heb je ze weer) stond, is er heel veel met fruitvliegjes gedaan, want die waren makkelijk in de omgang, reproduceerden zich aangenaam snel en hadden een kort genenpatroon. En daarom kon je er, door manipulatie, makkelijk een oogje, een vleugeltje, bij- of een pootje minder aan ontwerpen. Een bruikbaar, kortom, en volgzaam vliegje. Sindsdien kunnen ze van bijna niks iets in een petrischaal tot een lever of een nier opkrikken. En als het nu niet is dan komt het morgen wel.
Ik heb dus die tien, of twaalf, of twintig fruitvliegjes om me heen. Er bestaan trouwens zo’n 1.500 soorten en mijn determinatie-set bevindt zich in de opslag, dus de ondersoort is me even onduidelijk en hun voorliefde voor rode wijn (een Vacqueyras) en mango geeft geen uitsluitsel op het net.


Maar wat een wonderbaarlijke diertjes, nauwelijks groter dan twee speldenknoppen, zijn het toch. Ze bestaan, ze zien jou met ogen kleiner dan een naaldpunt waarop wie weet hoeveel engelen dansen. Ze komen, heel bewust, op je pols, je bril of op het snoer van je telefoonoplader zitten, of, en dat is helemaal een feest, op je beeldscherm. Het mag natuurlijk een uitdrukking zijn, maar je weet niet wat je ziet!
Ik wil niet zeggen dat koolwitjes permanent bezopen zijn, maar die lijken het vaak wel: ze fladderen alsof ze uit een café komen en niet meer weten waar ze wonen. Nee, dan onze Drosophila: ze zijn recht-door-zee en dat uiten ze in hun vliegbeeld, zoals dat bij vogels heet. Ze hebben trek in iets, ze weten de weg te vinden, doen zich eraan tegoed en komen je dan gezelschap houden.
In voornoemd Zuiden van Midden-Frankrijk kwam er ook altijd een hoornaar slokjes wijn uit mijn glas nemen, meerdere malen achter elkaar in de loop van anderhalf uur. Voor hem of haar was het natuurlijk ook lunch en klaarblijkelijk de periode om het kroost aan een ietsiepietsie alcohol te laten wennen. Dat gezellige, sociale, bijna gedomesticeerde gedrag is toch opvallend? Aaien is bij hoornaars af te raden, want er kunnen weleens misverstanden ontstaan en hoewel hun stembanden niet zijn ontwikkeld moet je toch oppassen, heb ik weleens gehoord, dat je niet het hele volk op je af krijgt.

De Europese Hoornaar,… maar dus drie keer zo groot als een reguliere wesp

Bij de Drosophila’s zijn de risico’s anders verdeeld. Die zijn voor hun groter dan voor mij en hun stembandjes zijn nog kleiner, al weten we natuurlijk niets over de frequenties waarop ze mogelijk alarm slaan. Ze stijgen sneller op dan de hoornaar, maar wanneer je ze aanwijst zijn ze eigenlijk al zo goed als dood, in tegenstelling tot hun gigantische wespenneven of -nichtjes (als er al sprake is van verwantschap, want zo schijnt het nijlpaard dichter bij de walvis dan bij een koe of een leeuw te staan, genetisch-technisch gesproken).

Moeten we nu per heden in god geloven omdat de fruitvlieg bestaat?
Ik denk het wel, maar dan alleen maar in goden die bestaan voor fruitvliegjes.
Ik zal er éen zijn (dan heb ik ook eens wat), want, met een beetje accuratesse, vitesse en mazzel, kan ik beslissen over hun leven en dood.
Daarnaast bestaat er voor hun de mango-god: is er mango dan is het goed, is er geen mango dan moeten er kinderoffers worden gebracht En dan moet je je voorstellen dat die peuterfruitvliegjes voor het menselijk oog niet eens waarneembaar zijn, dus wat heeft die mango-god daaraan?
En natuurlijk geloven ze in de god van de wijn, Bacchus, die voor de hoornaar zowel als voor mij ook bestaat.
En in de God van het Kurken Trekken, want die helpt ons alle drie door het leven. Het moge duidelijk zijn dat onderstaande “modellen” niet de enige zijn in onze gespleten wereld, dus een religieuze strijd zal ongetwijfeld volgen, al blijf ik de fruitvlieg het laatste slokje gunnen.

Aanvulling per 22 september 2020: Ik lees net in het weetjesboek van de Britse tv-serie IQ dat mannelijke fruitvliegjes, al zijn het allemaal slobbers, significanter aan de alcohol raken als ze door een vrouwtje worden afgewezen. Ik zou zeggen: Dames, doe er uw voordeel mee, al weet ik niet precies welke kant op ik dat bedoel…