Uitgelicht

Over het Openen van Ramen

(Long as I can see the light)

Het is eind maart en ik zit op een terrasbank op een rustiek pleintje in Amsterdam-Zuid; in De Pijp, eigenlijk. Het cafeetje waar mijn terras bij hoort is onderdeel van een fraai Amsterdamse Schoolcomplex van zo’n vijftig bij twintig meter, opgeleverd in 1920 en ontworpen door de onvermijdelijke architect Piet Kramer. Dit complex neemt het gehele deel van de langere, oostelijke zijde van het pleintje in beslag.
Ik zit op een plek waarvan ik weet dat de nog jonge voorjaarszon me tussen vier en vijf uur op m’n leuke toetje zal schijnen. De eigenares van het café, geïnteresseerd in cultuur en zo, is erg mooi, maar wel spichtig. Bij de vorige vroege lentedag stiftte ze, kort nadat ik arriveerde, haar lippen vuurrood. Voor mij, nam ik voor het gemak maar aan, hoewel een voorspoedige verhouding, onder andere door ons leeftijdsverschil, me vooralsnog niet in het verschiet lijkt te liggen en ik eigenlijk ook spichtig ben.
Ik lees een mooi boek, maar pauzeer bij tijd en wijle en kijk dan om me heen of luister naar naburige gesprekken. Naast me op de bank vergelijken twee jongere vrouwen hun mislukte en tijdelijk geslaagde relaties; twee tafeltjes verder op het terras praten twee mannen over vrouwen. Ik drink daarbij een Italiaans biertje.
Volgende week wordt het weer een stuk frisser.

In de noordelijke, kortere, gevelrij (laat 19de-eeuws, maar verder best in orde) lapt een vrouw haar uitzicht en schuift daarna een raam omhoog en steekt een sigaret op. Klaarblijkelijk rookt ze binnen liever niet. Halverwege de sigaret verdwijnt ze, maar prompt daarop gaan de dubbele deuren naar haar Franse balkonnetje open en zet ze zichzelf neer op een klapstoeltje in de zon.
Hoe oud, mooi, of lelijk ze is, kan ik, vanwege de afstand en het gebrek aan mijn verrekijker niet duiden, maar dat speelt nu ook even geen rol. Vanaf haar tweede etage heeft ze een vergelijkbaar zicht op het plein met platanen als ik, maar dan in vogelperspectief.
Ik vind dat het opendraaien, openklappen of openschuiven van een raam iets magisch heeft. De amorfe eigenschappen van glas, die me altijd enige angst inboezemen, dragen er zorg voor dat je “binnen” zit, terwijl je toch informatie krijgt over “buiten”. Ik vind dat een geweldige uitvinding. Vroeger, toen vensterglas nog niet kon worden gefabriceerd, kwamen buiten en binnen op hetzelfde neer, behalve dat je buiten natregende en binnen niet. En toen vensterglas nog heel duur was nam de adel, wanneer ze naar hun zomerkasteel verhuisde, het glas mee om, al was het prachtig weer, toch ook af en toe “binnen” te kunnen zitten.

In het huis waar ik opgroeide hadden we ramen die je naar boven opentilde. Die zijn, per definitie, zwaar en daarom waren ze ook, met onzichtbare ophanging aan touwen, voorzien van contragewichten, zodat ook mijn moeder bijvoorbeeld, die handeling zonder problemen kon verrichten. Niet dat dat vaak gebeurde, want ons huis stond aan een drukke straat vol autogassen en lawaai. Uiteindelijk konden de ramen helemaal niet meer open omdat voornoemd touw vergaan en daardoor gebroken was.
Vanuit de woonkamer, die zich tegen alle regels in op éen hoog bevond, hadden we natuurlijk zicht op de overkant van de straat. Naast de kunstschilder Kees Verwey, die mij nog eens zou portretteren, kwam daar menig ander karakteristiek type voorbij. De Trompetter, die was blijven hangen in een drugspsychose, waardoor hij, in het openbaar, ellenlange speeches over niets hield, maar hij speelde nog wel zijn instrument. Of De Blote Voetenman, zijn epitheton beschrijft zijn markantste aspect, die zich, ook nog eens, altijd in pyjama kleedde maar zonder gêne stevig doorstapte. Beiden gaven echter geen sjoege op ons bestaan achter het bovenraam. Maar er was wel degelijk De Turk Met Het Been, die dagelijks passeerde en ons zwaaiend groette, evenals wij hem. Tot een nadere kennismaking kwam het nooit en niemand voelde daar een noodzaak toe.
Tevens trof het enorm dat zich tegenover ons de hoofdvestiging van de stedelijke brandweer bevond. Naast het enorme voordeel dat het mijn vader enige procenten in de kosten van een vrijwel kosteloze brandverzekering scheelde, leverde het ook onophoudelijk sociaal contact met de mannen op, want de kazerne was natuurlijk dag en nacht bezet.
Kortom: het kijken en zwaaien, van binnen naar buiten, en vice versa, werd mij met de paplepel ingegoten. Ook doordat we vader, die een eind verderop in de stad zijn baan had, elke dag, ’s ochtends en na het middageten, uitzwaaiden tot hij onzichtbaar was geworden.

Een raam is dus wel iets bijzonders: je kunt je er achter verschuilen, eventueel met de gordijnen dicht, of je kunt het open doen wanneer je de buitenwereld durft in te ademen. Kunstenares Yoko opent ostentatief de luiken wanneer John Imagine zingt.

De kunstenaar Tim Ayres, die met grote regelmaat tekst tot beeldend onderwerp van zijn schilderijen maakt, heeft ooit een werk gemaakt dat voorstelde: Finally I’ve opened all the windows. Het geluk dat uit deze voorstelling straalt weerspiegelt tevens een wanhoop die aan de uitspraak vooraf ging.
Om even binnen de wereld van de beeldende kunst te blijven (op muziek kom ik zo dadelijk): Picasso, Matisse, Vermeer, De Hoogh, Bonnard en vele anderen hebben het venster, als beeldend onderdeel, regelmatig in hun schilderijen opgenomen. En niet alleen als licht brengend element in het afgebeelde interieur.

Wandelend door stedelijke straten en grachten kijk ik ook altijd door ramen naar binnen om te zien wat men zoal aan wanddecoratie heeft hangen. Een enkele keer heb ik wel eens aangebeld om te vragen of ik een schilderij nader mocht bekijken. Dat mocht meestal. Toon mij uw venster en ik vertel u wie u bent, als het ware.
Als ik nu uit mijn eigen raam, op een tweede verdieping, kijk zie ik in metselstructuren gevatte vensters aan de overkant. Nou ben ik ook geïnteresseerd, want niets menselijks is mij vreemd, in metselwerk en voegen, maar in dit geval zijn die niet erg boeiend want ze komen uit een wat minder sterke periode, wat architectuur betreft. Mijn straat is, relatief, aan de nauwe kant dus onlangs zwaaide een overbuurman naar me terwijl ik de lucht bestudeerde en stak zelfs zijn duim omhoog; waarom mag Joost weten, maar ik groette natuurlijk van harte terug. In een ander raam zit vaak een jong stel naar een televisie te kijken, met hun ruggen naar mij toe. Serieuze redenen om hiervoor m’n verrekijker uit zijn huls te halen heb ik dus nog niet kunnen verzinnen.

John Fogerty schreef voor zijn band Creedence Clearwater Revival het lied Long as I can see the light. Het begint met de zin Put a candle in the window. De tekst lijkt in eerste instantie uit elkaar te vallen, want de ik-persoon maakt duidelijk dat hij weg wil, op een reis móet. Het kwartje valt echter wanneer hij aangeeft om zeker ook terug te willen komen. En dat de brandende kaars in het raam zijn anker is. “Wacht op mij, wees er voor mij als ik terug kom”. Het raam als een soort worm hole waardoor je naar het licht kunt gaan, maar er ook weer door kan terugkeren.

Twee kunstenaars, John Cage en Neil Diamond, ervaren muziek wanneer ze het raam openen. Cage, een nogal esoterisch typje, maar zeer invloedrijk en bekend van zijn pianocompositie Vier Minuten en Drieëndertig Seconden Stilte, heeft ook een tamelijk kaal werk geschreven dat bestaat uit het openen van een venster in New York City. Het lawaai van sirenes, auto’s, een blaffende hond, kan het muzikaal resultaat zijn, als een brute maar eerlijke melodie. Mogelijk in navolging hiervan schrijft Neil Diamond, een nogal Middle-of-the-Road typje (maar ik ben een groot fan), het lied Beautiful Noise (coming down from the street). Hierin benoemt hij de stadsgeluiden die door een geopend raam naar binnen komen als een op zichzelf staande schoonheid. Hij zingt er dus over als een wederzijdse liefdesverklaring: van de stad aan hem terwijl hij de grote stad bezingt.
Nee, dan heb je ook nog Van Morisson met zijn lied Cleaning Windows over het zeer zinnige beroep van ramenwasser, waarin hij uitspreekt dat hij een gelukkig man is, op de toppen van zijn kunnen.
En Frank Sinatra zingt in Out beyond the window, dat hij elk jaar een etage hoger gaat wonen en, intussen, de hemel bijna kan aanraken en dat hij de wolken kan verschuiven. Maar er zijn bijna geen wolken meer en komt er niemand meer bij hem langs.

Het openen van een raam en het daarna, later, weer sluiten, is als een zeer trage knipoog. En wat je, tijdens die knipoog,  gezien of gemist hebt kan wel een tijdje een raadsel blijven. Door een voordeur stap je naar buiten, de wereld in. Door een raam ben je waarnemer, of wordt je, eventueel, waargenomen, in voor- en tegenspoed. Een open raam is als een liefde op de lagere school (hierbij moet ik zelf denken aan Ellie Dekker): er gebeurt niks, je weet van niks, maar je voelt van alles. Een flakkerend vuur halverwege iets of niets worden, om het maar eens weinig dynamisch uit te drukken.
Na dit alles grondig te hebben overdacht, waardoor mijn bierglas leeg is, zie ik, tachtig meter van me vandaan, door de nog kale platanen heen, de vrouw haar balkondeuren sluiten, het vensterglas kussen, en zich terugtrekken in een wereld waar ik geen donder mee te maken heb.

Voor Han!

Amsterdam, 29 maart 2019

Hans Gieles

Uitgelicht

Een Gevalletje Heupfractuur

30 juni 2019

Lieverd,

Geen paniek hoor, maar ik leg in het BovenIJ-ziekenhuis met een, intussen succesvol geopereerd, gevalletje heupfractuur. Was afgelopen donderdag ’s ochtends net niet goed genoeg op mijn wegrijdende bureaustoel gaan zitten om te schrijven, viel en kwam niet hard maar zeer ongelukkig op mijn linker bips terecht.

Intussen strompel ik alweer, met looprek en, sinds vanochtend krukken wat rond of rijd met de rolstoel, waarin ik oefen voor mijn vrije kür, naar buiten voor een pafke. Er ligt natuurlijk een hele revalidatie in het verschiet, maar vedders is iedereen dolenthousiast. Mag waarschijnlijk spoedig weer naar m’n Tolstraatje. Zie een beetje op tegen de trappen aldaar, maar die horen ook bij het leven. Af Fijn, er zijn erger dingen in de wereld.

Veel liefs van een goedgemutste Hans.

Vervolg / 30 juni

Alles is wel behoorlijk pijnlijk, maar ze zijn hier niet zuinig met medicijnen, laat staan de sterkte daarvan. Ze voeren me ook Lorazepam, weet niet waarom (ik weet het eigenlijk wel, intussen, maar daarover een andere keer), maar dat slik ik niet en leg ik apart voor andersoortige noodgevallen; wat ik aan pijnstillers krijg bezorgt me al hallucinaties genoeg. Mobiliteit is nog wat moeizaam natuurlijk, maar ik beweeg me rot: rolstoel, loopsteun en krukken. Eind van de dag dan moe maar tevreden.

Ik overweeg nu om nog 1-2 weken naar een revalidatiepark te gaan voordat ik dagelijks de trappen thuis ga bestijgen en afdalen. Iets meer kracht, routine en zelfvertrouwen opbouwen. Hier in het ziekenhuis gaan ze me daar zeker niet voor houden.

Vriend R. is hier elke dag en ik krijg ook wel support van anderen. Morgen komt M. bijvoorbeeld op bezoek en T. en vriend G.
Ben verder opgewekt en welgemoed (wat met een “t” is, volgens mij, maar wat ik graag met een “d” schrijf).

2 juli

Hoor net dat ik morgen om 11.00 uur word verwacht in revalidatiecentrum De Die, bij het Buikslotermeerplein. Ik zal worden versjouwd met een rolstoeltaxi.

Leuk hè, hoop ik?

3 juli

Deary,

Was hier in De Die om 11.45 uur en heb tot op heden, 16.15 uur, met allerlei leuke types, noodzakelijke, maar goeie gesprekken gevoerd. Ben nu toe aan vakantie omdat ik ook nog, tussentijds, naar beneden ben gerollatord om in de tamelijk fraaie binnentuin nicotine te gebruiken en om aan de balie een tv-koptelefoon aan te schaffen voor het geruisloos beluisteren van de televisie.

Ik lig op een kamer met een vriendelijke, maar verder totaal onbenullige oude man. Heb in meerdere gesprekken, niet met hem, aangegeven dat een solokamer mijn herstel enorm ten goede zal komen. Iedereen, wat personeel en staf betreft, is erg aardig en bij vlagen grappig.

Nu tennis, dan eten in het restaurant en dan, als ik tenminste niet al in dromenland ben beland, ons vrouwenvoetbal.
Gelukkig volgen ze hier naadloos het pijnstilregime van het ziekenhuis, want alles raakt natuurlijk bij vlagen uitgewerkt en toen kwam vanuit het niets ook nog hoofdpijn opzetten, dus ik hoop dat het verslavend middel dat ik zojuist heb mogen innemen spoedig zijn werk doet.
Tot zover een eerste impressie.

Lieve groet,
Hans

4 juli

Deary,

Zojuist, through the grapevine, gehoord dat ik een eigen kamer krijg. Officiële bevestiging en uitvoering volgen hopelijk later. Een voorlopig “joepie” lijkt op zijn plaats. 
Verder alles prima, al vindt men mijn bloeddruk aan de lage kant. Ik zelf heb nergens last van …

Liefs,
H

7 Juli

Goedemorgen Lieverd,

Hier alles redelijk kits. Ben elke ochtend rond zeven uur wakker, neem dan pijnstillers, nicotinepleister en mitavientjes, kleed me aan (vandaag, wegens het weer, voor het eerst zelf aangetrokken sokken en schoenen in plaats van slippers waar ik, al krukkend, de trap niet mee op of af mag) en wandel naar de lift en van daar naar buiten om een sigaretje te roken.

Daarna is het afwachten wanneer ik weer naar binnen kan want alle vanzelf schuivende deuren zijn op dit tijdstip nog niet werkzaam, behalve voor pasjeshouders. Dan lezen tot het ontbijt aanvangt, waar ik twee crackers met dit of dat eet en twee (of drie, want er zit toch geen cafeïne in) koppen koffie drink. Daarna breekt een alternerend rondrennen (met rollator of krukken) en rusten uit. Dat laatste door vanaf het bed naar Wimbledon of Le Tour te kijken of, zoals vroeger, door te lezen.

Vroeger namen ze ook nog wel eens mijn bloeddruk op of controleerden ze het zuurstofgehalte van mijn bloed en mijn temperatuur, maar dat blijft, wegens mijn permanente gezondheid, tegenwoordig achterwege.
Vanaf dinsdag begint een fysioregime, twee keer per dag een half of heel uur, al moet ik nu ook een paar keer per dag doelloos een trap op en af en wat zwabberen, voor-, achter- en zijwaarts, met mijn linkerbeen, want daar zit hem de breuk. Jammer dat ik er geen elektriciteit mee kan opwekken.
Ik ga vroeg slapen, hoewel het gisterenavond toch per ongeluk half elf werd.

Ik heb het gebruik van de pijnstiller Oxycodon, zonder de medische staf daarvan in kennis te stellen, intussen teruggebracht van vier naar drie maal per dag, want je ken d’r aan verslaafd raken. Ik verzamel elke vierde maar voor noodgevallen thuis.

Wat boterhambeleg valt het volgende te melden:
Cervelaat-, boterham- en grillworst, jonge-, komijnse- en oude kaas, ERU-Goudkuipje, Saksische lever-, smeer- en ossenworst en diverse zoetwaren (jam, paté a tartiner aux noisettes, pindakaas, benevens hagelslag en muisjes en, misschien omdat het vandaag zondag is, ook abrikozenjam. En dat alles gedragen door Echte Boter. En tweemaal per week een gekookt eitje, soms heel hard, soms op het waterachtige af, of een banaan.

Ik heb eigenlijk wel zin om, net als gisteren, een kwartiertje op zo’n fietsapparaat te peddelen, want dat maakt de boel lekker los, waar ik de hele dag profijt van heb. Maar het bewegingsdepartement is op zondagen hopeloos gesloten. Misschien hebben ze hier op de afdeling ook wel zoiets, zodadelijk, even aan B. vragen.

Becky is een heel mooi, zeer donker, meisje in de verpleging, kort van stuk, met een vollemaansgezicht (eigenlijk nieuwemaansgezicht, natuurlijk) van heb ik me jou daar, die me gisteren glansrijk, kordaat, vol van zelfvertrouwen en vrolijk, heeft geholpen toen mijn mobiel in ene uiterst eigenaardige kuren begon te vertonen.

Hâ, nu komt er nog een zonnetje door ook; klaar met het ontbijt, dus fluitend op zoek naar de Wielewaal,

Liefs & Dudeljo,

Hans

11 Juli

Good Day Darling,

9.30 uur

Zat zojuist buiten in de tuin een post-ontbijtsigaretje te roken en een nieuwe bewoner van mijn afdeling kwam tegenover me zitten. Hij belde op luide toon een kennis om deze op de hoogte te stellen van zijn status. Voor mij was het de eerste keer dat ik meer van hem beluisteren kon dan een enkele grom aan de ontbijttafel. Hij blijkt Nederlands te spreken, maar op een wijze die het mij slechts mogelijk maakt om één op zijn tien woorden van een betekenis te voorzien. Zijn enige zin die ik in samenhang kon begrijpen was: “Ik moet bewegen en ik moet rusten, dus ze weten hier niet wat ze willen”.

Af Fijn, dâlijk in groepsverband fysiotherapie en om 11.20 uur een bespreking van mijn toestand die moet leiden tot een te plannen ontslagdatum. Over dat laatste later meer.
Gisteren geoefend met nog maar één kruk, wat me goed afging, maar dat vandaag in enorme spierpijn resulteert. Gewoon doorbijten, Hans.

Opmerkelijk is hier ook dat alles wat aan de muur hangt echt goed scheef hangt. Daar kan ik niet tegen, maar het is onbegonnen werk om dat allemaal in het reine te brengen. Opvallend is tevens dat op vele wanden, als het gaat om IKEA-achtige printjes op doek, twee volstrekt identieke exemplaren naast elkaar te zien zijn, bevobbeld een waterlelie (2x), een orchidee (2x) of een schaap met lammeren (2x). Verder valt er veel te genieten van de resultaten van de creatieve schilder- en brei-uurtjes. Gelukkig nergens boetseerprodukten.

Het resultaat van mijn bezoek aan de inpandige haarsalon “Belinda” {vernoemd naar de vrouw die mij ook daadwerkelijk zelf knipte en wier geringe kapwinkel aanhoudend door allerlei oude, mannelijke medebewoners bezocht wordt die ongeorganiseerd binnenlopen om nieuwe jasjes en broeken te laten zien, waaronder éen van Bernd Lageveld, wat ik ondanks mezelf moet corrigeren) wordt bewonderd door zowel personeel als medepatiënten. Een lid van eerstgenoemde groep kwam, toen ik met twee bezoekers op mijn kamer aan tafel in gesprek was, de middagthee serveren. In totale verwarring ons drieën aankijkend vroeg ze “Waar issie?”. Nou is ook inderdaad vrijwel de helft van mijn voormalig kapsel verdwenen …

Nu moet ik naar de training; ik hoop maar dat er een radio’s aanstaan, net als hier op de etage op elke hoek, steeds op een andere zender. 
Zo meer over mijn evaluatie.

11.40 uur

Volgende week woensdag kom ik op vrije voeten! Ik moet nog even zien hoe. Openbaar vervoer is me, ook dan nog waarschijnlijk, iets te gecompliceerd en alle vrienden die niet op vakantie zijn, zijn autoloos. Een taxi kan natuurlijk altijd.

Verderop in de tuin hipt nu een Vlaamse Gaai en sinds vanochtend lees ik De Wetten van Connie Palmen. Straks de eerste bergetappe in de Tour.
Kortom: Het leven is een feest, als je maar zelf wat slingers ophangt.

Lieve groet,
Hans

12 Juli

Beste leukerd,

Zojuist zijn mijn laatste krammetjes uit mijn operatiewond succesvol verwijderd door C., een vrolijk, grappig, verpleegkundig kamerolifantje. Zij brengt mij op het fenomeen dat, bij benadering tachtig procent van het verzorgend personeel op zorgwekkende wijze aan overgewicht lijdt. De godganse dag schommelt het welgemoed en behulpzaam over de afdeling, bij vlagen de gangen blokkerend.

Ik zit weer in de grote achtertuin waar veel zitplekken zijn, maar ook veel door buxus omzoomde perkjes van twee bij drie meter. Hierin groeit en bloeit, in wisselende samenstelling, een enorme variëteit aan flora. Naast rozen, lavendel en andere gecultiveerde sierplanten vindt men er ook de Kaardebol in verschillende hoogtes, de Gele Toorts die ik ken uit de duinen, verschillende soorten Distel, het giftige Vingerhoedskruid en verschillende samengesteldbloemigen.

Naast een paar, intussen natuurlijk uitgebloeide, seringen luidt het verder alleen Esdoorns (van de Canadese vlag) wat de klok slaat. Parallel aan de lengte van de tuin loopt een rijweg. Aan de andere kant daarvan bevindt zich het architectonisch wonder dat ’t Hoogt heet. Het is dat ik dat weet want het wordt door een haag van groen aan mijn zicht onttrokken.

De vogelstand beperkt zich tot wat duiven die soms vechten, meerdere koolmezen, één (1) reiger die de ruime vijver tweemaal daags bezoekt, af en toe zo’n verdoemde, groene parkiet en de Vlaamse Gaai van gisteren. 

Zojuist spreekt een bejaarde vrouw, lid van de grootste bezoekersgroep van de tuin, de gedenkwaardige woorden uit:”Ik leef in een hel. Heb jij dat nou nooit?” Ik heb geen hoge pet op van het dus vooral uit vrouwen bestaande tuinpubliek. Veelal overstijgt hun niveau helaas niet dat van de Middelbare Meisjesschool, al voer ik wel korte gesprekjes over niets of luister ik gewillig, af en toe knikkend of het hoofd schuddend, naar gemompel. Op dit moment meldt mijn gesprekskameraad van gisteren dat je binnen niet mag roken vanwege de rookmelders. Zo kan je er ook over denken, schiet het door mijn hoofd.

Niets te melden, dus. Heb een fijne dag, net als ik,

Hans

PS
Ik kan trouwens sinds bijna een week ook weer heel goed met mijn verkeerde been uit bed stappen!

13 Juli

Lieve Correspondent,

Begin deze week begon het echt serieus tot me door te dringen om welk een enorme hoeveelheid uurwerken het in dit, architectonisch werkelijk zeer lelijke, verzorgingskasteel eigenlijk gaat. En dat terwijl de meeste bewoners van elk talent om iets met die doordenderende vrijheid te doen, verstoken zijn. Zowel degenen die hier tijdelijk verblijven, zoals ik ter revalidatie dus, als zij die hier voor eeuwig opgesloten zitten, want die heb je ook, proberen de tijd weg te tellen en het houvast daarvoor hangt aan veel te veel wanden. Niet dat ze sneller gaat, de tijd, als je er geen acht op slaat of kan slaan, maar het overweldigend aanbod van minuten en uren vind ik voor een plek als deze wel wat overdreven.
Daar komt bij dat elke wijzerplaat zijn eigen tijdzone kent met soms maar een geldigheid van een meter of drie, vier, uiteenlopend van een kwartier vóor tot vijftien minuten na de Cesiumtijd. 

In het reguliere leven kan ik, elke keer tot mijn eigen verrassing en met een marge van een minuut of vijf, schatten hoe laat het is, ook wanneer ik midden in de nacht ineens wakker word. Die gave maakt mij verder nergens speciaal geschikt voor, dus een aanvulling op mijn uitkering hoef ik er niet van te verwachten, maar soms is het wel handig; ik kom bijvoorbeeld zelden ergens te laat. Hier is op tijd komen echter in het geheel geen must; want volgend op de mededeling dat iemand over een paar minuten bij je langs komt breekt meestal een periode van anderhalf uur rust aan. Het lijkt ook alsof die gave van mij, in de korte tijd dat ik hier ter genezing mag zijn, aan kracht heeft ingeboet. Want elke keer dat ik nu een gokje doe blijkt de tijd me totaal ontsnapt te zijn. Net als de kwaliteit van mijn wandelen zal ook dat zich wel weer herstellen, maar het brengt me toch een beetje uit mijn evenwicht, net als die gebroken heup zelf, trouwens. 

Behalve dat ze een handige en betrouwbare conventie is, vind ik tijd, evenals leeftijd, verder van ondergeschikt belang, hoewel het zeker is dat, als je zonder zit, je niet heel erg veel voortschrijdt.

Ach, zomaar wat overwegingen (die voor mij zowieso nog slechts tot woensdag opgaan) op een saaie en trage zaterdagmiddag.

Ja, leuker is misschien om te vermelden dat ik vanochtend, in alle vroegte, een Grote Bonte Specht in de tuin aantrof. Die komen weliswaar zeer algemeen voor, zo zeggen alle vogelboeken en -websites, maar je ziet er zelden één (het zijn vlotte vliegers, dus je moet ze ook wel op tijd weten te herkennen, maar dat geldt vanzelfsprekend eigenlijk voor alles).
Laten we onze tijd dus goed gebruiken. Om van iets of iemand iets op te steken, om her en/of der iets goeds te doen of om van elkaar te houden, met alle consequenties van dien.

Lieve groet,
Hans

PS
Cesium is het sjemisch element waarvan de elektronen blijkbaar gebruikt worden om de atoomklok een beetje op tijd te laten lopen. Misschien ten overvloede, maar de afwijking van de atoomklok is één (1) seconde op vijf miljard (5.000.000.000) jaar. Daar kan je, als je ergens beslist op tijd moet zijn, je wekker dus wel op gelijk zetten.

15 juli

My dear Dear,
Gisterenavond had ik al snel een horizontaaltje te pakken. Daarop volgde een nogal wisselende avond en nacht van slapen en lezen, die er toe leidden dat ik pas om acht uur vandaag opstond. Toch verder vol goeie zin aan deze maandag begonnen.

Ben door mijn Duitse vrienden A. en S. gisteren uitgenodigd om de tweede helft van augustus, wanneer mijn herstel verwacht wordt zich in de afrondende fase te bevinden, naar Zwitserland, Ticino, te komen om daar in hun fraaie, verbijsterend mooi gelegen, onder architectuur gebouwde kleine huis, hun gezelschap op te leuken en van bier, wijn en het landschap te genieten. Dat lijkt me geweldig, natuurlijk.

Ik vond gisteren in het restaurant een leuk boek over heel veel lettertypes en hun geschiedenis; voor mij een schot in de roos dat zijn weg naar de huis zal gaan vinden, want voordat hier iemand het ter hand neemt zal er wel een generatie over heen gaan, vermoed ik.

Zojuist heb ik me op het naburig toilet succesvol ontlast. Naast dat dat enige tijd in beslag nam, was het resultaat zodanig machtig dat het zich niet op natuurlijke wijze door het watercloset liet wegspoelen. Een extra zetje van eigen hand bleek noodzakelijk.
Verder ben ik, sinds het uit bed komen, steeds met slechts één kruk onderweg, pijnloos en soepel. Ik weet dat ik dat niet te lang moet overdrijven want anders loop ik straks met de Gebakken Peren rond. De huisoefenfiets is bezet, dus kan ik daar pas later een kilometer of vijf op afleggen. Niet als krachttraining, maar om de heup- en benenboel lekker los te maken.

Om het, voor mijn vertrek van hier, niet te vergeten te vermelden graag ook je aandacht voor het volgende: in het gangetje naar de tuin, beneden, hangen drie ingelijste resultaten van een creatief-therapeutisch middagje, die eigenlijk, in weerwil van duidelijk amateurisme, wel degelijk de moeite van het bekijken waard zijn. Het zijn werken op papier uit de obscure zijtak in de beeldende kunst die “Cadavre Exquis” genoemd wordt. Als, in eerste instantie als literair, poëtisch, fenomeen bedacht door de surrealisten André Breton en Paul Eluard, kreeg het kort daarop een beeldende toepassing. Hierbij wordt een blad in drieën gevouwen en tekent de eerste kunstenaar op het bovenste deel zijn aandeel. Hij geeft slechts enkele aanknopingspunten van zijn creatie op het middendeel door waarop een collega, naar eigen inzicht en zonder kennis van het bovendeel, hierop aansluit. Op dezelfde wijze komt een derde kunstenaar aan de beurt. Bij het uitvouwen is het eindresultaat een amalgaam van drie artistieke fantasieën waar je als bekijker je eigen eenheid van kan maken. Ik wil van die drie beneden wel foto’s maken, maar ben er met dit nieuwe toestel, nog niet achter hoe dat werkt, kluns die ik ben.

Ga je zelf nog iets leuks doen vandaag?
Hans

Vandaag, 17 juli
Ich bin wieder theus! 
Misschien later afrondend meer …

Vandaag, later:

Deary,

Het is nu net na negenen ’s avonds en ik ben blij dat ik weer terug ben in De Pijp. Niet dat ik daar vandaag, nadat lieve vriend G. me van De Die naar huis had vervoerd, veel heb rondgedwaald, maar ik heb hier wel een gevoel van thuis.

Gisteren, en daar wil ik het toch even over hebben, werd ik in mijn schattig, treurig rehab-centrumpje overvallen door een, mij eigenlijk in het geheel niet passend, gevoel van melancholie. Weliswaar had ik daar mensen leren kennen, personeel en medepatiënten, maar die zal ik zeker spoedig vergeten, evenals de sporen van rolstoelen en rollators op het vergrauwde gele linoleum.

Het had natuurlijk alles, gevoelig tiepje dat ik ben, te maken met het afscheid nemen van deze plek. Hoewel er daar geen kip woont of werkt waar ik binnenkort nog naar zou kraaien, kreeg ik dat gevoel niet kwijtgespeeld. Er is in De Die weinig, niks eigenlijk, dat een moeizaam afscheid behoefde, behalve misschien I., de vrouw bij de ingangsbalie, die zo normaal, lief en natuurlijk vriendelijk is dat elk ander er wegens overbemoederend gedrag bij in het niet valt. Bovendien speelden Ineke en ik elk dag het spelletje of we elkaars voornaam nog wisten.

Af Fijn, vannacht kwam ik er vermoedend achter dat de oorzaak van mijn spleen lag in het volgende:
Toen ik mijn linker heup brak (heupen horen volgens mij in dezelfde categorie als lurven en hurken, trouwens) begon voor mij een avontuur. Eerst aarzelend, mezelf wijsmakend dat het ook een zware kneuzing kon zijn. Maar na een uur of acht, vooral omdat ik mijn linker been in het geheel niet meer kon bewegen, al kon ik nog wel met mijn tenen wiebelen, en ik me het traumamoment in herinnering bracht (totale slapte, een gevoel van lijkbleek te worden, en zo) werd de noodzaak om een ziekenauto te bellen wel duidelijk.

Toen kort na het arriveren van twee adequate ambulancebroeders op mijn kamer het gezelschap werd gecompleteerd door vijf (5) brandweermannen begon het Spel Zonder Grenzen echt. Vooral omdat ik van twee hoog door laatstgenoemden het raam werd uitgetakeld om daarna, zonder zwaailicht of sirene, naar het hospitaal te worden vervoerd. Een dergelijk hoofdstukje had ik in mijn leven nog niet meegemaakt. En dat hoofdstukje, die korte novelle eigenlijk, kwam gisteren dus ten einde, al moest ik er nog een nachtje in slapen, voordat ik weer in mijn eigen leven terecht kon komen. De weemoed om niks, gemengd met een lauwe opstandigheid kon daar weinig aan veranderen. Ik herken weer alle geluiden, al het geruis en gebabbel om me heen. Dus nu maar wachten op, of liever werken aan, een nieuw avontuur.

Lieve groet,
Hans

Spreeuwel en het vliegen

Spreeuwel en Spreuwel zijn kort na elkaar ieder uit hun eigen eitje gekomen, maar Spreuwel eerder. Ze zijn daarom bijna een soort tweelingvogeltjes. Ze beginnen net een beetje veren te krijgen, maar wat ze daarmee moeten is nog onduidelijk. Of ze kriebelen? Nou en of! Vooral als ze in hun nest tegen elkaar aan zitten. En dat is meestal het geval want erg groot is dat nest niet.

Spreeuwel en Spreuwel hebben steeds honger, maar daar houden mama en papa rekening mee. Die vliegen af en aan met wat ze maar kunnen vinden: wormpjes en kevertjes. Maar die kevertjes kriebelen óok, maar dan in je keel, vooral als de pootjes nog een beetje wiebelen.
Spreeuwel is zes weken oud, kan goed om zich heenkijken en Spreuwel, zijn broertje, heeft net hun zusje Sylvia het nest uit gegooid omdat ze iets teveel ruimte innam, dus er is wat meer vleugelslag. Sylvia was daarna voer voor de kat.

Spreeuwel zit er al een tijdje mee dat zijn moeder en vader steeds komen aanvliegen met kevertjes. Voor hem in ieder geval. Het lijkt wel alsof zijn broertje Spreuwel steeds de wormpjes krijgt, denkt Spreeuwel, en hij de kevertjes. Die hebben een hard schildje over hun eigen vleugels. Soms is hij zelf ook niet snel genoeg. Spreuwel is dan de eerste om maden en wormpjes uit mama’s bek te pikken. Spreuwel schreeuwt ook soms wat harder. Papa lijkt vaker zacht voer bij zich te hebben. Maar daar is Spreuwel ook steeds sneller bij. Pech dus, en dan moet Spreeuwel het maar weer met een Lieveheersbeestje doen. Die zien er wel goed uit, maar daar proef je niets van. Het is steeds alsof er even iets in je keel blijft steken. Nou ja, eten is altijd lekker, dus Spreeuwel maakt er zich niet druk om.
Sinds Sylvia uit het nest is gevallen, kunnen Spreeuwel en Spreuwel binnenshuis iets meer met hun vleugeltjes wapperen. Dat geeft een hoop stof, want mama en papa zijn niet echt stofzuigers. Dat stof waait wel meteen het nest uit. Met dat gewapper helpen ze eigenlijk een beetje mee in de huishouding. Als mama en papa de poepjes van Spreeuwel en Spreuwel over de rand van het nest hebben gegooid is het eigenlijk allemaal helemaal schoon.

Wat zien ze eigenlijk als ze over de rand van het nest durven te kijken? Niet zo heel veel. Beneden is het nogal diep en boven lijkt het oneindig. En verder veel groen loof. Ze horen ook gepiep van andere vogelkinderen. Maar die kennen Spreeuwel en Spreuwel niet en ze weten niet eens of het nichtjes of neefjes zijn. Ze kunnen er niet mee spelen want dan valt natuurlijk iedereen uit de boom. Maar een beetje heen en weer piepen kan natuurlijk geen kwaad.

Met die veertjes beginnen ze elkaar wel steeds meer te kietelen. Ze lijken ook wel groter te worden. Bij Spreuwel, die iets eerder uit zijn ei kwam, groeien de vleugels wat sneller. Af en toe klimt hij tegen de takjes en het plastic op. Dan is hij dus bij het eind van het nest. “Ai, wat een afgrond!” denkt Spreeuwel, als hij over de rand durft te gluren.
Het is ook hoog waar ze zitten, want anders hadden papa en mama niet hoeven kunnen vliegen. Maar sinds gisteren komen die niet meer meteen het nest in. Op een afstand van vijf vleugels gaan ze op een tak zitten. Met een wurmpje of een Lieveheersbeestje in hun snavel. Maar Spreeuwel en Spreuwel hebben honger. Hoe kunnen ze daar nou bij komen? Op hun gemak kijken mama en papa naar elkaar. Ze doen of ze niets in de gaten te hebben.
Spreuwel begint eens extra met zijn vleugels te fladderen. Hij waagt een sprong over de rand van het nest. Nou, dat kwam niet meteen helemaal goed uit! Pas vier takken lager krijgt Spreuwel met zijn tenen een beetje houvast aan een takje en blijft bibberend zitten. Mama komt meteen met een beloning: een heerlijke, verse worm. Het opeten is voor Spreuwel wel even een klus omdat hij zo wiebelt. Als hij klaar is denkt hij: Waar woonde ik ook al weer?, en kijkt omhoog. Daar ziet hij Spreeuwel’s koppie angstig en hongerig over de rand van het nest kijken. Oh, ja, dáar, denkt hij. Voorlopig blijft Spreeuwel even zitten waar hij zit.
In de verte klinkt het liedje Ticket to Ride van The Beatles.

Intussen heeft Spreeuwel bedacht: “Het is dáar diep en dáar hoog. Kan ik eerst niet gewoon les in zingen krijgen?” Maar Spreeuwel heeft honger en papa komt niet dichterbij. Spreeuwel kijkt nog eens voorzichtig over de rand van het nest en denkt: “Daar begin ik niet aan!” dus hij piept naar papa die nog een meelwormpje in zijn snavel heeft. Maar papa doet net of zijn neus bloedt, al hebben de meeste vogels niet echt een neus.
Ai, ai, ai, denken vader en moeder. Wat is er aan de hand met onze jongste zoon. Zou hij last van hoogtevrees hebben? Het lijkt er wel op. Papa springt op de rand van het nest en geeft Spreeuwel de meelworm. Niets is erger dan honger.

Toch moet nu ook de jongste het nest uit. Zo’n nest kostte heel veel moeite om het in elkaar te zetten, maar het gaat maar éen lente mee. Maar Spreeuwel vindt alles voorlopig prima. Terwijl Spreuwel fladderend wat op takjes rond hupst heeft Spreeuwel alle ruimte in het nest. En er is niets meer dat kriebelt.
Spreeuwel weet wel dat er vogeltjes zijn die meteen een bospad of een oever op rennen als ze uit een ei gekomen zijn. Maar hier in de lucht is helemaal geen bospad, laat staan een oever. Het is hier nogal luchtig, leeg en eng, denkt hij en flappert eens extra met zijn vleugels. Het nest is weer voor een tijdje schoon, in ieder geval. Dan stopt hij zijn koppie tussen zijn veertjes en slaapt.

Zonder dat Spreeuwel het merkte waren papa en mama ook in het nest beland, dus werd het, zo samen, snel wat warmer. Ouders willen ook wel eens rust, al hielden ze om beurten Spreuwel in de gaten. Die zat per slot van rekening nog steeds een paar takken lager.

En ze overlegden héel zachtjes met elkaar.
“We kunnen hier moeilijk met Spreeuwel tot in de winter blijven zitten. Hij moet er op uit.”
“Ja”, zei mama, “dat vind ik ook.”
“Volgens mij kan hij best vliegen”, zei pappa.
“Oh, zeker” zei mama, “maar hij durft niet, hij heeft hoogtevrees, hij denkt dat het eng is.” Hoogtevrees is een woord dat betekent dat je bang bent om van boven diep naar beneden te kijken.
“Hoe kan vliegen nou eng zijn, vliegen is toch mooi?”. Papa was nogal recht-door-zee.
“We moeten het voordoen”, bedacht mama.
“Maar we vliegen de hele tijd al”, zei papa weer.
Dus zei mama: “Maar als we nou eens léuk vliegen!”

Nou, daar begonnen ze de volgende dag mee. Het was nog bijna niet licht. Mama en papa gingen boodschappen doen voor Spreuwel en Spreeuwel. Eten halen voor het ontbijt. Luisterend naar kevertjes, wormen en maden in en onder het gras en het mos. En er met hun snavels in spittend om hun kroost te eten te kunnen geven. Met volle snavels kwamen ze terug en ze kregen allebei lekkers.
Toen sprongen pappa en mamma weer het luchtruim in. Op weg naar het eten zoeken hadden ze het “leuk vliegen” al uitgeprobeerd. Na een kort ommetje rond de boomkruinen kwamen ze, kwetterend van plezier, snel terug naar de kinderen.
Spreuwel zag ze als eerste. Hij had eerst wat gefluit geoefend, dus hij floot. Spreeuwel klom naar de rand van het nest. Oh, oh, oh, wat was het toch hoog, allemaal. Wat was er aan de hand? Tussen de bladeren door zag Spreeuwel papa en mama aan komen vliegen. Dat zag er raar uit! Hadden ze weer van de gistende peren gegeten? Nee, daarvoor was het te vroeg. Toch leek het wel alsof ze plezier hadden, vrolijk waren! Alsof de lucht te klein voor hen was. Alsof hun vleugels groter waren geworden. Het ging van links naar rechts en van op en van neer. En ze kwamen vanuit de verte op Spreeuwel en Spreuwel toegevlogen, echt op hun af. Het leek wel alsof ze gelukkiger waren dan anders. Ze hadden iets voor ogen.

Toen dacht Spreeuwel: “Zoiets moet ik ook kunnen!”. Hij sprong van de rand van het nest en dook zijn ouders met een wijde blik tegemoet. Hij schrok er zelf van. Eerst een beetje onwennig flapperen, want alle begin is moeilijk en ongewoon. Omdat Spreuwel hem verbaasd volgde deed Spreeuwel extra zijn best. Hij kon het óok: Vlíegen, al ging het niet meteen vanzelf. Spreeuwel wist dat hij het durfde en wilde ineens niks anders meer. Boven of beneden was niet meer belangrijk. Snel waren ze met zijn tweeën bij papa en mama. En ze dansten met zijn vieren. Hoger en hoger in de lucht en dan weer omlaag, met de vleugels uitgestrekt. Maar er was geen diepte meer.

Alex Katz | Seagull, 2010 | linosnede | 129 x 91,2 cm

Een kanaal op en neer

Amsterdam is groot en de meeste quartiers van de stad liggen niet aan Het IJ. Zelfs niet De Jordaan, al ligt de noordkant ervan er dicht bij. Wanneer je vanuit die Jordaan met de Korte Prinsengracht, waar Thierry Bouw Det woont, de Haarlemmerstraat en –dijk kruist stuit je op de Houttuinen en het spoor; de tunnel daaronderdoor brengt je zo goed als aan de oever als je de Westerdoksdijk opzoekt: even rechts en je staat aan een doorgaande weg tegenover het nu nog nieuwe Paleis van Justitie slash Openbaar Ministerie. Daarbinnen zou, naast rechtspraak en rechtsvinding, ook mooie kunst te vinden moeten zijn, maar door tijdgebrek, lanterfanterig gedrag en BBHH elders is het van bekijken daarvan nog niet gekomen. Bovendien moet je je identificeren en tot ongenoegen van E heb ik min of meer bewust nooit een bewijs van mezelf bij me. En dat alles terwijl ik gewoon woon aan de Westerdoksdijk aldaar, althans qua adres, want praktisch gesproken bevindt mijn appartement zich hemelsbreed precies tussen voornoemde dijk en Westerdok in. Westerdok is de adresstrook aan de zuidwestelijke kant van wat het Westerdokseiland wordt genoemd: een voormalige, stedelijk industriële driehoek waar vooral de spoorwegen nogal wat werkzaamheden verrichtten. In 2008 werd het gebied als woningnieuwbouw opgeleverd, verzorgd door een veelvoud aan architectenbureaus, tamelijk smal aan de spoorkant beginnend en uitlopend in een scherpe punt, vlak voor het Silodam-complex, van waaruit je een uitzicht hebt van meer dan 300 graden over de stad (Zuid), Noord, Oost en West. In die laatste richting en vanaf de bovenste etage kijk je over de havens richting IJmuiden, de zee.
Als mens heb je soms niet helemaal een compleet idee van hoe groot iets is: de Oeral, de San Andreasbreuk, een mierennest, het mycelium rondom een heksenkring. Vanuit mijn appartement kijken we uit over Bickerseiland, Prinseneiland, een stuk Amsterdam-West en het Sloterdijk-gebied, waarvan hieronder een onbedoeld artistiekerige impressie. Daarachter moderne windmolens, maar waar staan die? En verder regelmatig (vandaag niet) wolkenformaties die zich soms, wat mij betreft, net zo goed boven zee kunnen bevinden. Ik overzie alles vanaf een zesde verdieping en tussen mij en het gebouw van de belastingen met het debiele wieltje van Jeroen Henneman (waarvan ik gelukkig alleen de kopse kant zie) lijkt er een relatief geringe afstand te zijn. Als ik, hangend uit het raam wegens geen balkon, scherp naar links de stad inkijk zie ik de spitsen van de Posthoornkerk en de Westertoren, al hoor ik hun gebeier of gelui niet. De gekte van het centrum lijkt ver weg. Er is rust, soms wind, soms een helikopter, vaak zon.

Een nogal artistiekerige impressie van het uitzicht vanuit mijn appartement.

De afgelopen weken verbleven E en ik echter in De Jordaan wegens dat ik onlangs geopereerd ben aan mijn linker bovenarm. Een vorm van Oost West Thuis Best, want de eerste anderhalf jaar woonden we daar ook wegens Corona en ik toen geen echt huis hebbende, tot ik april 2021 de woning aan de dijk aangeboden kreeg. Mijn herstel gaat echter goed, voor zover de om de hoek zittende fysiotherapeut kan vaststellen, dus binnenkort verkassen we vast weer voor een paar weken naar het eiland.
Omdat ik wegens mijn inkomsten afhankelijk ben van de gemeente Amsterdam beschik ik ook over een zogenaamde Stadspas met “een groene stip”. Die geeft mij bijvoorbeeld gratis toegang tot alle musea in de stad (behalve het veel te gortige MOCO dat een schandvlek aan het Museumplein is), wat geweldig is, al veroorloof ik me daarnaast de luxe van een museumkaart waarmee ik álle musea in het land kan bezoeken. Die stadspas brengt maandelijks aanbiedingen met zich mee, onder andere soms voor Artis, maar deze maand voor een rondvaart door het Amsterdams havengebied. Nou hebben ze voor normale mensen gisteren of vandaag de reguliere prijs van zo’n tripje verlaagd van € 29,50 naar € 22,50 maar ik mag, met éen of meerdere genodigden, voor de komma van € 1,00 per persoon mee, dus ik vond dat wel een mooie mogelijkheid om E eens ergens op te trakteren.
We moeten aanmonsteren aan de NDSM-werf in Amsterdam-Noord en daar dus met de pont naartoe. Voor mij is het een beetje een beladen gebied, want ik had er een paar jaar mijn kunstwinkel en organiseerde er enkele succesvolle evenementen. Hoewel ik niet nostalgisch ben aangelegd is het er toch vol herinneringen. Die herinneringen hebben de ontwikkeling van nieuwbouw overigens niet in de weg gezeten, want vanaf de pont loop je nu in de armen van hoogbouw die door aardige architectuur wordt gekenmerkt, al moet je altijd afwachten of er kiespijn in het gebit van de tijd ontstaat, kijkend naar vlakverdeling, ritme van de bouwblokken, materiaaltoepassing en dergelijke. Roest als kleur, bijvoorbeeld, is nu heel modern, maar of we er over vijftien jaar nog steeds vrolijk van worden lijkt me een goede vraag.

Een portret van onze boot; duidelijk te zien is de vooruit varende voorkant.

Twee keer rechts vanaf de pont en nog een keer rechts de steiger op en we kunnen ons melden bij de bemanning van de River Dream. We zijn 25 minuten te vroeg, maar bij het doorlopen van de benedenruimte, voorzien van panoramavensters maar verder in niets verschillend van een verzorgde bingozaal inclusief barretje, op weg naar het bovendek blijken daar alle tafeltjes reeds bezet door een fraai multicultureel en –generationeel gezelschap. Her en der staan echter stapeltjes stoelen en we verwerven ons een luxeplekje aan de reling, grenzend aan de stuurhut, mede beschut door de vrij hoge kast die met een kleine sticker meldt dat er zich de zwemvesten in bevinden. Een win-winsituatie dus. Alles bij elkaar is er een mens of 80, 90 aan boord als we afvaren, terwijl de maximum bezetting, volgens aangeven van een bordje bij de entree, 220 personen betreft.
Het is 14.00 uur, tijd van vertrek, maar we pirouetteren het NDSM-haventje pas om tien over twee wat geen enkel probleem is omdat we toch nergens anders meer naar toe kunnen. E wint de weddenschap met welk deel van dit dubbel platform we vooruit zullen varen: de hut gaat als eerste. Meestal vaart zo’n schip met de hut achterop, maar enfin.

Van rechtsonder (NDSM-werf) naar linksboven en verder. ’t Is maar om een idee te geven…

Waar het IJ precies in het Noordzeekanaal overgaat, is niet opgenomen in de vooraf opgenomen toelichtingen die over het dek worden uitgezonden (de speaker bevindt zich boven de deur van de stuurhut dus we zijn de eersten die van alles op de hoogte worden gesteld en niet heel zachtjes). Eerst volgt echter een live uitgesproken welkom door de kapitein die ook nadrukkelijk meldt dat achter de bar beneden Marloes en Frits klaarstaan om ons te verwennen.
Het reiscommentaar is steeds gericht op wat er aan stuurboord te ervaren valt, dus we passeren als eerste de naar het westen uitwaaierende staart van de komeet die Amsterdam-Noord intussen geworden is. Die gaat, na wat vooralsnog landelijk gebied al snel over in het, vanaf het water in ieder geval, bescheiden Zaanse. Opvallend is, maar da’s ook meteen het laatste stukje Westzaan, een nieuwbouwcomplex op vierhonderd meter van de oever, dus niet heel precies te bestuderen, dat aan de zuidkant gekenmerkt wordt door een markante toren van een etage of vijftien waarachter laagbouw in een flauwe bocht naar het noordoosten wegdraait. Die toren zet de lage huizen met hun ongetwijfeld goedbedoelde tuinen op de mooiste delen van de dag dus in een permanente schaduw, ook nu.
Het wordt ons spoedig duidelijk gemaakt dat het kanaal met de hand is gegraven, mogelijk naar een idee, maar in ieder geval mede onder aanmoediging van Willem III die naar verluidt een rechte streep op de kaart trok van Amsterdam naar IJmuiden, dwars door de Velsense duinen. De romantiek van deze analoge klus moeten we geloof ik niet overschatten of verwarren met de aanleg van zoiets aardigs als het Amsterdamse Bos. Met mijn geringe talent om lengtes en breedtes te schatten vermoed ik dat we hier kunnen spreken van een kanaal van een meter of zestig breed, maar het kan gerust veel meer zijn. De blokken basalt die de oever bedekken en gaaf houden zijn vijftig bij vijftig bij vijftig centimeter, een achtste kubieke meter, dus, en die liggen er ook niet sinds gisteren. Ze hebben er dan ook elf jaar over gedaan, onder aansturing van een Engelse aannemer. Je zou het een kunstwerk kunnen noemen want eerst was het er niet en toen, na verloop van tijd, wel. Het verschil is dat we er nu overheen varen als de natuurlijkste zaak ter wereld terwijl ik voor een schilderij van Vermeer nog steeds in katzwijm val.

Johannes Vermeer – Brieflezende Vrouw, ca. 1663 – 46,5 x 39 cm – olieverf op doek | collectie Rijksmuseum, Amsterdam

Nabij ons zitten, ook aan de bakboordreling, twee jonge vrouwen. De éen, die Nederlandse is, heeft haar vriendin met wie ze Engels spreekt, ook met een stadspas uitgenodigd, zo weet ik af te luisteren, en tussen hen en ons in zit een donkere vrouw die af en toe met eenvoudige pogingen tot conversatie contact zoekt. Het bovendekse gezelschap is gemêleerd, maar lijkt niet heel erg aandachtig. De atmosfeer is er meer éen van een kinderwagen vol met kinderen die elk een dosis Oxazepam hebben gekregen, ongetwijfeld dankzij het overdonderend mooie voorjaarsweer. Wij vormen hierop geen uitzondering.
Dan komt Vrede in zicht. De locatie valt, eerlijk gezegd, nog onder Zaandam, dus ik schuif de landschappelijke panelen ietwat door elkaar, maar Vrede is indrukwekkend. Het is een breed gebouw in verder vlakke landerijen, volstrekt geïsoleerd direct aan het water gelegen, met aan de rechterkant een hoge toren. Het heeft niet de elegantie en verfijning van De Dageraad of Het Schip, maar valt zonder twijfel te plaatsen in de vroege Amsterdamse School. Door z’n formaat en isolement roept het associaties op met het hotel uit The Shining. Totaal gestoord is de intussen blauwe, vroeger gele, glijkraanconstructie over de breedte van het aanzicht van de gevel die duidelijk maakt dat er nog steeds aan, of voor, of met iets wordt gewerkt. Midden op het front van het gebouw maakt een reusachtig driehoekig, misschien zandstenen vignet de datering duidelijk: 1918. Het nu nog eenzame rijksmonument Vrede zal binnen afzienbare tijd zijn industriële functie verliezen, zo wordt ons gemeld. De komende jaren wordt haar wijde omgeving bouwrijp gemaakt voor 50.000 woningen of een aantal van vergelijkbare strekking. Ongetwijfeld zal Vrede door zo’n ambitieuze aanpak worden geanonimiseerd.

Boven ons varend zonneterras zweeft een tuinhommel die kalm constateren moet dat er voor haar of hem hier niets te halen valt. Hij zwenkt dus maar richting de oever, ons overlatend aan een gestage voortgang waarvan ik het aantal knopen niet kan schatten want knoopsgewijze snelheid gaat mijn petje te boven. Traag gaat het echter beslist niet, al varen we volgens mij elektrisch, te horen naar het rustige geluid van de motor. Verder valt er, dobberend of vliegend, weinig bijzonders te signaleren: naast opstijgende vliegtuigen (Schiphol ligt een kleine twintig kilometer zuidelijk) een enkele aalscholver, diverse soorten meeuwen en eenden, waaronder zelfs krak- en kuifeenden, die ik beiden graag zie, en onvermijdelijke duiven. Omdat er zo goed als geen wind is, behalve dan die door de River Dream’s eigen snelheid wordt opgewekt en die best tochtig voelt en waarom we ons na enige tijd wat meer achter de stuurhut verschuilen, is het water zo vlak als een dubbeltje, wat fijn is als je in het vooronder naar de WC wilt of er iets aan de bar wilt bestellen, al kan dat laatste ook aan dek omdat Marloes er af en toe rondloopt.
Wat ik van een haven verwacht op een dinsdagmiddag is dat je er heel veel schepen ziet die, hutjemutje naast elkaar, leeggehaald worden of gevuld door eindeloos veel lieden op de kant en op die schepen zelf. Ruimen, vol pallets met juten zakken gevuld met dit of dat (exotische geuren), die leegmoeten, af en aan rijdende heftrucks, een doorgaand ballet van kranen, stemmen die bevelen geven. En zichtbaar vervoer dat zal gaan zorgen voor het transport naar het achterland. Ik denk er nog net niet “Joho, en een vat vol rum” bij, maar ik zit duidelijk iets teveel in de sfeer van The Onedin Line. Ik neem niet aan dat drankgebruik usance is in dit uitgestrekte gebied, maar roken, zo blijkt uit de vele borden, schilden en spandoeken aan wal en op de schepen, is in ieder geval ten strengste verboden. Logisch, tussen de benzine en kerosine, natuurlijk, maar, hoewel het gevaar van een stofexplosie niet mag worden uitgesloten, tussen de cacao en koffie? Als we een zijhaven invaren, wat slechts twee keer gebeurt, moeten ook ik aan boord het roken staken, zo is ons aan het begin van de grote vaart nadrukkelijk verteld.

Voordat we voor het eerst zo’n afslag nemen passeren we eindeloze rijen containers, gerangschikt als een enorm regiment eierdozen, vol met benzine. En die staan natuurlijk niet éen rij diep langs de wallekant, maar tot diep in wat eerst een soort weilanden geweest moeten zijn. Voor de 2de wereldoorlog stonden er ook van dergelijke buitenproportionele dozen die indertijd door het verzet zijn opgeblazen om de Duitsers het gebruik van de inhoud ervan te verhinderen. Ze zijn allemaal genummerd (“157” staat me bijvoorbeeld bij), maar zonder emblemen erop. Opmerkelijk vond ik om te horen dat de subtiele verschillen in de mix per merk ook in de haven worden gemengd. Daarnaast zijn er vele gevuld met kerosine die, over een afstand van 16 kilometer, gewoon direct naar Schiphol wordt gepompt, het is me wat. Dat laatste moest me doen denken aan het café op de hoek van de Ferdinand Bolstraat en de Stadhouderskade, aan de andere kant van de toen nog werkzame brouwerij, dat jaren lang een bord buiten had staan waarop de mededeling: “Wegens directe leiding altijd vers bier!”.

We draaien linksaf zo’n zijhaven in met als gevolg dat aan bakboordzijde zich een onafzienbaar landschap ontwikkelt van zeecontainers. Die zijn natuurlijk naar de zee genoemd omdat ze er overheen getransporteerd worden. Op de snelweg of in de buitenwijken zie je er wel eens éen (1) op een vrachtwagen voorbij komen en op het NDSM-terrein waren er studenten in gehuisvest, maar de stapelingen hier overstijgen elke vorm van hoge nieuwbouw, aan land of op de schepen die ze komen brengen of afhalen. Om er op een meter of 30, 40 langs te varen is beangstigend imposant. Toch wordt er veel van wat wij gewoon vinden over woelige baren mee vervoerd, uit de Oost of uit de West. Je kan je je ook voorstellen dat wanneer zo’n lading, ondanks zorgvuldige stapeling, aan het schuiven gaat, het schip en zijn bemanning het niet gemakkelijk hebben. En er blijkt iemand op het idee gekomen te zijn, zo wordt er omgeroepen, om zeilen dan weer bovenop die containers te plaatsen zodat de wind zijn partijtje in de voortstuwing meeblaast. Over origineel gesproken… Het schijnt nog te helpen ook.
Dan passeren we iets dat vooralsnog mijn idee van een boot overstijgt: het is een boot die, als een op haar rug liggende poes, reusachtige poten omhoog lijkt te hebben, maar dat blijken een soort pilaren te zijn die met raderen en kartels naar beneden kunnen worden gedraaid om dan als steunen te dienen op de zeebodem zodat de boot een tijdelijk platform wordt van waaruit, met allerlei andere uitstulpingen en mechanische toestanden van formaat, hulp geboden kan worden of herstelwerkzaamheden verricht aan iets anders buitenproportioneels. Ik ben een beetje bang voor veel water en dit varend Zwitsers zakmes, want zo moet je het eigenlijk noemen, maakt die angst nogal voelbaar.
Na een korte reis langs nog wat op- en overslagterreinen op de wallekant draaien we links een tamelijk petieterig broertje van deze zijhaven in en mogen genieten van twee daar, vrijwel klaar voor levering, gelegen superjachten waar we een minuut of 4, 5 blijven hangen. Een soort tantaluskwelling die onze kapitein ons oplegt? Niet iedereen op het schip vaart mee met een stadspas, maar het is natuurlijk duidelijk dat niemand zich zo’n fantasiesloepje kan veroorloven want anders lieten ze er zichzelf wel in vervoeren. Op éen ervan zijn luchtig geklede jongelui bezig met het oppoetsen van het messing en chroom en volgens mij een andere met het installeren van de geluidsinstallatie, want je zal midden op zee maar zonder zitten, al kan ik wattage en merk even niet thuisbrengen.

We keren om, weer een pirouette, en varen terug naar het Noordzeekanaal. Min of meer op de hoek worden we gewezen op het hoofdkantoor van De Gouden Ploeg.
Van mijn eenmalige zeilervaring tijdens mijn middelbare-schoolperiode herinner ik me dat een omhooggevallen touwtje om de boot aan wal te verbinden een landvast wordt genoemd. Nou, dat is waar de werknemers van De Gouden Ploeg in zijn gespecialiseerd: een boot aan het land vast leggen. Honderd jaar geleden was dat al een heel gedoe, want het ging natuurlijk niet om bootjes waarmee de gemiddelde recreant de grachten opgaat. Dappere mannen voeren de schepen tegemoet om de trossen zo dik als mijn bovenbenen aan te nemen en de schepen naar de haven te begeleiden om ze aan de wal te fixeren. Ze voeren daarvoor op een vlet, een sloeperig niemendalletje, en werden daarom Vletters genoemd, in Rotterdam Roeiers en tegenwoordig vaak Bootmannen (zonder “s” erin, dus). Je zal misschien denken dat je er geschikt voor bent na vijf jaar lang vuilnisman of advocaat geweest te zijn, maar nee: er staat een 3-jarige MBO-opleiding voor en vergt dus kennis en vaardigheden die overstijgen dat je een touw om een metalen bol kunt werpen, want hun functie begint soms reeds kort na de zee om een schip een beetje fatsoenlijk het havengebied binnen te brengen, waarvoor niets dan lof (na mijn tekst volgt een uitgebreid artikel over dit beroep uit Het Parool)

Een vletter aan het werk op de wal; de Barnett Newman op de achtergrond zou het schip kunnen zijn | Foto Het Parool: Niels Blekemolen

Nu lijkt het me wel tijd voor een biertje en voor E een kopje Groene Citroenthee, dus ik begeef me benedendeks. Om nou te zeggen dat Frits en Marloes geroutineerd zijn in horecahandelingen, mwah. Goedgehumeurd, dat wel. Maar het schiet niet erg op en Frits, die blijkbaar een krokettenbestelling heeft lopen, moet eerst een reeds geprepareerd broodje ham en idem broodje kaas van hun beleg ontdoen om daarop de zo te zien te lang gefrituurde kroketten een plaats te geven. Andere “warme snacks” staan dan reeds enige tijd op de bar op Marloes te wachten. Maar zonder problemen krijg ik uiteindelijk mijn eigen bestelling mee en loop die zelf naar boven terwijl achter mij aan Frits komt met een broodje kroket voor de kapitein. Ondertussen passeren we opslag en verwerking van oud roest, oud bouwpuin, oude autobanden en oud asfalt, allemaal voor de recycling. Eerder al werd ons verteld dat het grootste deel van de cacao voor eerlijke prijzen afgenomen wordt van boeren in Afrika en Zuid-Amerika, dat de opgeslagen brandstoffen de komende jaren vervangen zullen worden door bio-spul, en dat meerdere bedrijven, wat energie betreft, zelfvoorzienend zijn of zullen zijn, binnenkort. En natuurlijk dat de uitstoot van gemene gassen en poeders reeds tot een minimum is teruggebracht en dat dat, al zagen we ze niet, door vliegende en varende drones in de gaten wordt gehouden. Ten opzichte van de Port of Amsterdam moet de gemiddelde Canta zich geloof ik schamen.
Nu komt Marloes weer boven en verstapt zich halverwege de lengte van het dek en kiept een dienblad met glazen bier, fanta en cola in de schoot van een kwieke vrouw van voor in de zeventig, gekleed in een verrassend luchtige jurk. Dit leidt gelukkig niet tot een enorme opstoot, want alles wordt in der minne geschikt voor zover ik over een afstand van vijftien meter kan zien. Intussen zijn we het Noorzeekanaal weer opgedraaid zodat in een bescheiden verte onze vertrouwde stad weer in zicht komt.
Maar eerst passeren we een monster: de onder Panamese vlag varende en zich schip noemende Baby Hercules, zeker en vast ook door vletters aangemeerd. We komen er dicht bij, of eigenlijk onder en ze is afgrijselijk groot. Baby Hercules is een bescheiden 43 meter breed maar 240 meter lang. De hoogte is natuurlijk afhankelijk van de belading en hier in de haven is ze duidelijk leeg: minstens zo hoog als breed, maar ik vermoed hoger: je zou het een vorm van pronkgedrag kunnen noemen. En ik heb het zojuist even opgezocht: ze vertegenwoordigt een waarde van $ 27.000.000,00. Iets meer vermoed ik dan elk van die eerder luxe jachten.

Baby Hercules, volgens mij in beladen staat | Foto: Peter Beentjes – MarineTraffic.com

Aan wat nu het nieuwe bakboord is geworden doet zich in ene bouwactiviteit voor en bij een medepassagier doemt de vraag op wat dat gaat worden. Omdat de vooraf opgenomen teksten, die kort tevoren per abuis twee keer, éen keer juist en éen keer fout, de aflever- én ophaalplek van Japanse auto’s lokaliseerde, immuun zijn voor vragen, blijkt ook de kapitein het antwoord schuldig te moeten blijven. Architectonisch belooft de nieuwbouw niet veel goeds, maar tegenwoordig weet je het nooit met al die verschillende vormen van oppervlakkig afwerking. Ambitieus is het in ieder geval niet.
Opvallend is dat in het hele gebied dat we vanmiddag doorkruisen niet heel veel mensen waar te nemen vallen. In mijn herinnering terugtellend kom ik niet veel verder dan een stuk of twintig, waarbij ik voor mij onzichtbare kraandrijvers meereken. En dat terwijl het een gewone door-de-weekse dag is en je dus veel meer zichtbare menselijke bedrijvigheid zou verwachten. Veel moge dan geautomatiseerd zijn, maar toch…
Nu moet onze kapitein plassen want Frits komt naar boven om het roer over te nemen. Om z’n klus helder te krijgen vraagt Frits: “Waar gaan we naar toe?” waarop Kappi zonder omhaal van woorden zegt: “Nou, gewoon, rechtdoor”. Frits heeft op beide schouders bandjes met vier aluminiumkleurige streepjes, maar dat kan goed zijn om de bezoekers aan de toog mee te imponeren. Menig bestuurder van een bootje in de Amsterdamse grachten heeft een pet op die meer aan autoriteit doet vermoeden dan eronder schuilt. De vier gouden strepen van Kappi boezemen me meer vertrouwen in. Maar de kapitein is terug voordat we het REM-eiland rammen. Die voormalige zetel van TV-Noordzee blijkt volgens de omroepinstallatie, vooral voor een culturele bestemming, op dit moment beschikbaar te zijn want de laatste horeca-entrepreneur heeft niet lang geleden het bijltje er bij neergegooid. In het NDSM-haventje, waar ook het Veronica-schip zijn laatste ligplaats heeft gevonden (twee piraten op roepafstand van elkaar) komen we weer veilig, achteruit inparkerend, aan.

Het lijkt wel alsof er bijna niks gebeurd is vanmiddag, zo gemoedelijk was het allemaal, dus we bedanken de kapitein en Frits en Marloes hartelijk. Bij het van boord gaan blijkt het waterniveau 50 centimeter gezakt te zijn ten opzichte van eerder die middag. Eb en vloed hebben effect op de waterhoogte van Het IJ.
Alles is dus zo ver weg en zo dichtbij, net als die havens waarover ik, en dat weet ik nu zeker, uitkijk vanaf mijn Westerdokseiland.

o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o

Voor de liefhebbers van het échte havenwerk volgt hier een artikel door Lex Boon, dat ik uit Het Parool van 23 februari 2019 heb overgenomen, over de Bootmannen in de Amsterdamse Haven:

De ‘vletters’ van De Koperen Ploeg maken zeeschepen vast en los

Het vastleggen en losmaken van zee­schepen oogt simpel, maar is fysiek zwaar, zeker bij slecht weer. De vletterlieden van De Koperen Ploeg doen het 24 uur per dag. ‘Alles is hier leuk aan.’

Diep in het Westelijk Havengebied – en toch hemelsbreed slechts acht kilometer van CS – bedient een vletterman de kraan. Daarmee worden vanaf de kade de pallets met proviand voor de bemanning van olietanker Seamuse in transportponton Supplier 1 gehesen. Daar staat een andere vletterman gereed om straks de flessen water, de dozen diepgevroren vlees en de honderden kilo’s aan verse groente en fruit naar de Usselincxhaven te brengen. Op de kade zijn meerdere vlettermannen in de weer met het papierwerk voor de vrachtwagens, die voor het hek in de rij staan, wachtend om te mogen lossen. Intussen brengt een vletterman een nieuwe laag zwarte verf aan op de reling van de KP10, een van de zestien vaartuigen. En in de controlekamer monitort de wachtsman het scheepvaartverkeer in de Amsterdamse haven, om te kijken of er al een vlet in actie moet komen.

Bikkelhard
De vletterman, meervoud vletterlieden; het klinkt misschien als een uitstervend beroep, maar op de kade van de Capriweg zit het hoofdkwartier van een van de vele radertjes die 24 uur per dag in de Amsterdamse haven doordraaien. Dit is De Koperen Ploeg, een coöperatie van zestig mannen die op elk moment van de dag klaarstaan om zeeschepen aan te meren en los te gooien.
Lange tijd, al ver voor de opening van het Noordzeekanaal in 1876, waren er vletterlieden actief in Amsterdam. Ze stonden bekend als vrijbuiters. Sterke mannen, die er geen probleem mee hadden om door ruig weer te roeien om met de zware, armdikke trossen te slepen. Of een concurrent soms een klap te geven. De strijd op het water was namelijk bikkelhard: er waren meerdere ploegen en gelegenheidsroeiers actief, die allemaal als eerste bij een schip probeerden te komen. Wie als eerst aan boord was, kreeg de klus. Dat veranderde toen in 1926 De Koperen Ploeg werd opgericht, een vereniging waar uiteindelijk alle verschillende vletterlieden zich aansloten. In 1965 werden de laatste roeiboten omgeruild voor de snelle en wendbare motorvletten, die worden gebruikt om de trossen van de binnenkomende zeeschepen om de bolders op de kade, of de palen in het water, te leggen. En als de kapitein besluit te vertrekken komen de vletterlieden weer om de touwen los te gooien.

Toen hij nog jong was, en zijn vader kapitein op een havensleepboot, kreeg Michael Schotte (50) al – zoals hij het noemt – het havenvirus. Enthousiast was hij vooral over de vletterlieden, op hun kleine vletten. Zeventwintig jaar geleden, na een korte carrière bij de Koninklijke Marine, werd hij lid van De Koperen Ploeg. Nu is hij voorzitter.
Tijdens de rondleiding over het terrein noemt Schotte zijn collega’s soms vletters in plaats van de vletterlieden, of heeft hij het over bootmannen – een verbastering van de Engelse term boatmen, hoewel in buitenlandse havens ook vaak de term linesmen wordt gebruikt. “En in Rotterdam hebben ze het nog steeds over roeiers,” zegt Schotte. “Maar in elke haven ter wereld is het werk hetzelfde. Een scheepsbemanning weet alles van het schip, maar niets van de plaatselijke omstandigheden. Daarvoor hebben ze hulp nodig. De loods helpt met navigeren, de sleepboot met manoeuvreren en de vletterlieden helpen met de trossen. Dat is tachtig procent van ons werk.”

Schroefwater
Schotte had geadviseerd om vooral eens in de winter langs te komen. Bij veel wind, regen, hagel of sneeuw moeten de vletterlieden echt gebruikmaken van hun schipperskills. Ze moeten rekening houden met de stroming van het water, de wind en het schroefwater, en altijd alert zijn op de risico’s: dat de kleine vlet wordt gekraakt tussen kade en de vaak honderden meters lange, volgeladen schepen, bijvoorbeeld.
Vandaag is het alleen een prachtige, zonnige februaridag. Bovendien is er – ondanks dat elk jaar ruim 7500 zeeschepen arriveren in de Amsterdamse haven – voorlopig geen schip op de radar dat komt aanmeren of vertrekt.

Vrouwen zijn welkom
“Ons werk is eigenlijk niet te plannen,” zegt Schotte. “Dus moeten we op elk moment van de dag klaarstaan.” Daarvoor werken ze met zes ploegen van tien man de klok rond. De mannen – vrouwen zijn welkom, benadrukt Schotte, maar er heeft er nog nooit een gesolliciteerd – draaien in 48 uur achtereenvolgens een nachtdienst, een avonddienst en een dagdienst. Daarna zijn ze 72 uur vrij.
Als het in de nacht rustig is, kan een deel van de ploeg blijven slapen, maar overdag is er altijd wel wat te doen. De pallets vol voedsel, waar nu iedereen op de kade druk mee is, maakt deel uit van een andere activiteit van De Koperen Ploeg: het provianderen van schepen, die na de stop in Amsterdam soms weken achtereen op zee zijn.
Dan meldt de wachtsman vanuit de controlekamer dat er bij de Hornhaven een schip bijna gereed is om te vertrekken. Een paar minuten later varen Danny Hogendorp (45) en Stef de Bast (55) met de KP16 door de Westhaven, langs koelschip Green Selje, waar een lading diepgevroren vis wordt gelost.
Aan de andere kant van het water liggen heuvels zwarte steenkool uit Colombia, bespoten met een witte laag cellulose om wegstuiven tegen te gaan. Opeens is daar de geur van cacao, waarschijnlijk afkomstig van de containers op de kade. Verderop wordt schroot geladen dat vermoedelijk naar Turkije gaat.
“Wat maakt mijn werk níet mooi, dat kun je beter vragen,” zegt De Bast, terwijl hij over het rustige water staart, waar de zon op weerkaatst. En zelfs over dat antwoord moet hij even nadenken. “Dat is toch het weer hè. Dat je ook van die weken hebt dat het maar blijft regenen.”
De Yangtze Flourish lost grote rollen staal. Uit de laadklep van de Nordic Ace rijden achter elkaar Nissans de parkeerplaats voor nieuwe auto’s op. En verderop ligt de chemische tanker Celsius Birdie te wachten, na het lossen van een lading ethanol. Nu is hij klaar om een nieuwe lading op te halen in Hamburg en daarna naar de Verenigde Staten te varen. Alleen: hij ligt nog aan tien trossen vast.
Uit de boeg van het 157 meter lange schip stroomt het water, bedoeld om de winches te koelen waar de trossen mee naar binnen worden gehaald. Matrozen lopen over het dek, bezig met de laatste voorbereidingen voor vertrek. Op de brug staat een kapitein met tulband, daarnaast de Nederlandse loods die het schip tot voorbij de sluizen in IJmuiden zal begeleiden. De havensleepboot is vastgemaakt.

Ogenschijnlijk simpel
Als de valreep is opgehaald, het papierwerk is afgerond en de verkeerstoren in IJmuiden toestemming heeft gegeven voor vertrek, komen de trossen slap te hangen. De Bast klimt op de paal – een dukdalf – gooit de drie trossen in het water en vaart met de vlet daarna snel naar de andere kant van het schip. Daar worden de andere trossen losgegooid.
En dat was het: de uitgebreide 24 uursoperatie van de Koperen Ploeg draait uiteindelijk om deze, ogenschijnlijk, simpele handeling. De sleepboot doet vervolgens zijn werk, en helpt de Celsius Birdie weg te draaien van de kade. Daarna vaart het langzaam de Westhaven uit, het Noordzeekanaal op.
“Vastmaken is spectaculairder dan losgooien hoor,” zegt Schotte. “Zeker in de nacht, of als het stormt. De moeilijkheidsgraad hangt af van de locatie en omstandigheden. Er zijn ook weleens tankers van 300 meter, die aan 6 meter hoge steigers aanleggen, met trossen van staal waarbij je zestig tot tachtig kilo moet slepen.” Alleen is de verwachting dat er vanmiddag geen schepen zullen aankomen of vertrekken. “Het hele jaar is het ronkend druk, maar soms heb je van die dagen,” zegt Schotte. “Misschien moet je op een ander moment nog eens terugkomen.”
Een paar dagen later is het even voor middernacht als de Bow Pioneer door de sluizen bij IJmuiden gaat. De 227 meter lange tanker voer vorige maand nog in Brazilië, en is nu onderweg naar de Amerikahaven.
“Die is over een uur wel daar,” zegt Sebastiaan Plug (32), wachts­man in de controlekamer. Opgegroeid met uitzicht op de sluizen in IJmuiden kende hij al het werk van de vletterlieden. Na de mavo, de havo en baantjes in de vis en de horeca, meldde hij zich aan. In Amsterdam was uiteindelijk plek, dertien jaar geleden.
Terwijl hij zijn verhaal vertelt komen Michael Tijsmans (38) en Menno Doornbos (43) de controlekamer binnen voor hun nachtdienst. Als op het scherm te zien is dat de Bow Pioneer de Amerikahaven indraait, gaan ze naar een van de rode auto’s – boatmen, staat er tussen de zwaailichten – en rijden ze naar een steiger in de Australiëhaven. Om overal zo snel mogelijk te kunnen zijn, liggen de vletten van De Koperen Ploeg verspreid over de haven.

Kleine lichtpunten
Overdag heeft het varen door de haven vooral een verwonderend effect, nu is het vervreemdend. Het enige wat in het duister te zien is zijn kleine witte lichten op de aangemeerde schepen en op de kades, alsof je door een sterrenhemel vaart. Het is windstil, maar ijskoud op de KP14. Tijsmans wijst op drie lichten die in de verte langzaam voortbewegen. Als de KP14 het schip nadert, blijkt onder de kleine lichtpunten een gigantisch gevaarte te zitten dat langzaam opdoemt. Het donkerrood van het schip kleurt felrood, naarmate de vlet dichterbij komt. Door het duister vliegen spierwitte meeuwen, die hoog in de lucht het werklicht van de Bow Pioneer weerkaatsen. Twee sleepboten draaien – ‘zwaaien’ – het schip, zodat het met de achterkant bij de terminal komt te liggen. “Dan kan hij bij een calamiteit meteen wegvaren,” zegt Doornbos, die al op de voorkant van het vlet staat om zo de trossen op te vangen. Na het draaien stuurt Tijsmans de vlet langszij, en legt hem tegen de grote, rode metalen wand aan. Tientallen meters hoger verschijnen de hoofden van een paar bemanningsleden, die twee trossen laten zakken.

‘Charlie, Charlie’
Doornbos wijst. “Als je goed kijkt, zie je in de verte onze collega’s op de KP5. Die doen de andere kant van het schip.” Pas na een halve minuut staren zien we de contouren van de KP5. Het laat zien hoe klein de vletten zijn, vergeleken met de gigantische tanker. Op de vlet zet Tijsmans de dikke trossen vast in een klem, terwijl hij luistert naar de marifoon waarmee hij contact houdt met de loods en de sleepboten. Als de Bow Pioneer op de juiste plek ligt, vaart hij naar de paal in het water. “Charlie, Charlie, more slack,” schreeuwt Tijsmans naar de bemanning, om aan te geven dat ze de lijnen moeten laten vieren. “Ik noem bemanningsleden Charlie, dat werkt altijd.” Intussen heeft Doornbos de lus van de tros om zijn nek gelegd, en zwiept hij hem in één beweging over de paal. Daarna volgt de tweede tros. Terwijl Tijsmans de vlet naar een veilige plek vaart, beginnen de trossen te kraken als de Bow Pioneer ze binnenhaalt. “Ken je het gevoel van een elastiekje dat in je hand knapt?” vraagt Doornbos. “Dit zijn mega-elastieken. Er staat zo veel spanning op dat ze in een keer je ledematen kunnen doorsnijden als ze knappen en jij in de lijn van de tros staat.” Nu de eerste trossen vastzitten, zijn de sleepboten nog een paar minuten bezig om de Bow Pioneer op de exacte plek te krijgen.

Gek van de haven
Tijsmans vertelt dat hij het werk sinds 2000 doet, maar dat hij als achtjarige verliefd werd op de haven. Een oom die op een sleepboot voer nam hem eens mee. Een paar jaar later belde een buurman aan, een vletterman. Michael was toch zo gek van de haven, wilde hij niet een keer meekijken met het meren?
“Het is hard werken,” zegt Tijsmans, “maar ik zou niet anders willen. Het meren en ontmeren, het zijn kleine handelingen, maar we maken deel uit van een team in de haven dat het echt samen doet. De loodsen, de sleepboten en wij. Als een schakel ontbreekt, gaat het mis.”

Vrijheid
Doornbos voer eind vorige eeuw zelf op de zeevaart. Met de reder had hij afgesproken dat hij voor de millenniumwisseling naar huis zou kunnen, maar toen die belofte niet na werd nagekomen, nam hij ontslag.
“Ik heb overal ter wereld met vletterlieden gewerkt, dus ik wilde het ook weleens van de andere kant zien. Best fijn, zei mijn vriendin na een paar weken, dat je nu vaker thuis bent. En dat was dat.” Soms, als hij aan boord is van een groot schip, mist hij de zeevaart nog wel, maar de vrijheid van nu bevalt hem ook goed. De Bow Pioneer zal met nog wat meer trossen worden vastgelegd, waarna Tijsmans en Doornbos terugvaren. Daarna volgt nog een schip. Een ‘EV’tje’, kregen ze net door van Plug in de controlekamer. Eigen Vervoer, wat betekent dat ze daarna door naar huis kunnen. Bijslapen, voordat de volgende dienst begint.

Aha!, ‘t is een Landschap!

Dit is een stuk dat ik schreef in september 2019 na een bezoek aan vrienden. Het is een enorme lap tekst, maar ik heb er, naar mijn idee succesvol, mijn best op gedaan.
Vooralsnog geen illustraties, want bij een telefoonwissel is mijn hele beeldarchief naar de ratsmodée gegaan.
So here we go!

o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o

Water en bergen: van geen van beide ben ik een groot liefhebber. Van kraanwater wel, in Amsterdam, maar ook in Zwitserland van zeer hoge kwaliteit. En ook van de duinen waarin ik als jonge onderzoeker, verrekijker om mijn nek en Zien is kennen (voor de vogels) in m’n jaszak, vaak te vinden was. Ook probeerde ik daar planten heel goed te onthouden, soms met behulp van een loep, om die later thuis te proberen te determineren in de Geïllustreerde Flora van Nederland van Heimans, Heinsius en Thijsse, die veel te dik en te zwaar was om op de wandeling mee te dragen. Zo heb ik bijvoorbeeld het Slangenkruid en de Teunisbloem leren kennen. En een duinmeertje vond ik machtig mooi, met zijn Kluten en Bergeenden, maar de zee heeft voor mij altijd enge kanten gehad.

Nu zit ik echter elders, namelijk op een heel groot terras waarin een fors zwembad is uitgespaard en ik kijk, vanaf honderdvijftig meter boven het oppervlak, uit over het Lago Maggiore met een repoussoir van bloeiende oleanders, laurier en de kroon van een plataan die een stuk lager geworteld is. Dit overdreven grote meer, de naam geeft slechts een indicatie, ligt voor twintig procent in Zwitserland, namelijk het stukje waaraan ik me bevind, en de rest in Italië. De blik naar links zwenkend brengt de stadjes Ascona en Locarno in beeld. Die namen klinken Italiaans, maar ze zijn Zwitsers. Het zijn eigenlijk meer omhoog vallende dorpen, zeker vanuit mijn punt van waarneming, ondanks alles wat ze daar sinds tijden aan feesten, festivals en partijen organiseren. Naar rechts kijk je een onmetelijke afstand over het meer, naar Italië.
Zelfs bij heiig weer blijven de onvoorstelbare Alpen waarin het meer gegoten is overal zichtbaar, tenzij er ergens sprake is van echte mist, want dan blijkt soms, bij puntsgewijze controle, een hele vallei kwijt te zijn.

Ik ben te gast bij mijn lieve vrienden Susan en Adrian. De laatste heeft, samen met een vooraanstaande Zwitserse architect, vijftien jaar geleden, het bij het terras behorende huis ontworpen en gebouwd. Het resultaat is dan ook terug te vinden in enkele publicaties over ’s werelds mooiste huizen en het is een genot om er in en er bij te verblijven.
Zoals het hoort is over alle details nagedacht, vooral door Adrian, die zijn poot bijvoorbeeld stijf gehouden heeft wat betreft de aanwezigheid van inpandige verlichting of van zonwering, want dat vond de architect maar verstoringen van de gaafheid van zijn creatie (het huis ligt met zijn lange zijde, uitkijkend over het meer, op het zuiden en die kant is in vier glaspartities verdeeld waarvan er steeds éen over een andere open te schuiven is, soms wel met enige moeite). Dat er, voor de vloer, een te zachte houtsoort werd gekozen en die geen hakken, van mannen noch vrouwen, of hondenpootjes for that matter, verdraagt, had Adrian niet zien aankomen. Blote voeten, dus, of sokken.
Wel erg mooi, evenals al het andere hout dat voor de definiëring van het interieur is uitgezocht; voor de kolommen, de wanden en de plafonds, dus. Opmerkelijk is dat de rangschikking van de tien halogeenlampjes boven de grote tafel, waaraan we ’s avonds in het latere donker zitten te praten en gekoelde rode wijn drinken, indertijd nog bedacht is door mijn ex-vrouw. Alles samen een ruime, fraaie Wohnmaschine in twee etages, maar zonder de beperkingen van Le Corbusier, behalve dan de plafondhoogte die de door hem geïdealiseerde twee meter twintig niet te boven gaat, al wordt je daar in het geheel niet door terneer gedrukt.
Naast een kleinere, ongedateerde papiercollage van de mij onbekende kunstenaar Valenti op de kamer waar ik voor het logeren ben ondergebracht, is het enige andere kunstwerk in huis een enorm groot niet figuratief schilderij uit de jaren zestig, beneden op de achterwand, van de Amerikaanse schilder Kenneth Noland. Het is een meter of vier breed en ongeveer éen meter vijftig hoog. Ongelooflijk intrigerend door het schijnbaar mathematisch ritme in de strakke, horizontale, eigenlijk landschappelijke banen die het werk bepalen en ongelooflijk mooi, onder andere door de keuze voor lichte pasteltinten van die banen, hoewel een aantal daarvan, de smalste, vorm krijgt door het onbewerkte canvas.
Wanneer ik de eerste ochtend ontwaak is het zicht vanuit mijn schuifwand, kort voordat ik me realiseer waar ik verblijf, even een billboard: de bergen als extreem grote kussens op het bed van Felix Gonzalez Torres.

Enfin, ik zit op het terras, regelmatig de omgeving afspeurend. De eerste dag deed ik dat in de zon, maar dat is af te raden. Volgens mij verdubbelt het water de dosis Uv-straling en ik raakte, mijn kop in ieder geval, behoorlijk verbrand. Nu dus in de schaduw van de overkapping die over het huis en een deel van het terras steekt. (de constructie van die overkapping moet je echt zelf zien en ervaren, want in schrift uitleggen is me te ingewikkeld, of zo eenvoudig dat het eigenlijk platvloers wordt; denk voor het gemak maar aan een betonnen haakse schelp).
Het is het eenvoudigst om, opkijkend uit het boek dat men aan het lezen is (in mijn geval een humaan construct over wat mogelijk is in menselijke relaties in de huidige Verenigde Staten van Amerika, niet echt iets belangwekkends), gewoon eerst maar weer eens naar de overkant te kijken. Daar gebeurt waarschijnlijk ongeveer hetzelfde als aan onze kant, namelijk erg weinig, al heb je er hier geen weet van, want ons huis voelt totaal geïsoleerd: geen inkijk en vrijwel geen zicht op andere onderkomens en geen bemoeienis, behalve met elkaar. Die overkant behelst, evenals ons dorpje Ronco Sopra Ascona er éen is, meerdere nederzettingen die ongetwijfeld namen hebben, maar die ik niet ken. Groeperingen van huizen, dicht op elkaar gebouwd, die zich vooral aandienen als microscopische versies van de bergachtige omgeving van een modelspoorbaan. Tinten van gevels en daken zijn meestal wel engszins thuis te brengen, maar meer valt er niet aan te bespeuren. Het is eerder een waas van bebouwing, geschilderd door een zuinige impressionist.

Op mijn vraag aan Adrian, die een paar meter bij mij vandaan zit, hoe ver het daar weg is antwoordt hij, nauwelijks opkijkend van zijn Frankfurter Allgemeine (of Süddeutsche Zeitung): zeven kilometer. Ik meen te moeten opmerken dat ik niet de breedte maar de diepte van het stuk meer voor ons bedoel, waarop Adrian zijn antwoord eenvoudigweg herhaalt. Kanonnen!, denk ik, geen wonder dat ik zelfs met de verrekijker, die tot zestien maal vergroten kan, daar geen mens achter de geraniums kan zien zitten, terwijl ik me tevens realiseer dat ik het schatten van grotere afstanden niet in mijn talentenpakket heb zitten.
Op een enkele uitzondering na houd de bebouwing van de Alp na ongeveer een kwart van de hoogte op en neemt het bos het over. Dat bos dient zich, van waar ik zit, vooral aan als mos. In dat woud, wat het toch echt moet zijn, wonen herten en wilde zwijnen. In het groen zijn ook een paar uitsparingen waar te nemen, de meeste amorf van vorm, waarschijnlijk ontstaan door steenval. Eén daarvan heeft de vorm van een man, hoofd omlaag, armen iets van het lichaam en benen gestrekt omhoog, als in een vrije val. Of ik die al gezien heb, informeert Susan. Maar natuurlijk, zeg ik, want er ontgaat me weinig, geloof ik. Bijvoorbeeld ook niet dat soms de hagedissen op het terras elkaar met een bijna suizende snelheid achterna zitten, wat zij en Adrian dan weer nooit hadden opgemerkt. Op een meter of drie, vier zien de reptieltjes, want groot zijn ze niet, elkaar en strijden om het terrasterritorium dat ze toch samen bewonen. Er woont ook een kleine wespensoort, die een nest aan het bouwen is aan de voet van het tuintafeltje waaraan Adrian, dagelijks vanaf een uur of éen, met een pot thee en een halve citroen en in de volle zon, zijn kranten leest. Deze wespencellen, -huisjes, zijn op het oog en van nabij bekeken tussen twee terrasdelen door, groter dan de woningen aan de overkant. Het is geloof ik niet de stekende soort. En ze hebben een lichtgroen zweem over het reguliere geel-zwarte patroon, mooi wel, maar anders dan bij ons. Ze vertonen eigenlijk geen enkele vorm van agressie; een soort Bonobo’s in het rijk der zespotigen, dus. Een enkele keer zweeft, op enige afstand, een hoornaar elegant voorbij en regelmatig moeten we hulp bieden, vaak binnenshuis, aan scarabeeën, die op hun rug liggend, wanhopig met haar of zijn pootjes in de lucht kroelen en niet meer overeind komen kunnen; eigenlijk een mislukking in Darwin’s schetsboek.

Leuk natuurlijk, dat dierlijk gedoe, maar alles bij elkaar is de reikwijdte van de fauna hier toch bedroevend: behalve een acceptabel aantal oeverzwaluwen die op ooghoogte voorbij scheren, meestal geluidloos, maar af en toe schreeuwend, en een enkele mus, valt er op vogelgebied weinig waar te nemen. Okay, toegegeven, af en toe een paar bonte kraaien, een verdwaalde Vlaamse Gaai soms een duif, die hier, ik weet ook niet waarom, totaal misstaat. Eigenlijk had ik magistrale adelaars verwacht die Bambi’s uit het bos roven, maar behalve het silhouet van een soort havik of valk, kortstondig, hoog boven het huis, wordt ik, wat de waarneming van roofvogels betreft, een buse variable bijvoorbeeld, op niks getrakteerd.
Wel op sprinkhanen (hoewel toennet het gras rondom het terras met veel kabaal door een heel gezin: vader, twee zoons, éen dochter, gemaaid en opgeruimd is, dus die groene fantasieverschijningen zullen hun heil nu wel een tijdje elders zoeken) en ook op wat bedrijvig gefladder van koolwitjes en een paar identieke, voor herkenning te vlotte, vlinders waartussen, en ook maar éen keer, een Koninginnepage, adel verplicht, statig langs zeilde en die ik daarom nauwkeurig kon thuisbrengen; Wo dein sanfter Flügel weilt, zeg maar. Er zijn wereldwijd meer dan honderdvijftigduizend soorten in de orde der Lepidoptera beschreven, dus een ietsie pietsie groter aanbod had ik voor hier wel in gedachte gehad.

Nee, dan het volgende: enkele jaren geleden is een iets lager gelegen terrasje korte tijd bewoond geweest door een groepje van vijf of zeven wilde zwijnen, die hun plateautje grondig overhoop haalden. Aan de vrijwel verticale rotswand langs de lange schaduwzijde van het huis, van een meter of dertig hoog die, na behandeld te zijn met Spritzputz, in de loop der jaren heel mooi begroeid is, is er boven ook een woud, waarvan een gedeelte aan Adrian’s Grundstück toebehoort. Daar vandaan had het wild blijkbaar zijn heil eens iets lagers gezocht, voor de verandering. Hoe ze van boven naar beneden zijn gekomen blijft voor eenieder een raadsel, maar hoe dan ook: je wilt zulke biggen in je repoussoir niet zien rondscharrelen. Dat is sindsdien ook niet meer voorgekomen en bovendien waren ze opeens, van de ene dag op de andere, verdwenen. Deze Kurzgeschichte is geheel gebaseerd op een verslag van de toenmalige, doodsbange gasten, want Adrian en Susan waren gelukkig thuis in Duitsland en daar klimt op z’n hoogst een eekhoorn in de dubbele Ginko, als Pola tenminste niet eerder ingegrepen heeft.
Gedomesticeerde dieren zijn er hier wel veel, vooral honden. Adrian en Susan hebben dus Pola, een Schnauzertje of iets in die richting, die zich, na enig geharrewar, aan mij gewende en voor wie ik dan ook, net als Adrian, die daarom een tennisarm heeft en dus alsmaar een stoffen drukverband met klittenband direct onder zijn rechter elleboog moet dragen (dat hij, volgens mij uit principe, regelmatig vergeet om te doen), eindeloos speeltjes moet werpen in de lager gelegen tuin, grenzend aan het voormalig zwijnenverblijf. Wanneer Pola haar plastic botje of de stoffen flamingo vanaf het terras achterna springt doet ze dat alsof ze de hoofdrol speelt in een tekenfilm.
Een opvallend gemis in alle aspecten van het landschap is de totale afwezigheid van Zwitserlands nationale hond, de Bernardiner of Sint Bernard. Nu wordt er in Ticino, het kanton waar we ons bevinden en dat vernoemd is naar de rivier die op het meer uitkomt, ook niet vaak cognac op de digestiefkaart aangeboden, dus misschien ligt daar een oorzakelijk verband. Wel veel grappa (soms in aanstellerig buitensporige flessen), want het is hier zo goed als Italië.
Al sinds mijn kindheid, dankzij het boek Samen op het eiland Zeekraai van Astrid Lindgren en zeker ook ondersteund door de sentimentele Franse kinderserie Belle et Sébastien, wil ik een Saint Bernard als vriend, maar zo ver is het nog steeds niet gekomen. Ze zijn ook wel erg groot, om het maar even van de praktische kant te bekijken, hoewel formaat, zowel voor een hondenliefhebber als voor een kunstverzamelaar eigenlijk geen rol mag spelen. Wel andere honden gehad, zelfs een Duitse Dog, die toch ook van een gezellige heuphoogte is, en waarvoor ik dankbaar ben dat ik ze allemaal heb gekend (de dag dat ik deze ontboezemingen in dit verhaal onderbreng sterft mijn dierbaarste hond, Sofie, zo blijkt ’s avonds; Bleib bei uns, denn es will Abend werden). Een stille wens op kynologisch gebied is dat ik een bouvier, een teefje en niet gecoupeerd natuurlijk, zou willen hebben zodat ik haar Simone kan noemen (zoek het lemma “Jean-Paul Sartre” voor verhelderende informatie over deze Schertz).

En dan nu wat meer over het meer, dat in de Duitse taal, in dit geval om begrijpelijke redenen, See wordt genoemd. Ik werd door Susan en Adrian opgehaald van het lokale stationnetje in Locarno (na enorme vertragingen en verwoede pogingen tot draadloos contact mijnerzijds tijdens de heenreis). Van daar trok de Porsche Macan, met Adrian aan het stuur (hoewel Susan daarin net zo vaak en vaardig rijdt), en iedereen een flesje Peroni aan de mond, ons helling voor helling, bocht na bocht, de berg op tot aan het Casa. Het besef dat je stijgt groeit met elk van die haarspeldbochten, maar je realiseert het je toch echt pas als je, eenmaal boven, er op uit- of neerkijkt: het daglicht kwijnde reeds, maar daaraan ging het landschap niet ten onder.
Met de trein vanaf Bazel gekomen kon ik bevestigen dat het die dag in geheel Zwitserland voortdurend geregend had. En niet zo zuinigjes ook. Dat deed het ook nog, min of meer, bij mijn aankomst in mijn tijdelijk onderkomen. Later zou ook, zonder bijbetaling, een fijn onweer volgen. De ontvangst kon voor een gast als ik niet innemender zijn.

Elke vorm van weer, boven of rondom het Lago Maggiore is overweldigend. Achter alle Alpen ontwikkelen zich alsmaar stapelwolken, die daarna weer vervluchtigen of zich juist tot een dreigende lucht boven het meer ontwikkelen, soms in onwaarschijnlijke arrangementen. Op de consequenties daarvan valt geen peil te trekken, want vaak, voor je het weet, moet je je heil weer in de schaduw zoeken. Hoewel de omgeving door regen ietwat kan vervagen blijft het wateroppervlak onaantastbaar en vrijwel spiegelend, soms wat wazig, als in een douche. Enige wind of eine Menge regendruppels kunnen het kortstondig een ander karakter geven, maar de weidsheid houdt het overzichtelijk. Soms schijnt de hemel een zee van blauw te zijn, maar daarvan kan ik niet uit eigen ervaring getuigen. Om kort te gaan: het weer is hier nooit waardeloos.
Meestal bevolken bootjes vanaf het begin van de middag het water, tenzij het dreigt te gaan hozen. Zeil-, rondvaart-, speed- en motorboten, surf- en peddelplanken, alles even petieterig. Met de verrekijker moet je echt uitvinden of het een spinnaker betreft, die je vermoedt, bijvoorbeeld. Een Riva ziet er nauwelijks uit als de Rolls Royce onder de vaartuigjes. “We zijn speelgoed”, schiet het door me heen, zij voor mij en ik voor hun. Zwaaien heeft geen zin. De gestalte van de waterskiër, man of vrouw, mooi of lelijk, is niet waar te nemen behalve dan door een spoor in het water, dat zich opmerkelijk lang handhaaft. Hoog in de lucht haalt een eenmotorig vliegtuigje trucs uit: om zijn as draaien, loopings, the works. Zeer geloofwaardig, maar eigenlijk alsof je live kijkt naar een telefoonschermpje durch des Himmels prächt’gen Plan.

Er schijnt ook vis in het meer te zitten, maar daar geloof ik niks van. Die moeten kleiner zijn dan Guppies, kleiner dan de nagel van mijn pink, kleiner dan ik mezelf hier nu voorstel.
Nou ja, er zit wel degelijk vis in het Lago, want die hebben we op een gegeven moment zelf gegeten in een restaurant aan de oever van het meer. Een uitspanning die voorheen bekend stond om haar goede keuken, want kwaliteit gaat boven alles voor Adrian en Susan, maar die, sinds een kokswisseling, een remouladesaus bij de fritata van vis uit het meer serveert die voor honderd, oké, negenennegentig en driekwart procent bestaat uit industriële mayonaise, aangevuld met wat fliebertjes bieslook en peterselie: grazie mille. Er zit ook zalm in het visscala, en die zwemt zeker niet in het meer omdat ze er in noch er uit kunnen, dus ook niet naar de Saragossazee (ach wat, die is voor palingen, natuurlijk), maar soorten witvis lagen ook op het bord, waaronder iets forel-achtigs, meen ik. Alles even door wat te dun, smakeloos deeg gewapperd en daarna gefrituurd, vergezeld van in Roseval-stijl geschilde, maar niet gaar gekookte aardappeltjes.
Het uitzicht is er daarentegen weergaloos en dáarom zijn we hier ook. Het besef dat je je zo angstig dicht bij die enorme portie water bevindt, normaliter zo wijds, doet je zwellen en krimpen tegelijkertijd. Het laagste punt van het meer ligt griezelig diep onder zeeniveau, meer dan honderdvijftig meter, als ik me goed herinner; hoe ik dat nou weer moet doorgronden weet ik ook niet. Het zal zeker een hoop gedonder geweest zijn toen het hier indertijd allemaal ontstond (Ahnest du den Schöpfer?).
Ik heb, na een nacht van regenval, met de wand open zodat het geluid ervan mijn dromen vergezelde, mogen constateren dat het waterniveau een centimeter of tien steeg, waarschijnlijk mede door het vocht dat van de bergen stroomde; er was zo goed als geen strandje meer voor de zeilschool op het kleinste eiland.
Door het meestal boven maar soms beneden zijn, ben je een speelbal van het perspectief. Hier bij het restaurant zwemmen wel wat eendjes, geen woerden, en twee futen, ook vrouwen. Eindelijk op ware grootte.

Voordat we in het restaurant belandden hadden we, heel veel hoger, een nieuw en enorm bouwsel van nabij bekeken. Een recentelijk voor een gotspebedrag neergezette, semi-middeleeuwse, Playmobil-burcht met een kanon en kantelen. Een uit zijn krachten gegroeide, van nieuwheid glanzende, lachwekkende folly, met echte deurtjes, raampjes en tralietjes. En al dat graniet en andere noodzakelijke rommel moet in relatief kleine porties eindeloos met de helikopter aangevlogen zijn, want zo gaat dat hier als je bouwt op de berghellingen. Het wekt de indruk af en toe bewoond te worden, want er staat een Land Rover Defender in de zeer ruime carport. Het geheel deed me enigszins denken aan het Palais de Justice in Brussel, dat als gebouw meer kubieke massa heeft dan open ruimte. Vanuit ons restaurant is het slechts een grijze vaagheid op een berg.
Ons onderkomen daarboven is dichterbij dan dit slot, maar niet te ontcijferen, op z’n hoogst de richting waarin het zich bevindt: daar ongeveer, in de buurt misschien van die rood-witte hijskraan. Zelfs een telescoop zou nauwelijks helpen, maar die is sowieso niet voorhanden. We wilden wel preciezer zijn, maar we konden slechts wijzen naar iets dat onzichtbaar was.
Op zo’n moment vraag je jezelf af of je niet voortijdig, want het is allemaal zo gemütlich, in een goedgemutst vagevuur van vergetelheid terecht bent gekomen. Het is een droom waaruit je thuis pas ontwaakt, want daar bestaat alles weer echt en op de juiste schaal: nog twee, drie glazen rode wijn en het ergens over hebben met Adrian en Susan.
Susan gaat, na veel plezier, iets vroeger naar bed, terwijl Adrian het altijd laat maakt. Ik blijf tot halverwege hun gewoontes, de conversatie soms licht, soms over kunst, soms zwaar. Soms terugkijken op een verleden. Maar daar moet je niet naar staren, we leven immers nog volop, zeker hier, al is je plaats in de Mercatorprojectie soms tijdelijk onduidelijk en minimaal. Eén grappa nog, oké, en nog een biertje dan… Slaap.

Aan de voet van onze weidsheid bevinden zich twee eilandjes die groter zijn dan je denkt: de Isole di Brissago. Het kleinere, waarvan ik schat dat het dertig bij zestig meter groot is (in werkelijkheid honderdvijftig bij driehonderd meter), herbergt een huis en een zeilschool voor héel kleine bootjes. Het grotere eiland, waaraan ik, wijzer geworden, geen afmetingen toeken, is een microklimatische botanische tuin, ruim honderd jaar geleden opgezet door Barones St. Leger en tot op heden meer dan perfect onderhouden, waar we op een gegeven moment naar toe varen met een boot die zowel rondvaartservice biedt als waterbusdienst is. Die toert heen en weer met meerdere aanlegplaatsen tussen Ascona en ergens ver weg in Italië. In de in de rotsen uitgehouwen wachtruimte aan het vasteland hangt toevallig een groot plakkaat waarop de vissoorten die het meer bevolken staan afgebeeld. Geen zalm!
Het is een ongelooflijk mooie rondgang in die tuin; planten uit Zuid-Amerika, Azië, Zuid-Afrika en elders. Een enkeling herken ik uit mijn voormalige tuin in Amsterdam-Noord, maar zeker niet het indrukwekkende, sprookjesachtige bamboebos.
Zoals steeds besluiten we de wandeling met een drankgebruikje, een witbier onder een parasol op het balkon van het enige stuk onroerend goed dat het eiland rijk is. En terecht ook, want de temperatuur is intussen behoorlijk opgelopen. Op de brede balustrade van basalt hipt zomaar ineens een witte kwikstaart voorbij, een welkome aanvulling op de vogelschaarste en wiens Duitse naam ik later voor mijn vrienden thuis zal opzoeken: het betreft de Weisse Bachstelze.
Maar dan, plotsklaps, om te voorkomen dat we in dit luxueuze hotelpaleis moeten overnachten, wat Adrian trouwens kortstondig overweegt, moeten we ons naar de laatste boot spoeden die ons weer terug naar Porto Ronco zal brengen. Aan de aanlegsteiger blijkt ook een Duits stel met kinderen te wachten op transport. Die proberen klaarblijkelijk gezamenlijk de inschrijving in het Guinness Book of Records van het zwaarst wegende gezin te overtreffen. Eén zoontje moet nog iets aankomen, maar dan gaat het zeker lukken.
Tijdens de korte bootreis terug naar het vaste land maakt Adrian foto’s van de berghelling waarop zijn huis staat. Alsof hij dat nooit eerder heeft gedaan. Naast dat hij verliefd is op Susan is hij verliefd op zijn huis. Ik vraag hem om er mij éen te sturen, wat hij later ook zal doen. Ik moet dat plaatje dan wel erg uitvergroten wil ik mijn tijdelijk domicilie herkennen; ons onderkomen wordt heel gruizig, met pixels als puzzelstukjes. En, alleen maar omdat je het weet en er bent geweest, is het een van de mooiste huizen ter wereld; zichtbaar, jawel, maar kleiner dan een postzegel, kleiner dan de nagel van mijn kleine teen, en kleiner dan wijzelf, even varend, in het geval dat er iemand op ons neer probeert te kijken.

Vriendschap is ook een landschap. Het mag een open deur zijn, maar ik denk vooral aan de uitgestrektheid ervan. Ja, maar jíj dit, toen, en ík weer dat. Als je zoiets jaren lang volhoudt, zoals Adrian en ik al vijfentwintig jaar (er zit bijvoorbeeld een nuffige jaren zestig-lijst om het schilderij van Kenneth Noland waarvan ik vind dat die er af moet, maar daar worden we het niet over eens), dan is vriendschap zeven kilometer naar de overkant en honderden kilometers breed. En kom je er achter dat je samen zo’n enorme pesthekel hebt aan het hele oeuvre van Chagall, wat we eigenlijk allang wisten, dan doet het glunderen daarover goed. En we spreken liefdevol over Udo, hun goeie vriend en ook een beetje van mij, die ellende heeft meegemaakt, maar ook keihard veel betekent in de wereld van de kunst in Duitsland, I hear the sound of Memories. Dus alles kan de band versterken, de Alpenband, zeg maar, waarin het grote klein is en het kleine groot; hier richten Susan, Adrian en ik, zoals wel vaker, het vergrootglas op het Grote Meer van vriendschap. Ik heb hier meerdere landschappen te genieten.
Zo moet leven zijn; behalve die verbrande kop dan.

Amsterdam, september 2019
Voor Susan en Adrian, natuurlijk

Sinds 3 juni 2018

Dit is een tekst (zonder plaatjes) die ik, sinds tientallen jaren, vrijuit heb kunnen en willen schrijven. Alle schrijven daarvoor was, tot mijn grote geluk, steeds gebonden aan de beeldende kunst. Deze behelst echter een ietwat problematische periode in mijn leven, dus ik was terughoudend om met dit deel van mijn leven tevoorschijn te komen. Ik heb hem nog eens nagekeken en waar nodig iets gecorrigeerd en nu moet het er maar van komen.
Schaamte over dak- (voor mij gelukkig niet) en thuisloosheid is een groot probleem, net als de Loosheid zelf. Probeer je daarover te informeren en, indien mogelijk, bij te betrekken.
De stukjes van mijn verhaal hieronder zijn genummerd, maar het eindigt zonder einde. Soms weet je ook niet precies waar het begon.

o-o-o-o-o-o-o-o-o-o

1

Van Mario’s zicht resteert weinig meer dan vijftien procent. Kort van stuk, altijd met vrijwel gesloten ogen, af en toe gewapend met een twijgachtig taststokje, schuifelt hij dan ook soms recht op een obstakel af, zoals daar zijn een altijd reeds gehavende stoel, een reeds gebutste prullenbak, maar soms ook gewoon een muur, ook al weet hij eigenlijk, na er al drie jaar te hebben verbleven, best zijn weg te vinden in de tachtig meter lange gang die de dag- en nachtopvang voor dak- en thuislozen in Amsterdam-Noord rijk is. Tot een echte botsing komt het dan ook zelden. Ook de weg naar buiten weet hij zonder probleem te lokaliseren. Mario moet meer dan vijftig jaar oud zijn, maar ziet er, ondanks alles, jonger uit. Hij heeft een, aan de lange gang gelegen eigen kamertje met basale voorzieningen.

Voorafgaand aan de periode van zijn verblijf hier had men (denk: de hulpverlenende instanties) Mario “opgevangen” op een locatie voor verslaafden elders in de stad. Zijn eigen, reeds van drugs doorweekte verleden kon hij dus nog eens van wat extra sjeu voorzien, hetgeen hij niet naliet. Men ontdekte dan ook dat zijn verblijf daar zijn definitieve neergang bespoedigde en bracht hem toch maar in de dagopvang Amsterdam-Noord onder. Toen Mario deze noodvoorziening betrok werd hem door eerdergenoemde instanties binnen afzienbare tijd een eigen appartementje elders in het vooruitzicht gesteld, maar over die toezegging vernam hij verder, ondanks regelmatige navraag, nooit meer iets.

Mario bietst sjekkies en sigaretten wanneer zich de mogelijkheid ook maar voordoet. Zijn rechter wijs- en middelvinger zijn verkleurd tot een donker sepia. In die zin, schiet me opeens te binnen, doet hij me denken aan de geheel blinde (echt waar!) geschiedenisleraar op mijn middelbare school, bij wie, net als vermoedelijk bij Mario, Indisch bloed door de aderen stroomde en die, tegen het eind van de les, met die berookte vingers, zijn horlogeklepje opende, dat ietwat overbodig toch van glas was, om te voelen hoe laat het was. De leraar had daarnaast twee wonderschone dochters, dwaal ik maar even af, die ook “bij ons” op school zaten.

Mario is zeer geliefd bij de andere bewoners van de dagopvang. Die roken bijna allemaal en behandelen hem vol begrip, zorg en liefde, elk naar de mogelijkheden die hun eigen eventuele beperking(en) hen toestaan.

Wanneer Mario spreekt, wat hij soms doet, vergt het enige ervaring van de gesprekspartner om zijn korte, licht grommende, maar ook van boventonen voorziene tekst in enige context te plaatsen. Wanneer men zich echter gewend heeft aan zijn “accent” blijken zijn opmerkingen of antwoorden wel degelijk een richting te hebben, hoe compact ook geformuleerd.

Ondanks zijn communicatieve gebreken werd me bij mijn eerste contact met Mario duidelijk dat hij een lieve man is die eenvoudigweg geen kwaad in de zin kan hebben. Het zou overdreven zijn om Mario de capaciteit van het glimlachen toe te kennen, maar enkele keren per dag gaan zijn mondhoeken wel iets omhoog. Alsof hij het lachen persoonlijk niet kent, maar er wel van gehoord heeft. Zijn ronde, verder altijd zorgelijk bedroefde gezicht drukt dan iets van monnikachtige vrede uit. Korter dan een seconde lijkt hij een snel verdwijnend licht te zien. Mario gaat terug naar huis, zo zal mij spoedig duidelijk worden.

2

INTERMEZZO

Hoewel ik de lezer de uitgebreide versie van mijn levensloop wil onthouden, gedeeltelijk ter bescherming van mezelf en andere betrokkenen, en ook omdat ik geen autobiografie voor ogen heb, meen ik wel dat het hier zeker op zijn plaats is om een paar elementaire sluiers weg te trekken. Daarom graag aandacht voor de volgende, weinig poëtische opsomming van historische gegevens:

Na een leven van zesenvijftig-en-een-half jaar en een gewenst kinderloos huwelijk van meer dan twintig jaar kwam ik eind 2013, door een kleinigheid, tot mijn verbazing in een staat van burn-out die zich instant vergezeld wist van een volwaardige depressie. Ik had een lange, intensieve, maar succesvolle carrière op cultureel gebied achter de rug, waarvan ik niet had vermoed dat mijn rol daarin en mijn perspectief daarop en op andere aspecten van mijn leven zomaar, zonder enige remweg, zo plotseling tot stilstand zouden kunnen komen.

Natuurlijk kleefden mij zowel als mijn vrouw bepaalde “eigenaardigheden” aan (denk er van alles bij, maar wel geheel voor eigen verantwoordelijkheid), die niet altijd aan het geluk binnen onze relatie bijdroegen, waarbij ook nog eens rekening gehouden moet worden met het feit dat we leven en werken samen deden in een eigen onderneming. We waren, kortom, niet erg gelukkig meer samen en hadden reeds meerdere pogingen gedaan om met hulp van buitenaf een en ander te keren. Wij, twee intelligente mensen die veel van elkaar hielden, zaten relationeel gesproken, met de liefdeswielen diep in de modder vast.

Van het ene op het andere moment was ik in een koperen ketel vol van lethargie en zelfverwijten gevallen, terwijl ik daarvoor een hardwerkende, levenslustige, gepassioneerde en vrolijke man was geweest. Alles wat mij tot dan toe had gekenmerkt was in het tegendeel daarvan veranderd. Zo was mijn levenslange liefde voor kunst en muziek, bijvoorbeeld, in het niets opgelost. Spoedig daarna werd de plaats van de liefde ingenomen door een totaalgevoel van kloterigheid over mijn hele leven: wat was ik, kort door de bocht weliswaar, toch altijd een pretender en een asshole geweest.

En ik kon geen pap meer zeggen, waarop, na enige weken, mijn vrouw besloot om haar leven naar buiten ons huis te verplaatsen. Weliswaar als een tijdelijk gegeven bedoeld, maar toch … Ik nam haar dat niet kwalijk.

Tussen kerst en oud en nieuw van dat jaar bracht ik mijn eerste bezoek aan de psychiater onder wiens behandeling ik de daaropvolgende twee jaar zou blijven. Begin 2014 besloot ik van mijn vrouw te scheiden hetgeen ik haar na enige tijd ook meldde. Eind 2014 werd de scheiding uitgesproken. In de loop van datzelfde jaar kwam er een nieuwe vrouw in mijn leven bij wie ik introk, maar op wier adres ik me, om allerlei praktische redenen, niet kon inschrijven.

Enige tijd later vroeg ik bij de gemeente Amsterdam een zogenaamd briefadres aan ten huize van een vriend, zodat ik als Amsterdammer geregistreerd kon blijven en aldaar mijn post kon ontvangen. Ik liet dit briefadres echter eind 2016 verlopen wat resulteerde in de opzegging van mijn contract met mijn zorgverzekering en bovendien werd ik in ene een persoon zonder bekende woon- of verblijfplaats (op een briefadres kon men trouwens ook niet wonen).

Ik was niet de enige die in een waaier aan problemen zat, want ook mijn vriendin raakte verwikkeld in moeilijk oplosbare zaken. Dat kwam, om het zachtjes uit de drukken, de relatie niet ten goede. Deze hield dan ook in de loop van 2017 op te bestaan en ik verwierf niet alleen de status van adresloos te zijn, maar kwam ook zonder dak of thuis te zitten, staan en liggen.

Ondanks twee jaar gebruik van antidepressiva en de psychiatrische behandeling werd mijn toestand eerder slechter dan beter. Zo’n beetje elke praktische zaak waarmee elk mens in het dagelijkse leven te maken heeft liet ik uit mijn handen vallen. Elke kracht om in te grijpen in de neergang van mijn leven was me geleidelijk aan komen te ontglippen ondanks dagelijkse goede voornemens. Ik wist precies wat ik kon en moest doen, maar deed het niet.

Twee familieleden vingen me uiteindelijk op, éen binnen de gemeentegrens en éen, vanaf eind 2017, daarbuiten. De laatste zou me uiteindelijk tot maandag 3 juni 2018 onderdak verlenen.

Ik vergeet natuurlijk een hele hoop dingen te melden die voor mij en mijn omgeving van belang waren (en soms nog steeds zijn), en ik had deze tekst zeker op kunnen fleuren met allerlei sfeervolle of ruige details, maar ik wil het liever globaal hierbij laten en me richten op de toekomst, al zal ik in het vervolg wel een enkel stukje van deze onaffe puzzel bijleggen.

3

Maandag 3 juni 2018: Na de voorafgaande vrijdag een uiterst aangenaam, maar totaal niet informatief, of effectief behulpzaam, gesprek te hebben gehad aan het “Sociaal Loket” in het Amsterdamse stadhuis met een enorm aardige vrouw van mij onbekende herkomst, die de dringende suggestie deed om toch eindelijk een mij reeds lang bekende weg in te slaan, besloot ik om tijdens het weekend krachten te verzamelen om die richtingssuggestie van deze sociale ANWB-beambte daadwerkelijk op te volgen.

Reeds vele malen had ik me voorgenomen deze, mij in theorie bekende, stap te zetten, maar meerdere, alle met mezelf te maken hebbende oorzaken hadden me dat, op een uitzondering na, verhinderd. Want kort na de Kerst van 2017 had ik mezelf vermand, maar die poging liep, direct na het invullen van een eerste formulier, vast in ambtelijke onwil (en onkunde, naar nu blijkt) om mijn zaak in een ietwat breder perspectief te willen bekijken en ter behandeling aan te nemen. Omdat ik namelijk buiten de stad verbleef bij mijn broer, moest ik me maar tot de hulpverlenende instanties in zijn gemeente wenden. Mijn aanvraag om in Amsterdam als dak- en thuisloze, zonder inkomen, zonder verzekering, te worden erkend, kon niet, maar dan ook op geen enkele wijze in, behandeling worden genomen. En, hoewel deze domper de stand van mijn geestelijke gezondheid weer naar een dieptepunt terugsloeg, wil ik hem eigenlijk niet eens meetellen als een echte poging. Er was eigenlijk niets uit welk startblok dan ook gekomen, behalve ikzelf dan, tevergeefs op weg naar dit gemeentelijk hulpkantoor in Amsterdam-West.

Deze maandag de derde juni zou echter zou alles anders lopen.

Die bekende weg die ik moest gaan is eigenlijk een straat, te weten de Jan van Galenstraat in Amsterdam-West, tegen Nieuw-West aan. Met het gebruik van de straatnaam wordt in het ambtelijk vocabulaire ook gerefereerd aan de betreffende dienst, aldaar gevestigd, die trouwens voorzien is van een afkorting die ik hier achterwege laat, want die zal binnen afzienbare tijd toch wel weer, om eufemistische of modieuze redenen, veranderen. Je kunt er potentieel “instromen” in een hulptraject als je de meest basale aspecten van het dagelijks leven ontbeert.

Met een zwaar gemoed, maar voor mijn doen toch enigszins positief gemutst, stapte ik de ontvangsthal binnen waar men met een elektrische pook bestraald wordt om wapenbezit of ander tuig te detecteren. Daarna is het de nederige hulpvrager toegestaan een grotere hal te betreden waarin zich bevinden: een aanmeldbalie, meerdere open loketten met gecapitonneerde wandjes, die opmerkelijk effectief zijn want het lukte me niet om bij ook maar éen gesprek mee te luisteren, zitelementen, koffie – en waterapparaten en dan ook nog een rij kleine, gesloten spreekkamers, nummers op de deur en, al dan niet brandende, rode en groene lampjes. Het interieur is duidelijk niet van de hand van Zaha Hadid (gelukkig maar, eigenlijk), maar alleszins acceptabel. En dan natuurlijk ook enkele of vele collega-aanvragers van hulp, die in zichzelf gekeerd op een beurt zitten te wachten, en waaronder zonder enige twijfel wel degelijk tuig huist.

Achter de meldbalie bevinden zich twee dames (éen donker en éen licht), die je aan mag spreken als je aan de beurt bent en die er de voorkeur aan geven om op luide toon met je te communiceren, daarbij de methode volgend van de anekdote over de drogist die een schuchtere jongeman zijn eerste pakje condooms verkoopt, de bestelling met stevige stem en dus voor iedereen hoorbaar herhalend.

Afgelopen december had ik op het formulier (naam, burgerservicenummer, et cetera) dat aan de balie wordt verstrekt als aanvang van een mogelijk “traject”, op de vraag “Waar verblijft u op dit moment?” eerlijk ingevuld dat ik bij mijn broer buiten de stad logeerde. Dat ik later aangaf dat ik door hem was uitgenodigd ter viering van die toch zo feestelijke maand veranderde dus niets aan het feit dat ik daarmee mijn ruim 35-jarige Amsterdammerschap het venster uit had gekieperd en dus geen aanspraak op dit of dat kon maken.

Nu vulde ik dus maar in dat ik de voorafgaande maanden mijn nachtelijk heil had gezocht in het Vondelpark (“Waar?!!” Bij de Van Eeghenstraat), bij de Stopera (“Waar?!!” Aan de westzijde.) en in het Rembrandtpark (“Waar?!!” Dit liet ik open want ik ken de omgeving daar in het geheel niet). Ook gaf ik aan dat soms een kennis mij een overnachting had aangeboden (“Waar?!!” Dat kan ik niet zeggen, want dat wordt door mijn kennis niet op prijs gesteld. “Dan gaat u dat problemen opleveren!!”).

In het vakje voor aanvullende informatie schreef ik, met een bibberende rechterhand, terwijl ik eigenlijk een mooi en regelmatig handschrift heb, maar ik was erg zenuwachtig, dat ik zwaar depressief was. En dat was ook zo want mijn psychiater had dat zelf aan de hand van allerlei tests kunnen constateren en daarover aan mijn huisarts gerapporteerd. Ook maakte ik, aanvullend, melding van mijn regelmatig (dagelijks) opduikende overwegingen om er maar een eind aan te maken (“Dat zou ik niet doen, meneer!!”). Ook helemaal waar, al had de rest van de medische wereld daar geen weet van.

Naar religie werd niet gevraagd (atheïst hoor, best wel) en er was ook geen mogelijkheid om aan te geven wie mijn favoriete beeldend kunstenaar of all times was (Felix Gonzalez Torres (26 november 1957 – 9 januari 1996; echt een oeuvre waarin je je moet verdiepen, maar dan val je er ook steil van achterover en waar ik, als ik er aan denk of over spreek altijd kippenvel van krijg, zelfs terwijl ik dit schrijf. Maar Matisse is mij óok zeer dierbaar. Ik ben jaren geleden zo goed als in tranen uitgebarsten toen ik zijn grote schilderij “Pianoles” in New York, in het MOMA, voor het eerst in het echt zag, terwijl ik het tot dan toe alleen kende als een plaatje van, zeg, 17 x 12 centimeter, in het boek “20.000 Jaar Schilderkunst”, waaraan mijn vader in de tweede helft van de jaren zestig als tekstcorrector en vrijwel om niet had meegewerkt en het daarom, als presentexemplaar, van de uitgever ten geschenke had gekregen waarna ik het in permanentie in gebruik nam. Het boek is nog steeds, ingepakt en ergens opgeslagen, in mijn bezit).

Het schijnt me toe dat vooral die “aanvullende informatie” ervoor zorgde dat er, nadat het formulier door een andere baliemedewerker naar achter de schermen was gebracht, allerlei alarmbellen afgingen, of zeg maar liever: klokken, en dat gebeier zou de rest van de dag doorgaan. Bij zijn terugkomst meldde weer een andere medewerker mij dat ik moest wachten en opgeroepen zou worden voor een gesprek met een afgevaardigde van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst. Na een klein uur schalde het door de hal: “Meneer Bernardsz!!” waarop ik door de eigenaar van deze roepende stem werd begeleid naar afsluitbare gespreksmodule 3. Waarschijnlijk sprong nu in de hal boven mijn deur het lampje op rood en voor het eerst was ik een mogelijke stap nader tot de oplossing van een of meerdere van mijn problemen. Ik was nog steeds erg zenuwachtig…

4

Tijdens mijn tweede avond in de nachtopvang ben ik op de gang deelgenoot van een gesprek; ik vooral als luisteraar. Het wordt gevoerd door Tamara en Gerrit (beiden “van de dagopvang” en die behoeven natuurlijk introductie, maar niet nu, niet nu) en Mario. Bij dergelijke gesprekken zoals die zich daar in Amsterdam-Noord afspelen kan men niet bepaald spreken van een focus op éen onderwerp. Het is eerder alsof men, met idiote willekeur, tussen radiozenders schakelt waarop zich steeds een ander hoorspel aandient. Een passant kan en passant een wending in het gesprek veroorzaken door een opmerking, een boze blik of een wilde, ongecontroleerde uitroep of omdat hij graag iets eetbaars, of een nagelschaartje (nog in de verpakking) ter verkoop wil aanbieden. Daarnaast laat Tamara nog wel eens wat uit haar handen of van haar ruim bemeten schoot vallen (tasje, telefoontje, notitieblokje, los papiertje, doosje kokosmakronen) wat meestal een koerswijziging in de conversatie oplevert, of iemand van de leiding loopt langs en informeert of iedereen lekker heeft gegeten (Gerrit heeft dan meestal nog niet gegeten, want die moet nog, in de loop van de rest van de avond, zijn souper bij andere bewoners bij elkaar bietsen, evenals een passend biertje).

Toch wordt het me, na omwegen vol valkuilen en hobbels, snel duidelijk dat het gesprek een hoofdlijn kent, namelijk dat Tamara en Gerrit hun betrokkenheid willen laten blijken over, jawel, Mario’s aanstaande reis terug naar Aruba, naar huis dus, naar zijn familie, naar zijn twee kinderen die hij al meer dan vijf jaar niet heeft gezien. Mario verstrekt in schokkerige zinfragmenten informatie over wat hij denkt dat hem te wachten staat, al blijft hij daarover tamelijk vaag (ik ben Mario’s accent natuurlijk nog niet machtig, dat zal pas begin woensdagavond komen als ik voor hem een sigaret rol en me daarbij kort met hem onderhoud, maar Gerrit functioneert uit zichzelf als tolk-vertaler). Mogelijk zal Mario door het gezin van zijn broer worden opgevangen, vooruitlopend op een mogelijkheid zich enigszins zelfstandig te kunnen vestigen, althans, op dat laatste blijkt hij te hopen. Hij ziet natuurlijk erg uit naar het weerzien met zijn kinderen, waarvan namen en leeftijden mij onbekend blijven. Hij zal donderdagochtend in alle vroegte met een taxi naar Schiphol reizen om van daar, om tien over negen met de vliegmaatschappij TUI, richting Aruba op te stijgen. Het is duidelijk dat Mario verheugd is over het naderende einde van de nachtmerrie die zijn verblijf in Nederland heeft betekend. Tijdens het gesprek zie ik Tamara en Gerrit elkaar af en toe, ik zou haast zeggen goedkeurend, toeknikken. Ondanks hun tamelijk beperkte vocabulaire aan lichaamstaal ervaar ik iets liefdevols in hun gedrag (nogal lullig uitgedrukt, al zeg ik het zelf), mogelijk, bedenk ik me later (wanneer ik me midden in de nacht, op een bankje in de gang niet op mijn boek kan concentreren omdat ik terugdenk aan dit gesprek), mede beïnvloed door gevoelens van verlangen naar iets vergelijkbaars als wat Mario te wachten staat en misschien daarom zelfs met een milde jaloezie.

Wanneer Mario naar zijn kamer is geschuifeld spreken we aan elkaar de hoop uit dat het hem daar, thuis, goed zal gaan en dat een belangrijk deel van zijn hoop verwezenlijkt zal kunnen worden.

5

In gespreksmodule 3, aan de andere kant van het kamertjebrede bureau, neemt de GGD-vertegenwoordiger van dienst plaats: Dylan. Hij legt uit wat zijn rol is binnen de dienst waar ik op bezoek ben. Naast hulpvragen in verband met een dak of een thuis, of een inkomen, bijvoorbeeld, is het, zeker in mijn geval, zijn taak om te informeren naar de staat van de geestelijke gezondheid van de hulpvrager. En vanwege de door mij genoteerde informatie over mezelf meent hij dat hij zich zorgen mag maken; is dat ook zo?

Dylan is een man van midden dertig met een vriendelijke stem die, ondanks zijn bezorgdheid, niet zorgelijk klinkt. In tegendeel, hij klinkt geïnteresseerd, open en eerlijk. En die menselijke aspecten vind ik ook terug in zijn gezichtsuitdrukking en lichaamstaal.

Ik vraag hem of hij het goed vindt dat we elkaar tutoyeren en, na enige mislukte pogingen, blijkt hij daar op natuurlijke wijze toe in staat. Over mijn nog niet verwelkte zenuwachtigheid zal hij later in het gesprek een opmerking maken, zonder me ook maar enigszins te kwetsen.

Jawel, zeg ik, je mag je over mij zeker bezorgd maken, Dylan, want dat doe ik zelf ook al enige tijd. En dan, natuurlijk, vraagt hij mij om eens iets over mezelf en mijn geschiedenis te vertellen. Ik geef hem, een zo compact maar volledig mogelijk beeld van wat me sinds 2013 is overkomen. Dat ik in september 2016 mijn laatste zelfstandig inkomen heb gegenereerd en dat ik in de loop van 2017 zonder eigen thuis aan de wandel ben geraakt. Waar ik dan verbleven heb, geslapen heb? Ik moet natuurlijk een verhaaltje rondom de door mij ingevulde gegevens betreffende mijn park- en Stopera-overnachtingen breien. Maar verder ben ik volkomen eerlijk. Ik vergeet in mijn relaas natuurlijk wel een paar punten, maar die kan ik later invullen. Hij informeert naar de eigenschappen van de depressie, de aard van mijn ideeën om er een eind aan te maken (“Heb je ooit wel eens een echt plan gemaakt?” “Nee”. “Ben je wel eens aan een afscheidsbrief begonnen?” “Nee”, naar mijn alcoholgebruik (ik ben een regelmatige wijn- en bierdrinker, geen sterke drank) en naar de effecten van de behandeling door de psychiater en die van de antidepressiva. Die laatste twee hebben op de aard van de depressie geen positief, maar ook geen negatief effect gehad, meld ik. Thomas de psychiater kreeg in elk tweewekelijks gesprek tijdens de twee jaar behandeling eigenlijk steeds te maken met de turbulenties die zich voordeden in de afwikkeling van mijn scheiding en, later, met de zeer gevarieerde ellende die mijn nieuwe relatie vervuilde. Voor enige diepgang in de gesprekken met Thomas ontstond eigenlijk nooit ruimte. En door de antidepressiva zat ik in een soort wattige wereld waarin ik me niet thuis voelde. Het gebruik ervan bouwde ik na twee jaar snel en zonder problemen af, waardoor ik me weer gewoon helder en onveranderd depressief voelde.

“Het eerste wat ik ga doe, John, is bellen om te kijken of ik een plek voor je kan vinden voor vannacht om te slapen; geef me even.” En Dylan verlaat module 3 om na vier minuten terug te keren. “Zo”, zegt hij, “da’s gelukt. Je kunt vanavond terecht aan de ***weg in Amsterdam-Noord waar ze je voor tienen verwachten”. “Dank je wel, Dylan!”.

“Daarnaast zou ik ook graag het volgende doen. Weliswaar ben ik kundig op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg, maar geen specialist. Ik wil graag, met jouw toestemming, een collega van de GGD hiernaartoe laten komen, die, meer diepgravend, met je zal spreken over je problemen om, waar voor ons mogelijk, een parcours uit te stippelen voor op jou toegespitste hulp”. Ik zeg dat me dat een begrijpelijk en goed idee lijkt en Dylan zorgt ervoor dat ook deze afspraak wordt geregeld. Deze man of vrouw zal zich over ongeveer een uur melden en me bij zich roepen. “Okay John”, gaat Dylan nu voor, “dan nu even iets praktisch”.

Ik wist het, ik wist het! Althans, het leek me niet meer dan waarschijnlijk dat wat nu komen ging, en waarover ik al eerder, met bibbergedachten, maar realistisch had nagedacht, onvermijdelijk “mijn definitieve ondergang” in zou luiden, alle klokgebeier ten spijt. Uit mijn zenuwen, die door Dylans gedrag en zijn kordate stappen tamelijk ontspannen waren geraakt, werd weer, als pizzicato hoog op de E-snaar van een viool, een onheilspellend deuntje geplukt (denk aan de horrorklassieker The Omen, als je durft).

6

Maandag 11 juni 2018

Vandaag heb ik voor het eerst iets van de grond, of eigenlijk van de vloer van de pont van Amsterdam-Noord naar het Centraal Station, opgeraapt, echt dak- en thuisloos, dus. Normaliter reis ik met de bus naar het station (er rest mij nog wat geld waarvan ik maar besloten heb om dat mede aan deze luxe te spenderen), maar ik raakte op de pont verzeild nadat ik vanaf het ***plein een bus verkeerd had genomen.

Waarvoor ik bukte was geen sigarettenpeuk (helaas, want bukshag is zo’n mooi woord, toch?) of een half opgegeten broodje hamburger, maar een vrijwel in nieuwstaat verkerende, aluminium halve literfles om drank, bijvoorbeeld water (Nederlands of Russisch) in koel te houden, om dat met slokjes en beetjes, door de dag heen op te drinken. Het verlies ervan zal de vorige eigenaar verdriet doen, want bij nazoeken op het web blijkt dit merkartikel een aanschafprijs te hebben van achtendertig euro vijfennegentig (tenzij het in de aanbieding is, natuurlijk, dat hoor je wel eens). Een dergelijk object heb ik nooit eerder in bezit gehad, er ook nooit naar getaald, maar ik kon het niet laten liggen. Welk doel het in mijn leven gaat dienen is me nog niet duidelijk, maar vooralsnog heb ik het opgeborgen in mijn metalliek-oranje rolkoffertje, cadeau gekregen van mijn broer, dat ik de hele dag achter me aansleep en waarin zich ook allerlei andere, voor overdag onnutte zaken bevinden, maar die ik “thuis” niet alleen durf te laten. Dat ik over een laptop beschik moet helemaal geheim blijven en dus verberg ik die in het geheime dekselvak van het koffertje en haal hem in Het Zomerkamp, mijn slaapplek in Amsterdam-Noord, dan ook nooit tevoorschijn.

Inderdaad ben ik, sinds vandaag, begonnen om aan mijn, liefst zo tijdelijk mogelijke verblijf, dat zich ook benoemd weet met een aantal, door slashes gescheiden afkortingen, te refereren als Het Zomerkamp. Weliswaar is het formeel gesproken nog steeds lente, maar het weer is de afgelopen tijd zeker zomers te noemen geweest en de tijd vliegt.

Hoewel ik niet voornemens ben om voortaan van mijn tot nu toe gebruikelijk transportarrangement af te wijken beviel me dat van vanochtend prima. Ook al nam ik de kortst mogelijke pontvaart van Noord naar Centrum, het was weer heerlijk even op deze wijze op het IJ te zijn, zoals mij, om mij moverende redenen, in het verleden wel vaker overkwam.

Omdat het ons van de nachtopvang niet is toegestaan om tussen negen uur ’s ochtends en vijf uur ’s middags op het terrein van het kamp te verblijven en we, de rest van de dag, ons minimaal vijfhonderd meter er vandaan moeten ophouden, heb ik als verblijfplaats tijdens dit gat in de dag ervoor gekozen om kantoor te houden in een filiaal van een, oorspronkelijk Amerikaanse, maar intussen internationale koffieketen, gelegen aan de zuidzijde van het Centraal Station en met uitzicht op het voornoemde IJ en op, tussen mij en deze watergang, veel passerende voetgangers en fietsers van divers pluimage. Wanneer ik naar buiten even naar de waterrand loop om te roken kijk ik goed uit bij het oversteken van het fietspad, maar sla in gedachte toch een kruis om gezond heen, en even later weer, te komen.

Bij binnenkomst vind ik mijn vaste plek in de zaak en wanneer die bezet is, komt deze meestal snel beschikbaar. Ik ben weliswaar niet de enige regulair, maar wel de frequentste, geloof ik, en het personeel begint me dan ook te leren kennen. En omdat je bij je koffiebestelling je naam op moet geven wordt die nu ook gebruikt om mij aan te spreken, nadat ik ze heb afgeleerd om “u” tegen mij te zeggen. Ik heb ze maar verteld, het nuttige met het aangename verbindend, dat ik schrijf, wat ook waar is, en dat Harry Potter ook in een café is geschreven, daarbij hun conclusies voor eigen rekening latend.

Wanneer ik mijn Cappuccino-Grande halverwege op heb bestel ik bij mijn vrienden en vriendinnen achter de counter, als het even rustig is, een gratis beker water met ijs. Later op de dag een Pain au Chocolat, waar ik heel lang mee doe, en nog later een Mango-Passion-compositieen nog een beker water. Met dat alles slaag ik er klaarblijkelijk in om mijn status als bona fide consumerend bezoeker gaande te houden. Je zou ook kunnen spreken van het rijkelijk oprekken van de gastvrijheid, maar daar wil ik vooralsnog niet van horen.

Aan de inpandige stationsdoorgang die van Oost naar West loopt, bevindt zich, tachtig passen van mijn kantoortuin, een toilet dat, hoe openbaar ook, toch zeventig eurocent per beurt in rekening brengt. Op zich te overzien maar het brengt wel met zich mee dat ik, want het geld groeit me ook weer niet op de rug, zo lang mogelijk mijn plas ophoud en af en toe maar net op tijd de heilzame plek weet te bereiken. Gelukkig heb ik er nog niet in de rij hoeven staan al moest ik vandaag wel een ouder Amerikaans echtpaar van me af slaan, onderweg, dat wilde weten waar de bus naar Marken vertrok. Ik werd daarna ook nog, binnen de toiletburelen, maar gelukkig na me te hebben ontlast en waarschijnlijk vanwege het nogal sanitaire lichtblauw van mijn overhemd, aangesproken over het functioneren van de rolhanddoek, maar enfin, zoiets vergeet een mens weer gauw. Ter aanvulling van het totaalbeeld dien ik te vermelden dat het koffiefiliaal zich de aanleg van een toilet heeft bespaard, wat volgens mij indruist tegen een bestaande horecawet. Zelfs het eigen personeel plast, collegiaal, bij de tegenover gelegen Duitse worst en schnitzel-hang-out, waar ze trouwens ook Kölsch van brouwerij Früh schenken, dat de reis uit Keulen helaas verbitterd overleeft.

De muziek hier in de koffietent bestaat, dag in dag uit, uit twee afgeronde selecties: de eerste is een keuze uit het universum van de crooners, waarbij opmerkelijk genoeg Bing Crosby en Frank Sinatra ontbreken, helaas, maar dat zal wel te maken hebben met de royalty’s die de erfgenamen op hun nummers hebben gelegd (hé verdomd, nou komt toch ineens The Voice voorbij; ik zit ook zo geconcentreerd te schrijven). Maar ik mag niet liegen, natuurlijk). De tweede muziekselectie is er een uit het Country-genre waarmee je mij geen groter plezier kunt doen. Al is mijn muziekliefde, als door een castratie, bij aanvang van mijn depressie verdwenen, rudimentair resteert er blijkbaar toch nog iets. En de uitvoering van éen nummer weet me nog extra te ontroeren ook: Angel from Montgomery van de werkelijk onovertroffen Amerikaanse schrijver/zanger John Prine, die ik ooit samen met mijn goede vriend P. heb zien optreden in Paradiso. Prine was de dag ervoor jarig geweest, vertelde hij in een babbeltje tussen twee songs, waarop P. en ik (we zaten op het balkon) elkaar kort aankeken en meteen een luid Lang Zal Hij Leven inzetten en prompt de volledige zaal in deze aubade instapte. Er bestaan hier geloof ik geen radio-opnames van, maar beluister het lied, door hemzelf gezongen op internet en daarna de weergaloze uitvoering door Bonnie Raitt uit begin jaren zeventig!

Tussen de vele passanten die dagelijks aan het raam waaraan ik zit voorbij trekken bevinden zich natuurlijk ook daklozen. Binnen zeer korte tijd ben ik er in geslaagd (al zeg ik het zelf) om deze als zodanig te identificeren. Kijk, in lompen gehulde, halfgezoolde types die zich robotisch en in zichzelf gekeerd langzaam voortbewegen, herkent eenieder, al zorgt een bepaald type rugzaktoerist soms kortstondig voor verwarring, maar die kijken altijd nieuwsgierig de wereld in, dus dat probleem in de determinatie lost zich snel en vanzelf op. Maar er zijn ook kenmerken aan het beter geklede deel van de dakloze subcultuur waar je echt een oog voor moet hebben ontwikkeld: zo nam afgelopen zondag, toevallig hierbinnen en zo goed als naast mij, een redelijk verzorgde man plaats die een bekertje koffie voor zich plaatste en uit zijn plastic supermarkttas een Penguin-pocket tevoorschijn haalde: The Dharma Bums (!) van Jack Kerouac. “Die is niet van de straat!”, had ik kunnen denken, maar wat hem verraadde, naast het feit dat hij steeds met zijn kin op zijn borst in slaap viel, het boek terdege in leeshouding voor de gesloten ogen houdend, was de staat waarin zijn tas verkeerde. De vervaalde opdruk maakte me duidelijk dat hij die reeds lange tijd, op dagelijkse basis, bij zich had. Dat hij met die tas zijn nieuwe, want er net in begonnen boek beschermde sierde hem natuurlijk, maar het kwartje was gevallen, ook al mompelde hij niet in zichzelf en had hij geen eigenaardige geur om zich heen.

Sinds vorige week dinsdag breng ik dus in deze omgeving mijn dagen door en sinds donderdag schrijf ik er. Aan het eind van de dag drink ik twee of drie biertjes in een uitspanning in de directe omgeving, daarbij lezend in een autobiografie van Stephen Fry, om me daarna in allerijl weer terug naar de opvang te spoeden waar het andere, veel bizardere deel van mijn huidige leven de plaats inneemt van mijn nine to five-job en waar ik het restant van de dag kraanwater drink. Ik probeer daar dan zoveel als mogelijk gesprekken verbatim te onthouden, wat voor mij niet eenvoudig is, want ik ben Truman Capote niet, en daarnaast de gebeurtenissen en hun volgorde, om de volgende dag weer, al schrijvend, iets met de weerslag daarvan te doen te hebben en aldus mijn gedachten weg te houden van de ellende waarin ik me eigenlijk bevind (hier pinkt men een traan weg).

P. S.

Terwijl ik bovenstaand hoofdstukje aan het reviseren was kwam een duif binnen die, precies bij mijn werkhoekje, een paar keer stevig tegen het raam aan vloog, waarbij hij, tot hilariteit van menige aanwezige, een keer verkoos om kortstondig op mijn hoofd te gaan zitten. Een jonge, jongensachtige vrouw met krullen, die een stukje verderop aan zoiets als een scriptie werkte, wist hem vaardig in haar handen te nemen om hem buiten zijn patat friet-vrijheid te hergeven. Ik had niet de indruk dat het de Heilige Geest was …

P. P. S.

Ter afronding van het eerste postscriptum wordt ik zojuist buiten aangesproken door de man die zich dicht bij mij bevond tijdens het duifincident en die zich ook om het beestje probeerde te bekommeren. Hij zegt nu tegen mij: “Ik zie op Schiphol ook wel de mezen en mussen die niet naar buiten kunnen als ze eens binnen geraken; dan moet ook altijd iemand helpen”. Met zijn enigszins gehavende gebit en bij nadere bestudering van zijn kleding kan mijn conclusie niet anders luiden dan: opgewekt en aardig, maar dakloos!

7

Heel erg: Herman van Veen

Het allerergste is wel Herman van Veen: de man die denkt dat alles wat hij denkt, uitspreekt of, godbetert, schildert, iets met originaliteit, menselijkheid of kunst te maken heeft.
Van Veen is een man met een landgoed, maar met een gedachtengoed van een keuterboer uit 1911. Muzikaal was hij nooit een held al deed hij viool en de meeste mensen niet: wat een wonder!! En met verdunde versies van allang sterker uitgevoerde nummers. En dat dan nog eens in een Nederlands dat het gelul in de Tweede Kamer tot poëzie verheft.
En die stem. Gisterenavond kwam Gerard Cox weer eens voorbij; oké, geen Charles Aznavour, maar fluweel en met een begrip en met een gevoel dat Van Veen ontbeert. De coloratuur van Van Veen, die geen enkel van de liedjes, hoe lamlendig ook, nodig heeft en het gefleem met mogelijke betekenissen, die Van Veen, in welke vorm dan ook, effectief weet te omzeilen moet een gedachteloos publiek natuurlijk enorm aanspreken. Een geheim dat met werkelijk niets te maken heeft. Sentiment voor vroeg demente oudere jongeren.
Mijn vader moest wel eens huilen als Van Veen zijn wijsheid, in woord of gebaar, met de wereld deelde. Het doet me verdriet om daardoor in te zien dat mijn vader net zo’n minkukel was als deze aansteller.

Van een kwaliteit valt ook de kwaliteit te beoordelen evenals over de kwaliteit van smaak valt te twisten. Bij Van Veen is niets van waarde en alles steeds weer waardeloos. Angstaanjagend, eigenlijk.

Rowwen Heze-uitzicht over het IJ: “Een Trein een Boot”

Zoals ik net aan de jongens van Rowwen Heze schreef heb ik nog geen foto van een auto op een vliegteug, maar deze maakte ik vanmiddag vanaf het Stenen Hoofd in Amsterdam:

Wat mij betreft mogen The Heze Boys hem gebruiken als ze m’n naam en site maar vermelden. Ik vond het een sensationeel beeld, al schoot me de associatie met hun wereldnummer pas later te binnen.

Iedereen veel rijpe abrikozen toewensend,
Hans

Het is nog niet te laat 001: Asperges

We hebben nog ruim twee weken te gaan, namelijk tot 24 juni, het totaal overbodige feest van Sint Jan. Daar zijn redenen voor, maar die moet je zelf maar op het web opzoeken.
E. en ik eten al een paar maanden met grote regelmaat asperges. Al sinds eind maart, geloof ik (dankzij het geweldig Jumbo-filiaal aan de Westerstraat), terwijl 25 jaar geleden het geen/wel asperges-kantelpunt bij de groentejuwelier op z’n vroegst rond mijn verjaardag (17 april) lag.

Maar eerst even iets anders, namelijk De Merel.
Omdat de merel éen van E.’s favoriete vogels is (en wat zang betreft zéker ook van mij) kocht ik voor haar enkele dagen geleden bij de lokale distributeur van tabak, ongezonde prentbriefkaarten, tijdschriften en van eigenlijk verwaarloosbare, maar soms per ongeluk in de roos getroffen prullaria een Nepmerel uit een reeks van vogelimitaties in stof die de werkelijkheid soms wél, maar meestal niet benaderen (naast de merel was de huismus de uitzondering op dat verschijnsel, al was de mus wel drie keer zo groot als in het echte leven). Bovendien maakt De Merel ook geluid! En dat benadert, in een herhaalde versie van hetzelfde melodietje, verdomd goed een zangetje van een willekeurige merel, van zeg maar steeds een seconde of zes. Nu stond Edna zojuist in het open raam de Avondmerel (gek genoeg hebben we hier ook een Middagmerel, al kan het natuurlijk hetzelfde vogelpersonage zijn) uit te dagen met haar nieuwe speeltje. En wie schetst onze verbazing dat meneer of mevrouw (waarschijnlijk de eerste, maar ik zeg dat in het huidige tijdsgewricht met grote huivering) er niet alleen op reageert, maar de melodie ook, in eerste instantie, spat zuiver imiteert, maar er daarna ook op varieert. Toch wel bijzonder, zo midden in De Jordaan. Op éen of andere manier krijg ik het niet voor elkaar om hier de geluidsopname van E.’s hoor en wederhoor te incorporeren (een beetje gek, want in een e-mail aan vriend P. lukte het prima, al heb ik nog niks van hem erover terug gehoord), maar geloof me: het is erg de moeite waard.
En zojuist krijgt E. het bericht van haar mondhygiëniste dat het het beste is om, voor de nogal vroege afspraak morgen, het alarm op “Merel” te zetten. Dat moet een leuke vrouw zijn.

Terug naar de asperges: Veel mensen vinden het “zo’n gedoe” om ze klaar te maken. Da’s allemaal gelul want het is minder werk dan aardappels schillen. Het is eigenlijk de oudste beweging ter wereld, zou ik bijna zeggen (mijn ouders kwamen uit Bergen op Zoom dat naast Zuid-Limburg een broedplaats van aspergetelers was en is): gewoon vanaf een centimeter of zes onder het kopje (het aspergecentrum zegt vanaf drie centimeter, maar dat is zonde) naar het uiteinde toe schillen. Ik doe dat altijd anderhalf keer, dus steeds ook een beetje meeschillen wat je eerder hebt gedaan. Van belang is dat je bekijkt welke structuur tevoorschijn komt. De egale glans moet weg en de korrelige structuur van het innerlijk, de ziel van de asperge, zeg maar, moet zichtbaar worden. Zolang die egale glans er nog is zul je die tussen je tanden tijdens het eten tegenkomen. Twee keer rondom schillen is ook een zonde en echt iets voor Michelin-types, al moet je natuurlijk bij de aanschaf, voor zover de keuze aan jezelf is, de dikste uitzoeken. Wat dat laatste betreft is het toezicht op selecterend personeel, op de markt of bij voornoemde -juwelier, van groot belang, want die willen ook de dunne kwijt. Het begrip “dik” moet dan ook als een glijdende schaal worden beschouwd wanneer zij ze kiezen. De kwaliteit van verse dikke asperges wordt uitgedrukt in letters en cijfers (AA1 is de beste), maar ik heb goed te boek staande groenteboeren meegemaakt die een mêlee aan wit goud voor het hoogste laten doorgaan. Houd rekening met dat alles en er een oogje op.
Enige tijd geleden zag ik de onvolprezen, maar vaak sikkeneurige Robert Kranenborg op de televisie. Hij bereidde asperges met derden. Eén van de kandidaten had van haar ouders geleerd dat het vooraf garen van de schillen in het kookwater extra smaak toevoegt. Nou, daar had Robert nog nóóit van gehoord. Terwijl het wel degelijk verschil maakt. Sterker nog: ik heb een keer in mijn toenmalige galerie, gedurende een lang weekend, voor veel af en aan langskomende mensen, twaalf kilo van de lekkere jongens bereid, maar daarbij steeds hetzelfde kookvocht gebruikt. De smaak werd steeds intenser en op zondag werd het resultaat door menigeen beoordeeld als best ever. Daarom bewaar ik ook thuis na klein gezelschap het kookvocht, direct na het afkoelen en maximaal een dag of drie (precies de regelmaat van het huidige genot), in de koelkast voor een volgende beurt (en zo verder, tot het eigenaardig ruikt of er vlokken die me niet bevallen in voor beginnen te komen).

Naarmate het seizoen vordert moet je er van uitgaan dat de kooktijd steeds iets langer wordt. In april kook ik ze vijf minuten, in mei zeven en in juni acht. Daarna steeds vijftien tot twintig minuten nagaren, afhankelijk van of er nog een drankje moet worden ingeschonken of dat er nog iemand naar de wc moet (zijn asperges niet ook vocht afdrijvend?).
Waar je ze verder mee combineert laat ik aan eenieder over, al is voor mij puurder beter. Restexemplaren (?!) zijn de volgende dag ook lekker, niet te koud en even uitgelekt op een stukje keukenpapier, al moet je dan wel zorgen er als eerste bij te zijn want anders zijn ze op raadselachtige wijze verdwenen en de ham en/of de zalm ook.

Omdat in ons kasteel in De Jordaan wegens de mooie avond aan alle kanten de ramen open staan, concurreren de merels niet alleen met elkaar maar nu ook met Indian Jones, want die is maar weer eens op tv. Of dat het mooiste amalgaam is weet ik niet, maar de asperges (een pond per persoon) hebben we vanavond in ieder geval binnen. Nu nog de appeltaart zien weg te werken.

Psst-1:
Aan recepten en suggesties is het internet zo rijk dat ik daar niet aan ga of wil beginnen.

Psst-2:
Ik kan ook geen toepasselijke afbeeldingen vinden bij voorgaand gebabbel, dus beschouw de tekst maar als een Concertante uitvoering van iets dat vele malen rijker had kunnen zijn.

Kees Verwey

Spaarne 108: op 2 hoog had Verwey z’n atelier

Hemelsbreed misschien 200 meter, te voet 300 meter, was het van mijn geboortehuis lopen naar het huis van Kees Verwey. De toen al vrij oude Haarlemse schilder kwam, vanwege boodschappen of gewoon voor een ommetje, regelmatig bij ons aan de overkant voorbij. En net als De Trompetter, De Blote Voetenman, De Turk met het Been, de Dronken Bezoeker van Café Van Egmond werd ook Kees Verwey door alle leden van ons gezin bij het passeren op- en aangemerkt. Met De Turk met het Been was een relatie van heen en terug zwaaien ontstaan, zoals we ook des ochtends en na het middageten onze vader uitwuifden wanneer die met driftige pas terugliep naar zijn werk. Alle andere geobserveerden waren zich niet bewust van onze waarneming en gingen huns weegs zonder zich van onze alertheid iets aan te trekken. Het afwachten van het voorbij komen van bijvoorbeeld De Turk was niet saai want we woonden tevens tegenover de Haarlemse brandweerkazerne en naar alle brandweerlieden zwaaiden we ook de hele dag door wanneer we ons aan elkaars raam meldden.

Het ging met mij op de middelbare school nogal matig. Niet dat ik niks kon, maar het interesseerde me allemaal maar matig waardoor ik niet de lineaire progressie doormaakte die van iemand met mijn intelligentie verwacht mocht worden. Na twee keer te zijn blijven zitten mocht ik uiteindelijk zeer succesvol het Hoger Algemeen Vormend Onderwijs afronden. Intussen had ik wel allerlei buitenschoolse activiteiten tot mijn hoofdbezigheid verheven: de Sinterklaasactie, het voorkomen dat de school werd opgeheven, de Duitse lesuren vermijden, het ontregelen van het gangbare met vrienden, toneelspelen, The Beatles afspelen tijdens alle pauzes en het mede-redigeren van het schoolblad.
Daarnaast zaten we regelmatig in het café om te biljarten met enkele leraren of ergens op zolderkamers naar Neil Young, Neil Diamond of Bruce Springsteen te luisteren. Ook was ik verliefd op allerlei meisjes die dat wel of niet op mij waren, maar tot een ontbolstering kwam dat bij mij niet.

Geërgerd door dit monotone bestaan ontstaat bij ons als vrienden het idee om eens een “culturele dag” te organiseren waarbij iedereen zijn beste en eigenste artistieke beentje zal voorzetten: muziek, voordracht, kunst, komedie, et cetera.
Een en ander zal plaatsvinden ten huize van Pieter waar sowieso altijd een totale, maar zwoele anarchie heerst en het een permanente zoete inval is: er zijn hier namelijk twee tennisbanen, een ongelooflijk uitgebreide tuin, een keuken en kamers, beneden en boven. Er is personeel (een vanaf ’s ochtends 11 uur wegens sherry aangeschoten schat van een vrouw), moeder Jill die zich al jaren gedraagt alsof ze jonger is dan wij en die bovendien van adel is met een huis in Grasse en die ons permanent tot de Scientology Church wil bekeren en haar vriend Tom, een schat van een man waarbij Liberace niet in de schaduw kon staan. Alles bij elkaar een onvoorstelbaar charmante biosfeer.
De gehele voorbereidingsperiode beperkt zich natuurlijk tot niet meer dan een week of drie, vier. Het bestellen van drank blijkt het eenvoudigste van alles. Lokale dichters, schrijvers en acteurs worden uitgenodigd, want het moet per slot van rekening een Haarlemse aangelegenheid worden en ik werp me op de beeldende kunst en stel een plan voor: ik zal wel eens even alle kunstenaars uit de omgeving bij elkaar halen om een recent werk te tonen in een soort ad hoc tentoonstelling op de dag zelf. Een en ander zal voor zo ongeveer de helft z’n beslag krijgen.

Maar zo begon het.
Het was een weekend in 1976. Op dinsdag trek ik de stoute schoenen aan. In een donkerblauwe trenchcoat en mijn bekakte, maar totaal kapotte college shawl die ik als abandonnement op school aan een kapstok heb aangetroffen, dubbel onder mijn kin geslagen. Een paraplu is tevens noodzakelijk want het regent bij vlagen hevig. Het is kwart over éen ’s middags en ik steek de Gedempte Oude Gracht over en loop langs de brandweerkazerne naar het Spaarne waar ik aanbel bij nummer 108: huize Verwey.
Kees Verwey heeft de reputatie van een moeilijke man te zijn, maar wat kan mij dat schelen.

Zo begon het.
Veel fouten in de continuity kan ik niet maken: een andere jas heb ik niet, ook geen andere bekakte shawl, mijn spijkerbroek is niet moeilijk, … als ik de paraplu maar niet vergeet. Ach, ik woon om de hoek.
En om die hoek bel ik donderdag aan. Kees laat me zelf binnen, zijn vrouw Jeanne is niet aanwezig, en hij vraagt me om, zoals twee dagen eerder, me voor de kamerdeur te posteren met de paraplu ietwat losjes tegen mijn linkerknie geleund. Hijzelf gaat tegenover me in een fauteuil zitten en haalt van links daarnaast een forse plaat hout waarop reeds een groot blad aquarelpapier met papierband is vastgezet. Met een aantal schetsbewegingen zet hij een compositie op het papier. Ik zie niets van de ontwikkelingen op dat papier want de hoek van het blad ten opzichte van mijn ogen maakt me dat onmogelijk. Ik ben negentien jaar oud en ik ben een model voor een groot kunstenaar die niet kijkt naar wie maar naar wat ik ben, heel geconcentreerd. Elke twintig minuten mag ik even gaan zitten. Na anderhalf uur zegt Verwey: “Nu ben ik moe”, en ik mag gaan nadat we een nieuwe afspraak hebben gemaakt, Van het voorlopige resultaat krijg ik niets te zien, en terecht ook.
Ik kan me goed voorstellen dat Verwey op respect gesteld was. Tegelijkertijd hadden we elkaar ook kunnen tutoyeren. Dat deed hij bij mij natuurlijk zeker en ik tutoyeer me intussen een ongeluk, maar ik heb Verwey nooit Kees genoemd. Verwey liet weinig mensen toe in zijn leven, al had hij ongetwijfeld een aantal vrienden die hem bij zijn voornaam noemden. Ik kan me ook voorstellen dat we net zo goed met elkaar hadden kunnen opschieten als ik “je” tegen hem had kunnen zeggen.


Verwey in zijn atelier in 1980 en een zelfportret, vermoedelijk uit de jaren zeventig

De maestro doet zelf open en beluistert mijn voorstel met schijnbare interesse of schijnbare doofheid terwijl ik in de intussen neerstortende regen sta. “Ik snap er niks van”, zegt hij, hij is intussen 76, immers geboren in het jaar 1900. “Kom maar binnen”, en hij gaat me voor naar de voorkamer waar zijn vrouw en hij nog aan het middageten zitten met een gast. En ik ken de gast want het is Willem Snitker, wiens vrouw mijn broer nog cello-les heeft gegeven en bij wier beiden ik thuis in Heemstede nog op de viool heb mee gemusiceerd, en die als kunstenaar lokaal respect heeft. Na een begroeting vraagt Verwey me om mijn plan nog eens uit te leggen, wat ik natuurlijk graag doe.
Na 20 seconden zegt Verwey: “Willem, we gaan het zó doen, jij gaat hem etsen en ik ga hem aquarelleren, aanstaande donderdag, donderdagmiddag!”. Willem heeft er klaarblijkelijk geen zin in en biedt weerstand, hij kan niet, heeft nog zoveel andere dingen te doen, maar hij is duidelijk een vriend des huizes en komt er mee weg. Dan komt mevrouw Verwey, die niet lang geleden een serieus vermogen heeft geërfd en daarmee hun gezamenlijk leven financieel heeft zeker gesteld, in het geweer: “Kees, aanstaande donderdag kun je helemaal niet want dan komt mevrouw *** voor de portretopdracht, daar moet je nog aan werken!”. Ik sta, nog steeds, druipend, op een meter of zes van dit dispuut dat aan de lunchtafel plaatsvindt. “Dat is allemaal allang af!”, meldt Verwey zijn vrouw bozig beslist, die daarop uit vertwijfeling haar blik naar het Spaarne richt.
“Hans!, aanstaande donderdagmiddag om twee uur, maar wel met dezelfde kleren als nu, en ook die paraplu!”. “Ja, Meneer Verwey”. En ik laat mezelf uit en het regent niet meer.

Zo begon het.
Veel fouten in de continuity kan ik niet maken: een andere jas heb ik niet, ook geen andere bekakte shawl, mijn spijkerbroek is niet moeilijk, … als ik de paraplu maar niet vergeet. Ach, ik woon om de hoek.
En om die hoek bel ik donderdag aan. Kees laat me zelf binnen, zijn vrouw Jeanne is niet aanwezig, en hij vraagt me om, zoals twee dagen eerder, me voor de kamerdeur te posteren met de paraplu ietwat losjes tegen mijn linkerknie geleund. Hijzelf gaat tegenover me in een fauteuil zitten en haalt van links daarnaast een forse plaat hout waarop reeds een groot blad aquarelpapier met papierband is vastgezet. Met een aantal schetsbewegingen zet hij een compositie op het papier. Ik zie niets van de ontwikkelingen op dat papier want de hoek van het blad ten opzichte van mijn ogen maakt me dat onmogelijk. Ik ben negentien jaar oud en ik ben een model voor een groot kunstenaar die niet kijkt naar wie maar naar wat ik ben, heel geconcentreerd. Elke twintig minuten mag ik even gaan zitten. Na anderhalf uur zegt Verwey: “Nu ben ik moe”, en ik mag gaan nadat we een nieuwe afspraak hebben gemaakt. Van het voorlopige resultaat krijg ik niets te zien, en terecht ook.

Ik kan me goed voorstellen dat Verwey op respect gesteld was. Tegelijkertijd hadden we elkaar ook kunnen tutoyeren. Dat deed hij bij mij natuurlijk zeker en ik tutoyeer me intussen in brede zin een ongeluk, maar ik heb Verwey nooit Kees genoemd. Verwey liet weinig mensen toe in zijn leven, al had hij ongetwijfeld een aantal vrienden die hem bij zijn voornaam noemden. Ik kan me ook voorstellen dat we net zo goed met elkaar hadden kunnen opschieten als ik “je” tegen hem had kunnen zeggen.
Bij onze volgende “zitting” vertelde Kees me een leuke anekdote. Want Verwey had natuurlijk wel wat meegemaakt. Begin jaren dertig maakte hij het geweldige portret van Lodewijk van Deyssel (Alberdingk Thijm) die scheel was en die ons met éen oog aankijkt in dat portret; geniaal.

Lodewijk van Deyssel door Kees Verwey (detail)

Ze waren ook vrienden, net zoals Verwey ook vrienden was met het halve kunstwereldje in Haarlem (had hij maar in Amsterdam geleefd in plaats van in dat kromme stadje) zoals Heyboer, Harry Prenen, Bomans en de jonge Mulisch.
Dus die Mulisch en Van Deyssel spelen schaak en de eerste wint, waarop Van Deyssel zegt: “Je kunt net zo goed met een hond schaken”. Hierop volgt een lacune in de conversatie die Van Deyssel oplost door te zeggen: “Deze opmerking hoeft niet bevestigd te worden!”. Ik heb het van Verwey gehoord, van niemand anders en hij was erbij.

Enige tijd heeft Verwey les gehad van de ook Haarlemse schilder Henri Boot waarvan wel wordt gezegd dat Verwey er een enkele “neurose” van overgenomen heeft, zoals het op een verwaarlozende manier cultiveren van het eigen atelier.
Het dichtst bij tutoyeren kwamen Verwey en ik toen hij me uitnodigde, na de tweede zitting, om hem te volgen naar zijn atelier op de tweede verdieping van hun huis. Het karakter van dit vroeg 17de–eeuwse huis dient zich al aan bij de voordeur, maar de smalle trapjes op naar twee hoog en naar het aan de voorkant gelegen ruime atelier van Kees verweeft allerlei vormen van oude intimiteit met elkaar. “Nou, dit is het dus”, zei Verwey, toen hij me de ruimte liet betreden.
In zijn ogen beslist het Heilige der Heiligen. Natuurlijk stond er op een ezel een enorm doek waarop hij aan een atelier-stilleven, eigenlijk een portret van het atelier, werkte. Ik kijk als kunstliefhebber nooit naar niet afgemaakt werk, dus ook toen niet. De in deze enorme collectie uitgebloeide bloemen, stukken stof, gips van niks, kleuren en licht van vroeger, gordijnen van toen, veertig jaar oud brood, speelgoed, dingen van wie weet wanneer, met een klein paadje van halverwege het huis naar de voorkant aan het Spaarne waar ik op uit kon kijken door zorgvuldig vergane vitrage … Kees stond me toe om hem op deze manier te tutoyeren: “Ik laat je dit zien, want ik laat je hier toe …”.
Toen ik, liefdevol bedoeld, mijn hand liet gaan over het oppervlak van een heel groot en heel oud, vermoedelijk Belgisch brood, riep Kees me van afstand en met een geaffecteerde stem toe: “Niets aanraken, Hans! Ik heb er vijftig jaar over gedaan om het zo te krijgen!”. En hij had verdomme gelijk: voor Verwey moest zelfs het stof van jaren er zijn om geschilderd te kunnen worden.

De meester is tevreden en kondigt aan dat hij dat met zijn signatuur zal gaan bevestigen. Hij neemt hiervoor een speciaal penseel ter hand en voegt de daad bij het woord, Hierop toont hij mij het resultaat: daar sta ik dan, een door en door gewerkt, laag over laag, staand portret met een ietwat waterig gezicht. Onmiskenbaar mij, maar door de ogen van Kees. Ik wil niet zeggen dat het een analyse is, maar ik kan er nog steeds niet naar kijken alsof het alleen maar een fysieke observatie is. Daarop spreekt, en waarom heb ik het verdiend, Kees de gedenkwaardige woorden: “Morgen breng ik het naar de lijstenmaker en dan laat ik je wel weten wanneer het klaar is en dan moet je het komen ophalen!”.

Twee weken later breng ik alvast bij Verwey als dank de gebonden versie van de laatste dichtbundel van Adriaan Roland Holst langs. Hij is daarmee, wanneer hij die aan de deur in ontvangst neemt, ongelooflijk blij want, voor mij volstrekt onbekend, kreeg hij van Roland Holst elke nieuwe bundel gesigneerd toegestuurd, maar de dichtervorst is net overleden, dus deze had Kees nog niet.

Een week daarna wordt er bij ons op nummer 128 aangebeld. Mijn jongste zusje, dan een jaar of 10, 11, doet open. Onze huiskamer was, gek genoeg, boven en ik hoor haar in mijn richting roepen: “Hans!!, KEES VOOR JE!!” Dus ik naar beneden en inderdaad staat Kees Verwey aan de deur. Kees meldt me dat mijn staand portret, ingelijst en wel, bij hem thuis in de gang klaar staat om door mij afgehaald te worden; alle context is vergeten: het is een geschenk geworden. Maar of ik het wel snel wil komen ophalen want hij krijgt zo mensen op bezoek en die mogen niet weten dat hij zomaar werk weggeeft.

In de periode daarna vinden nog een aantal eigenaardigheden plaats in het contact, “tussen Verwey en tussen mij” (André Hazes of -zeven), maar moet ik daar nog wel aandacht besteden? In zijn gekke lelijkheid was hij steeds, zoals eerder overweldigend, ook eigenlijk heel lief. De laatste jaren van zijn leven heb ik hem niet meer gesproken of ontmoet. Hij gaf in media wel aan dat hij vond dat hij te lang leefde, dat het eigenlijk allemaal onzin was. Ikzelf had andere dingen te doen, maar hem toch een beetje gekend hebbend had ik hem niet bij het hiernumaals kunnen houden.

Contact met een vloeitjesfabrikant

Kort wat vooraf ging:
Omdat mijn favoriete vloeitjes (ik rook nog als zelfroller, net als Paul McCartney) op ene nergens meer verkrijgbaar waren richtte ik me tot de producent. Daarvan kreeg ik een uiterst opgewekt bericht terug (incluis een compliment voor mijn huidige logo) plus een aantal monsters van alternatieven opgestuurd. Tevens werd me de vraag gesteld of ik op de kwaliteit daarvan wilde reageren. Dat heb ik bij deze gedaan. Nu zou ik nog een keer graag bij de fabriek langsgaan om te zien hoe ze dat allemaal voor elkaar krijgen om, los van of je rookt of niet, 50 of 60 vloeitjes in zo’n pakje te krijgen of hoe, bevobbeld, het plakrandje erop komt. Eigenlijk voortkomend uit dezelfde nieuwsgierigheid waardoor ik uiteindelijk met Boudewijn Zwart de toren van de Oude Kerk mee op mocht.

o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o

Opperbest Team Mascotte,

Wat jullie niet wisten is dat jullie pakketje helemaal precies aankwam op mijn 64ste verjaardag! Nou had ik al wel een paar dingen gekregen (aquarelpotloden, het complete dichtwerk van Rainer Maria Rilke, een grappig t-shirt, een antieke dasspeld met vooralsnog onduidelijke edelstenen van de grootvader van mijn vrouw, een reisverhaal in beperkte oplage (75), geschreven en uitgegeven door een oude vriend van mij; te veel om op te noemen, dus. En oh ja, ik vergeet het kookboek East van Meera Sodha, echt een aanrader voor mensen die geen vlees of vis eten), maar het was toch een mooie en zeer sympathieke aanvulling.

Ik ben erg enthousiast over de filters, vooral die met Menthol-smaak. Langere tijd was ik zo’n mietje dat mentholsigaretten rookte, wat wel als voordeel had dat je, tot je eigen verrassing (van wie anders), af en toe mensen ontmoette die iets dergelijks ook rookten. Hun karakters vielen nooit tegen, opmerkelijk genoeg, dus daarmee streelde ik voor het gemak ook maar mijn eigen ego. Weliswaar zijn de twee zakjes met filters nu weggeborgen omdat we onlangs en bij uitzondering iemand te eten kregen, maar dat is waarschijnlijk van tijdelijke aard. Dat lijmlijntje op het filter vind ik een ongelooflijke verfijning, al is het, bij matig of juist te veel licht, soms wel even zoeken, ondanks de indicatieve stippeltjes. Jullie geven zelf ruiterlijk toe dat de filters eigenlijk geschikter zijn voor zelfrollers die dunne sjekkies draaien en daar kan ik me in vinden. Ik ben niet het type van “de bolknak”, maar draai wel iets dikker dan jullie filter suggereert, al ervaar ik dat niet als een groot bezwaar, maar misschien is het een idee om ook een maatje “medium”, naast de “small” op de markt te brengen. Weten jullie trouwens of het gebruik van een filter een minder negatief effect op de gezondheid heeft dan het roken zonder zelf? Wat filtersigaretten aangaat bestaat daar al jaren discussie over.

Wat de vloeitjes betreft: beide varianten zijn van uitmuntende kwaliteit! Een belangrijk nadeel voor mij is echter dat het “doorbranders” zijn. En al heeft iemand wel eens het idee geopperd dat ik zou kunnen ophouden met het doorgaan met het roken (mijn geweldige huisarts David Koetsier, bijvoorbeeld, heeft er persoonlijk zorg voor gedragen dat het roken op de veerponten, hier in Amsterdam, in z’n geheel niet meer werd toegestaan!), ik heb dat altijd in de wind geslagen. Wel rook ik reeds enige tijd per half uur een half sjekkie, zo ongeveer, wat ertoe leidt dat ik per dag zo’n twaalf tot vijftien persoonlijk vervaardigde sigaretten de lucht in blaas. En dat is een stuk minder dan in het verleden. De Extra Thin-vloeitjes van jullie hadden het voordeel dat ze, na het omslaan van een krantenpagina, vanzelf uitgingen, maar jullie huidige assortiment verhindert dat ik, na het lezen van de culturele vrijdagbijlage, nog eens naar mijn rokertje kan grijpen, want dat is dan, geheel op eigen kracht, met het oproken doorgegaan. Ik kan me dan nog slechts, in de traditie van de bukshag, vergrijpen aan de recycling van het peukje als dat nog is wat er überhaupt overblijft (wat ik natuurlijk niet doe). En omdat mijn vrouw niet rookt doe ik dat in het halletje waar een raam op een miniem binnenplaatsje en op het jaloersmakende balkon van de buren uitkijkt wat bij vrieskou natuurlijk een crime is. Maar als ik daar, voor de tweede helft, kom en álles is weg dan is dat toch een beetje lullig, althans: een dergelijk gevoel overkomt me dan.

Type 60 Air Plus vind ik een mooi pakketje, een vormgeving die best mag worden voortgezet in al jullie aanbod. De uitgespaarde hoekjes vind ik erg elegant, al ervaar ik er geen enkel praktisch voordeel van/bij/mee/door. Wel ben ik van mening dat de magneetsluiting uitermate decadent is. Daarnaast is de mededeling dat je het niet mag bewaren naast kinderen en/of een datastrip ietwat vaag. Kinderen herken ik nog wel, maar wat nou precies een datastrip is, is me onduidelijk: OV-chip- of bankkaart, Abbertijn- of museumkaart? Dat magneetsymbooltje achterop is wel weer leuk.

Mochten jullie ook zo’n kleurige naam als de mijne willen dan maak ik die graag, al zijn dan alle copyrights natuurlijk aan mij voorbehouden. Ik geloof dat de ontwerper van het Gauloise-pakje, zo fraai en zo lichtblauw, nooit een honorarium heeft gevraagd maar, vol zelfvertrouwen, éen centime per verkocht pakje. Dat zou hem miljonair hebben gemaakt, als we dat verhaal mogen geloven, maar misschien is het gewoon een Broodje Aap. Hadden jullie trouwens niet vroeger Hein de Kort die wel eens wat voor jullie tekende? Ik ken Hein een beetje: een fijn, maar stotterend mens. En ik heb ook werk van hem. Een aanrader om hem terug te halen/(weer) een functie aan te bieden.

Vanavond heb ik weer lekkere asperges voor ons klaargemaakt, al waren ze iets al denteriger dan de voorgaande keren. Ik hoop voor jullie hetzelfde, want moeilijk is het niet, al zien veel mensen er tegenop.
Verder met allerhartelijkste groet,
Hans

P. S.
Waar komt die naam “Mascotte” toch vandaan? En in hoeveel landen zijn jullie verkrijgbaar?

P. P. S.
Ik overweeg om deze mail aan jullie ook op mijn web-/blog site te plaatsen, dus schrik niet!

“Een hoog concert”; een e-mail aan mijn lieve vriend P.

Terwijl ik aan twee andere teksten bezig ben (1: Gele Boeken (éen letter verschil met een ander genre) en 2: Magisch Denken (mijn interpretatie van een menselijk fenomeen) kreeg ik vanochtend een bericht terug van P. als reactie op mijn bericht aan hem van een dag of tien geleden. In onze correspondentie verwachten we van elkaar geen ogenblikkelijk “weerwoord”, maar terwijl ik in onderstaande weergave helemaal niet inga op de door hem aangeroerde onderwerpen (die zéer de moeite waard waren en zijn) brachten ze me wel onderstaande anecdote voor ogen en de wens om die eens definitief in tekst te gieten. Bij deze dus:

o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o

Deary,
Sorry dat ik beteen (letterlijk uit de mond van van Sonja Oudendijk) terugschrijf. Ik kan natuurlijk wel heel sjiek een week of zo wachten met een antwoord, maar zo’n uitgebreid en fijn breed bericht van jou stimuleert me om iets te laten horen.
E. en ik stonden vandaag lekker laat op, wat niet dagelijks het geval is, maar we weten over het algemeen wat er, in welke vorm dan ook, van de dag resteert heel aardig in te vullen. Wat tiepelen betreft: op dit moment loopt het verschijnen van de door mij gebruikte toetsen, op het scherm van mijn Lap Top ongeveer een seconde achter op mijn daadwerkelijke tikactiviteit. Lastig, zeker omdat ik, net als jij zorgvuldig, helder (en grappig) wil formuleren. Maar goed, dat is allemaal gelul in de marge.

Heb ik je ooit verteld dat ik, in de tijd dat ik bij het Leger des (On)Heils vertoefde, aan de Oudezijds Voorburgwal (OZVBW) te Amsterdam in een prachtig en reusachtig pand waarvan de fraaie voorgevel uit de jaren twintig dateert, dagelijks mee mocht genieten van het kwartierlijk geklingel van het carillon van de Oude Kerk (jaargang 1306)? Van die regelmaat wordt ongeveer 75% van de mensheid stapelkrankzinnig, maar ík níet!

De Oude Kerk (Photo by the Amsterdam Municipal Department for the Preservation
and Restoration of Historic Buildings and Sites
)

=
In de voor jou niet of nauwelijks waarneembare tussentijd maak ik een Latte Macchiato voor E.. Ik ben daarmee namelijk, hier bij / met / voor haar in huis, wereldberoemd, vooral vanwege de nauwelijks minder dan schitterend te noemen kwaliteit van het door mij opgewekte melkschuim. Men dient voor dit schuimkloppen, in zo’n metalen kannetje, waarin je eerst de melk op de kleinste pit van het fornuis tot een graad of 85 verwarmd, ruim de tijd te nemen; eigenlijk drie keer zo lang als je denkt dat Strikt Nood Zakelijk is. Hierbij doet zich het probleem voor dat men tijdens het rustigjes doorstampen van de melk met het onzichtbare, gezeefde vlakje dat men op en neer duwt, geen enkel zicht heeft op het gehoopte resultaat. Een beetje zoals het lampje in de koelkast, maar dan anders, waardoor het een beetje een meditatief karakter krijgt.
In haar voorafgaande opmerking “of we nog een koffie zouden maken” intrigeerde dat “we” me dan ook in hoge mate. Dat zal jij als empathisch mens wel begrijpen.

Coupe Samedi: Ziet dat er lekker uit of héel lekker?
=

We pikken de draad van het voorafgaande weer op:
Eén keer per week gaf (en geeft) de stadsbeiaardier een live-concert vanaf de Oude Kerk op het zo hoog boven de stad weggeborgen instrument. Bedoeld voor iedereen die er een oor voor heeft. Ik ken natuurlijk nogal wat instrumenten, zoals daar zijn: de viool, de piano, de vedel, de cello, de blokfluit, het klokkenspel, de xylofoon (deze zeven vanwege ze zelf wel eens beroerd te hebben) en natuurlijk de rest van het orkest waar ik verder mijn vingers nooit aan heb willen branden. Maar in de buurt van het stokkenklavier van een carillon was ik nog nooit geweest, laat staan dat ik ooit een klok van de geheimzinnige broers Hemony had aangeraakt. Dus heb ik me toentertijd (zonder koudwatervrees, inderdaad) een keer om half vier des middags aan de voet van de toren geposteerd met het oogmerk me aan de beiaardier voor te stellen en hem te verzoeken of ik hem mocht vergezellen. Nou, dat mocht van Boudewijn Zwart, want zo heet hij (ik ken toevallig ook een Boudewijn de Wit vrij goed, maar die speelt geen instrument, bij mijn weten), dus omhoog gingen we. Nou is boven, direct onder die klokken, een rondgaande balustrade in de buitenlucht, met een hardstenen “hekje” afgezet, dat tot net boven mijn knie reikt. En hoewel het uitzicht over onze mooie stad natuurlijk overweldigend is, kun je zaken ook een beetje overdrijven, dus ik was eerlijk gezegd toch een beetje angstig al heb ik, uit principe, geen last van hoogtevrees. Mijn vertigo ging over toen ik binnen (een relatief begrip op die hoogte) eenmaal naast Boudewijn op het bankje voor het klavier mocht plaatsnemen. Ik geloof dat hij begon met iets van Mozart (nog steeds een in mijn oren volstrekt overbodige componist, zoals je weet). Maar hij speelt ook af en toe een popdeuntje of best wel een stukje jazz. Deze ervaring, waarbij ik voor een lied van Ed Sheeran de laatste en dus hoogste stok mocht aanrammen, wat zeker qua timing, nog niet zo eenvoudig is als het lijkt, was zowel leuk, omdat Boudewijn een verschrikkelijk aardige man (en geweldig musicus) is, maar ook enorm indrukwekkend en ontroerend.

Boudewijn Zwart in actie (hier nog zonder Corona-baard); van Boudewijn de Wit heb ik zo gauw even geen portret voorhanden …

Dat stokkenklavier maakt overigens intern een enorme pokkenherrie, zodat daar ter plekke het genieten van de muzikale aspecten van de ervaring een beetje een ondergeschoven kindje wordt, maar daar weegt, zoals je begrijpt, heel veel tegenop.
Na afloop moest en zou ik de breedte van mijn ervaring dan ook met veel bazuingeschal met iedereen om mij heen delen. Zo ook met Doris, mijn Persoonlijk Begeleidster bij voornoemd Leger. Doris is een aardige jonge vrouw, niet heel erg communicatief, maar zeker enigszins mysterieus. Ze liep toen, al ben ik heel slecht in het schatten van leeftijden, omdat ik die ik in ruimere zin onbelangrijk vind, zo’n beetje tegen de dertig. Ze reageerde prompt dat zij zoiets ook wel eens mee wilde maken. Ik ben de beroerdste niet dus ik heb een paar dagen later een tekstbericht aan Boudewijn gestuurd met haar/mijn verzoek waarop hij eenvoudigweg antwoordde: “Welkom!” Dus togen we de vrijdag daarop, te midden van allerlei prostitutieverschijnselen die nu eenmaal eigen zijn aan de buurt, naar de toren. Een wandeling van plusminus 53 seconden. Het beklimmen van de toren kost ongeveer een kwartier, inclusief de rustpauzes op de tussenliggende stoffige, eeuwenoude etages waar je van Boudewijn dan wel weer uitleg krijgt over de diverse zaken die daar rondslingeren. Doris mocht ook aan een touw trekken om daarmee de grote, zware luidklok in werking te brengen terwijl er voor de stad geen enkel tijdstip was dat daarmee zou kunnen corresponderen; geen eenvoudige klus voor een nogal fragiel meisje, maar het lukte toch. Dat kunnen ze haar niet meer afnemen. Het was weer even geweldig als de eerste keer, maar nu ook voor Doris, die boven een groot deel van de tijd “buiten” doorbracht om zowel van des beiaardiers spel als van het zicht op de stad te genieten.
In mijn tekstbericht aan Boudewijn had ik ook een verzoek ingediend, namelijk Tumbling Dice van de Rolling Stones. Hij was er niet nader op in gegaan, maar bleek zich er wel degelijk op voorbereid te hebben door die ochtend een gitaarzetting van het nummer van het internet te downloaden. Aan het instrument gezeten haalde hij deze uit zijn tas en sloeg de partituur voor het eerst open en plaatste die op de muziekhouder. Ja, de Stones kende hij wel, maar dit nummer niet, zo meldde hij me, want ik zat weer gezellig naast hem op het bankje. Voor zover ik zijn uitvoering kon volgen, dwars door het mechanisch kabaal van het klavier heen, was die geheel correct, melodisch zowel als ritmisch. Ik zong dan ook uit volle borst mee, wat hem nauwelijks stoorde aangezien ook mijn bijdrage grotendeels teloorging in het lawaai dat hij zelf veroorzaakte en zeker in de stad geen weerklank vond.
Boudewijn had ook nog een vriend mee, daarboven, een katholieke organist uit het midden van het land, uit Nijmegen bijvoorbeeld, en ik nodigde hen na afloop uit om met mij nog een biertje te drinken, wat we dan ook deden, maar zonder Doris, want die kreeg haar ouders te eten en moest zelfs nog boodschappen doen. Zodoende leerden Boudewijn en ik elkaar wat beter kennen. Hij informeerde geïnteresseerd naar mijn verleden en bezigheden en dus kwamen we ook over onze wederzijdse ideeën over beeldende kunst te spreken. Heel genoeglijk dus, allemaal.
Na een dankberichtje mijnerzijds heb ik sindsdien niets meer van me laten horen, vooral ook omdat de verblijfsperiode bij het Leger afliep en ik naar elders in de stad kon verhuizen. Doris werd echter door de LdH-leiding direct uit haar taak als PB-er van mij ontheven, waarschijnlijk omdat ze enorm op haar flikker kreeg omdat ze zich in het wild met een cliënt had afgegeven. Nou ja.

Omdat E. en ik vanuit de woonkamer dagelijks op de Westertoren uitkijken (behalve bij dichte mist) schoot me ineens te binnen dat ik Boudewijn wel weer eens kon mailen. Zowel om te horen hoe het hem allemaal vergaat en om, vooruitlopend op zaken, alvast maar een nieuw verzoek in te dienen, waarover later iets meer, en om heel brutaal voor te stellen dat E. en ik eens mee de Westertoren op zouden klauteren, want daar speelt hij ook, elke week op dinsdag. Wederom ging Boudewijn niet in op mijn vraag om een nummer uit de naoorlogse liederencatalogus uit te voeren, maar hij vond het wel leuk weer van mij te horen, zo meldde hij in zijn antwoord van een week later, en vond het helemaal prima om ons een keer mee omhoog te nemen, maar nog niet nu in de huidige Corona-tijd, maar hopelijk in de zomer. Temperatuur-mässig komt ons dat niet slecht uit, want in maart anno 2021 wil het alsmaar niet veel warmer worden dan een graad of zes, zeven en ze hebben daarboven geen centrale verwarming noch een straalkacheltje.
Het lied waarom ik Boudewijn heb gevraagd is Famous Blue Raincaot van de bard Leonard Cohen, zonder wiens muziek ik heel goed kan leven, al heeft hij wel een paar mooie dingen geschreven. Maar het is zo’n melancholiek, slepend lied waarvan ik vermoed dat het op een wat somberder dag fantastisch over de stad zou kunnen klinken. Alsof de klanken reeds bij voorbaat, tijdens de uitvoering al, verwaaid zijn. 
Maar toen ik vanmiddag om tien over twaalf me ineens realiseerde dat het raam open moest voor het concert was er helemaal geen Boudewijn te horen (hij zou om twaalf uur begonnen zullen zijn), alleen maar lawaai van de diverse verbouwingen die hier in de omgeving gaande zijn. Die carillonafwezigheid had natuurlijk Boudewijn’s uitvoering van Vier Minuten en Drieëndertig Seconden Stilte van John Cage hebben kunnen zijn, maar ik vermoed van niet. Zo zie je maar weer hoe het in het leven kan lopen. En ik wacht rustig af tot de volgende week, want ik houd mijn oren open. Tevens beloof ik hierbij dat ik dan ook E.’s ramen op tijd zal openen.

Inhoudelijk snijdt dit bericht weinig hout en ik ga in het geheel niet in op allerlei door jou zorgvuldig gestelde vragen of opperingen, maar dat komt binnenkort wel als een addendum. Toen ik je begon terug te schrijven kwam bovenstaande bovendrijven en het heeft me plezier gedaan het eens, in eerste instantie voor jou, op virtueel papier te laten belanden. Misschien zet ik het, bij uitzondering maar weer, op mijn website, als dat van jou mag. Nu gaan E. en ik een wandelingetje maken al noodt het weer daar niet heel erg toe.
Alle liefs, Hans

P. S.
We hebben inderdaad wat boodschappen gedaan en daarna nog een tijdje snoepend en lachend op de Noordermarkt gezeten, al waren Sonja Barend, Dzjerrie Bouw Det, Oek de Jong en Jan Six afwezig.
Ik ben, kortom, gelukkiger dan de afgelopen dertig jaar …

P. P. S.
Uit Het Parool van donderdag 11 maart 2021
Door Peter van Brummelen:

Eerbetoon: donderdag klinkt Radar Love uit de Westertoren

De beiaardier van de Westerkerk doet mee aan het landelijke eerbetoon aan Golden Earring. Donderdagmiddag speelt hij op het carrillon hun grootste hit Radar Love.
Door Peter van Brummelen

Golden Earring in Ahoy in 2019, met rechts gitarist George Kooymans. Beeld ANP Kippa
Golden Earring in Ahoy in 2019, met rechts gitarist George Kooymans.BEELD ANP KIPPA

Een makkelijk  stuk om uit te voeren op het carillon is Radar Love niet, vindt Boudewijn Zwart (58). “Het is vooral een heel ritmisch nummer. Ik kan op het carrillon geen drumstel nadoen natuurlijk, maar ik vind wel een manier om die ritmische patronen te vertalen,” zegt hij door de telefoon. “Die begintonen zijn heel makkelijk. Ik zal het even laten horen, ik zit nu in een kerktoren in IJsselstein.”

Na een heel klein stukje Radar Love in een uitvoering die echt iets toevoegt aan de honderden covers die al van het nummer bestaan: “De mensen van IJsselstein snappen er niets meer van, die denken: wat horen we nu?”

Als professioneel beiaardier bespeelt Boudewijn Zwart carillons in heel Nederland. In Amsterdam speelt hij behalve in de Westerkerk regelmatig ook in de Zuiderkerk en de Oude Kerk. “Omdat ik in dienst van de gemeente ben, hoef ik me niet te beperken tot kerkelijke muziek. Ik doe ook wel verzoeknummers en heb afgelopen jaar bijvoorbeeld Imagine van John Lennon en Purple Rain van Prince gespeeld. Elke dinsdag geef ik om 12 uur een concert.”

Uitgebreid eerbetoon

Donderdagmiddag maakt Zwart van het eerbetoon aan Golden Earring ook een mini-concert van ongeveer twintig minuten. Op het repertoire staan naast Radar Love ook onder meer Another 45 Miles en Weekend Love, andere hits van de groep die onlangs na zestig jaar plotseling ophield te bestaan, toen bekend werd dat gitarist Kooymans aan ALS lijdt. Opgeroepen wordt om op donderdag 11 maart, de dag waarop Kooymans 73 jaar wordt, om 17.15 uur overal in het land Radar Love te draaien of spelen. Het is het nummer waarmee de groep in 1973 wereldwijd succes had.

Zwart verheugt zich er op. “Het is heerlijk om hoog boven de stad muziek te maken. Ik bereik letterlijk de mensen in de straat met wat ik doe. Mijn mooiste applaus is als ik op een terras iemand het liedje hoor fluiten dat ik even tevoren op het carillon speelde.”

Het carillon van de Westerkerk, dat bestaat uit vijftig bronzen klokken, stamt uit de de zeventiende eeuw. “De klokken werden gegoten door François Hemony, die Amsterdammers misschien kennen van de naar hem vernoemde straat. Wat Stradivarius was voor de violen, was hij voor de kerkklokken.”

P. P. S.

Beiaardier Westerkerk speelt Radar Love: ‘Denk dat ik fan word’

Oók door Peter van Brummelen.
Als eerbetoon aan Golden Earring klonk donderdagmiddag in heel het land Radar Love. Hoog boven Amsterdam speelde beiaardier Boudewijn Zwart het nummer op het carillon van de Westerkerk. “Ik denk dat ik fan word.”

null Beeld Lin Woldendorp
BEELD LIN WOLDENDORP

Inclusief de haan op de top is de Westertoren 87 meter hoog. Iets boven de wijzerplaten bevindt zicht het carillon.  Er net onder, op ongeveer 55 meter hoogte, is het domein van beiaardier Boudewijn Zwart. En reken maar dat je daar merkt dat het vandaag hard waait. Heel zachtjes beweegt de toren heen en weer. “Dat moet wel anders breekt hij af,” zegt Zwart droogjes. 
Hij is een man met een gigantische baard, die hij anders dan verwacht niet al jaren heeft, maar die hij pas bij het uitbreken van de coronapandemie liet groeien.

Als een rocker

Klokslag 17.15 uur zet Zwart (58) Radar Love in, de hit die Golden Earring in 1973 wereldroem bracht. Als een ware rocker gaat hij het klavier van het vier eeuwen oude carillon te lijf, zijn rechterhand daarbij tot een vuist gebald. Ook op de pedalen wordt er flink gestampt. Voor zich heeft de beiaardier een partituur, maar die is niet meer dan een richtlijn. Zwart speelt een heel eigen versie van Radar Love.
Die klinkt beduidend anders dan al die coverversies die er al van de klassieke road song bestonden. De neiging daar hoog boven Amsterdam mee te zingen is evengoed groot. ‘No more speed, I’m almost there…’ En dan in het refrein: ‘We’ve got a thing that’s called… radar love!
Op het moment dat de beiaardier het speelt, klinkt Radar Love in heel Nederland. Radiozenders draaien het, bands spelen het, op een enkele plek wordt er een draaiorgel voor ingezet en volgens Zwart doen heel veel collega-beiaardiers mee. Het is het ultieme eerbetoon aan Golden Earring, de groep die onlangs na zestig jaar ophield te bestaan. Gitarist George Kooymans lijdt aan de spierzieke ALS en vandaag, 11 maart, is de dag is waarop hij zijn 73ste verjaardag viert.

Behoorlijke klus

Normaal zit Boudewijn Zwart alleen in de toren, nu is hij omgeven door journalisten en cameralieden. Of het bespelen van een carillon moeilijk is, wordt gevraagd. Valt mee, vindt de beiaardier: “Je moet op de juiste momenten de juiste toetsen aanslaan.” Radar Love bewerken voor carillon was evengoed best een klus. “Het is een heel ritmisch stuk. Ik heb een uitvoering bedacht waarbij ik met mijn linkerhand en mijn voeten vooral de drummer nadoe.”

Boudewijn Zwart, die al op zijn tiende zeker wist dat hij beiaardier wilde worden, is niet opgegroeid met popmuziek. Van Golden Earring had hij gehoord, maar hij had zich nooit verdiept in de groep. “Bij Radar Love dacht ik eventjes: is dit het nou?” Nu is hij gegrepen door het nummer: “Ik bespeel carillons in heel Nederland en ga Radar Love deze week ook nog spelen in Den Helder, Dordrecht, Schoonhoven en Barneveld.”
Hij heeft inmiddels ook andere songs van Golden Earring op zijn repertoire staan. “Ze hebben ook heel melodische stukken, ik vind vooral Just a Little Bit of Peace in my Heart en Going to the Run mooi. Ik denk dat ik fan van de groep word.”
Grote waardering heeft hij in het bijzonder voor George Kooymans: “Hij is, zoals wij dat noemen, een complete musicus. Hij is instrumentalist, hij kan geweldig gitaarspelen, maar hij is ook zanger én hij componeert.”