Het Verleden is Het Heden

Beste jongens en meisjes,
Eigenlijk, om maar met de deur in huis te vallen, is het verleden gewoon een heden waar je op terug kunt kijken. Voor mij tenminste wel, want ik heb mijn verleden vandaag in mijn broekzak en zonder twijfel morgen ook, terwijl ik door mijn heden wandel.

Analoog aan een anekdote over Willem Sandberg, ooit directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, die tijdens een gesprek met een ambitieuze kandidaat-conservator met trots te horen kreeg dat deze Kunstgeschiedenis had gestudeerd, antwoordde: “Dat hoeft geen bezwaar te zijn.”, is het ook niet per definitie problematisch dat het verleden samenvalt met het heden. Ik vergeet natuurlijk wel eens wat, en ik heb zeker niet zo’n spijkerhard geheugen als mijn vriend P., maar steeds overlapt de consequentie van het ene tijdsbewustzijn die van het andere; het eerdere het latere en omgekeerd. Eén en ander wordt bevestigd door de geweldige tekening van Hein de Kort, waarin een psychiater, op de melding van zijn patiënt, dat deze een verschrikkelijke jeugd heeft gehad, repliceert: “Ja, dáar kan ik natuurlijk niks aan doen!”.

Dit is een tekening van Hein de Kort, natuurlijk!

Ik voelde me meestal nogal ongewis, op weg naar mijn psychiater. Meestal was ik té op tijd, zodat ik een boekwinkel met fijne aanbiedingen aan de kopse overkant van de straat kon bezoeken. Af en toe kocht ik een boek dubbel, ook een exemplaar voor de behandelaar, al wist ik niet of hij kookte of literatuur las. Doe dat beter niet, kan ik jullie aanraden; daar komen alleen maar vragen over, want met een geschenk aan je shrink kom je niet zo maar weg. Ze denken dan, geloof ik, dat je je wil inkopen in hun manier van behandelen, maar zo bedoelde ik het niet. Op de terugweg kocht ik nog wel eens een boek voor mijn vriendin, maar die las niet, legde het geschenk snel terzijde, ook al ging het over Marcel Duchamp, Francis Bacon, of over Eva Hesse; kunstenaars waar ze, zogenaamd, een hartsvriendin van was.

Al mijn relaties waren neerslachtig en opwindend, zeker wanneer ik er op terugkijk. Wie vraagt zich nog af wie met wie was, zeker als alles achter de rug is?
Jullie moeten natuurlijk steeds maar geloven wat je voorgeschoteld krijgt, maar gisteren (in ieder geval ten opzichte van de dag dat ik deze zin schrijf) kwam ik een reactie tegen op een digitaal podium wegens iets dat iemand van z’n eigen verleden herkende, en dat luidde als volgt: “Niets is voorbij als je het koestert”. Het is vrij eenvoudig om hierop te reageren met de opmerking: “Ja, zo lust ik er nog wel éen!”, maar er schuilt een grote waarheid in. Behalve dan dat lieve woord “koestert”. Want ik koester niet wat me overkomen is, maar ik kijk erop terug met verdriet en pijn, om het maar zachtjes uit te drukken. En voor mij, en enkele anderen met mij, zitten die gevoelens dus nog dagelijks in die broekzak.

Mijn toekomstige verleden zou kunnen uitdraaien op een vrouw die me onlangs niet meer herkende terwijl ik haar naam nog wist. En mijn kennis kwam niet voort uit een verwarde caféontmoeting, maar uit een eerste kennismaking zonder strikte, maar vrolijke, vorm. Ik durfde haar nu echter op de markt niet bij haar voornaam (Francine) te noemen toen ik haar groette, typisch iets voor mij. Ze herkende me wel, maar wist duidelijk niet meer waarvan. Ook goed, alles goed, haar verleden is haar heden en haar verleden zal nooit het mijne worden, daar wil ik wel een hedendaags dubbeltje op inzetten.
Ik realiseer me dat ik, met een paar mensen, iets deel dat ik mijn verleden kan noemen en dat regelmatig onderdeel van mijn heden uitmaakt, of eigenlijk: steeds en onafwendbaar deel van mijn heden uitmaakt en in een enkel geval van het hunne, waarschijnlijk. Mijn boekenkast is nooit klaar als ik denk dat ik aan de laatste pagina van de knutselinstructie heb voldaan; steeds worden planken, pagina’s, bibliotheken, toegevoegd uit de doe-het-zelfwinkel die ervaring heet.

Ik heb sterk de indruk dat ik er een beetje omheen leuter … Zo sprak ik vanavond weer eens uitgebreid met mijn lieve zus en ik kukelde bijna voorover van het leuke, maar ook topzware, gewicht van onze conversatie. Niets in ons gesprek is gekunsteld, al worstelen we beiden met niveaus van onze opgewonden eerlijkheid over recente ervaringen. En over ervaringen van toen, eerder, vroeger.
Nu heb ik, al schrijvend, mijn arsenaal waarover ik het hier wil hebben uitgebreid genoemd en ik kan alleen nog maar in herhalingen vallen. Ik neem me nu voor om dat ook te doen, in taal en betekenis. En een woord als schade heb ik vermeden.

o-o-o-o-o-o-o

Intermezzo door Piet Paaltjens (François Haverschmidt):

Aan Rika

Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die den trein
Waar ik mee reed passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg om mij
Het eindloos levenspad met fletsen lach
Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom ook hebt gij van dat blonde haar,
Daar de engelen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe oogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zoo voorbijgesneld,
En niet, als ’t weerlicht, ’t rijtuig opgerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,
En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder helsch geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?

o-o-o-o-o-o-o

Tja, zo heb ik ook mijn herinneringen: ik ben wel eens in mijn “mannenpoessie” gepakt als introductie tot een eerste vrouwenkus en ik moet met terugwerkende kracht zeggen: beslist verrassend! Maar ik wil het gedrag van mannen niet vergoelijken die op vergelijkbare wijze het voortouw nemen. Dat lijdt alleen maar tot een pijnlijk verleden dat voor altijd heden zal blijven. Liefde is als een staand buffet, maar wie schept als eerste een bordje op (vrij naar Because the Night van Bruce Springsteen), je weet het niet, vaak. Of zoals, dacht ik, R.E.M. het verder brengt: Is this a moment in time that you have chosen to be alive? Maar die herinnering aan die popgroep blijkt vals en ik kan de oorsprong van die vraag dus even niet terugvinden. Toch zit er iets in.

En wat waren mijn valuta in het verleden en wat is mijn vermogen nu? Ik heb vaak het gevoel dat de Lires en Peseta’s nog steeds mijn muntjes zijn, dat ik monopoly-geld, bij welke grens dan ook, moet inwisselen voor iets dat nú een zekere mate van geldigheid heeft. Dus wat moet je vergeten en wat kan je schadevrij onthouden, ook als een scheve schaats je nog dagelijks naar een wak stuurt. Waar kan je mee doorleven? En wie stopt je het juiste geld in je zak, of hoe kom je te weten dat je moet wisselen van buiten- naar binnenbaan?
Vanuit het caféraam, waaraan ik nu toevallig even zit, kijk ik uit op een stoplicht en denk: “Het is rood en mijn verleden staat er voor te wachten, maar het licht kan zo weer op groen springen en dan is Toen weer Nu”. Het regent intussen ook nog, dus buiten vallen Toen-druppels. Ik kan mijn Nu-jas wel van de kapstok pakken en aantrekken omdat ik in een ledig glas staar, maar ik zal moeten schuilen onder een huidige paraplu. En de eerstvolgende scheefliggende tegel in het hedendaags trottoir zal me eventueel doen struikelen. Mocht ik er iets aan overhouden, een verstuikinkje, of iets verrekken, of zelfs helemaal niets; je moet altijd blijven oppassen.

Alle voornoemde metaforen storen me, dus ik moet iets bedenken. Nu, hier in de uitspanning, of op weg naar huis, of thuis …
Ik probeer mezelf te vertellen dat ik een overgang ga verzinnen naar iets moois dat ongebonden, los van toen en los van nu, in mijn of jullie toekomst zweeft. Een ding, een gebeurtenis, een ontmoeting waar we nog geen weet van hebben.
Ik zou willen dat jullie iets tegenkomen dat, onafhankelijk van het geklaag of gemijmer van mij hiervoor, vol van schoonheid, genade en hoop is. En dan denk ik niet, hoewel onvermijdelijk, aan een doelpunt van Marco van Basten, of aan het kussen van mooie vrouwenvoeten of aan wereldvrede, terwijl ik van geen van de drie genoeg kan krijgen.
Nee, ik geloof dat ik dan denk aan zoiets als het eerste deel van Bach’s cantate Bleib bei uns (BWV 6), in welke uitvoering dan ook. Nú!

Gepubliceerd door hnsgls

Het is me intussen, omdat het me inviel, duidelijk geworden dat ik vignetten schrijf. Geen korte verhalen. Een soort broche, dus, of een dasspeld of een oorbel die ik aan mijn leven vastprik. Dat er thematisch weinig touw aan vast te knopen valt neem ik op de (ver)koop toe. Terugkerende gegevens zijn de beeldende kunst, architectuur, de liefde, taal en mijn wens om zoveel mogelijk zaken in het leven met elkaar te verbinden. Daarnaast publiceer ik af en toe een e-mail die ik aan deze of gene schrijf of heb geschreven. Mijn profielfoto is dertig jaar oud en een deel van een portret van drie galeriehouders, Milco, Adriaan en mezelf, dat in 1990 gemaakt werd door Paul Blanca. Speels doel van Paul was, denk ik, om ons er zo ijdel mogelijk op te zetten en dat lukte goed.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: