Uitgelicht

Over het Openen van Ramen

(Long as I can see the light)

Het is eind maart en ik zit op een terrasbank op een rustiek pleintje in Amsterdam-Zuid; in De Pijp, eigenlijk. Het cafeetje waar mijn terras bij hoort is onderdeel van een fraai Amsterdamse Schoolcomplex van zo’n vijftig bij twintig meter, opgeleverd in 1920 en ontworpen door de onvermijdelijke architect Piet Kramer. Dit complex neemt het gehele deel van de langere, oostelijke zijde van het pleintje in beslag.
Ik zit op een plek waarvan ik weet dat de nog jonge voorjaarszon me tussen vier en vijf uur op m’n leuke toetje zal schijnen. De eigenares van het café, geïnteresseerd in cultuur en zo, is erg mooi, maar wel spichtig. Bij de vorige vroege lentedag stiftte ze, kort nadat ik arriveerde, haar lippen vuurrood. Voor mij, nam ik voor het gemak maar aan, hoewel een voorspoedige verhouding, onder andere door ons leeftijdsverschil, me vooralsnog niet in het verschiet lijkt te liggen en ik eigenlijk ook spichtig ben.
Ik lees een mooi boek, maar pauzeer bij tijd en wijle en kijk dan om me heen of luister naar naburige gesprekken. Naast me op de bank vergelijken twee jongere vrouwen hun mislukte en tijdelijk geslaagde relaties; twee tafeltjes verder op het terras praten twee mannen over vrouwen. Ik drink daarbij een Italiaans biertje.
Volgende week wordt het weer een stuk frisser.

In de noordelijke, kortere, gevelrij (laat 19de-eeuws, maar verder best in orde) lapt een vrouw haar uitzicht en schuift daarna een raam omhoog en steekt een sigaret op. Klaarblijkelijk rookt ze binnen liever niet. Halverwege de sigaret verdwijnt ze, maar prompt daarop gaan de dubbele deuren naar haar Franse balkonnetje open en zet ze zichzelf neer op een klapstoeltje in de zon.
Hoe oud, mooi, of lelijk ze is, kan ik, vanwege de afstand en het gebrek aan mijn verrekijker niet duiden, maar dat speelt nu ook even geen rol. Vanaf haar tweede etage heeft ze een vergelijkbaar zicht op het plein met platanen als ik, maar dan in vogelperspectief.
Ik vind dat het opendraaien, openklappen of openschuiven van een raam iets magisch heeft. De amorfe eigenschappen van glas, die me altijd enige angst inboezemen, dragen er zorg voor dat je “binnen” zit, terwijl je toch informatie krijgt over “buiten”. Ik vind dat een geweldige uitvinding. Vroeger, toen vensterglas nog niet kon worden gefabriceerd, kwamen buiten en binnen op hetzelfde neer, behalve dat je buiten natregende en binnen niet. En toen vensterglas nog heel duur was nam de adel, wanneer ze naar hun zomerkasteel verhuisde, het glas mee om, al was het prachtig weer, toch ook af en toe “binnen” te kunnen zitten.

In het huis waar ik opgroeide hadden we ramen die je naar boven opentilde. Die zijn, per definitie, zwaar en daarom waren ze ook, met onzichtbare ophanging aan touwen, voorzien van contragewichten, zodat ook mijn moeder bijvoorbeeld, die handeling zonder problemen kon verrichten. Niet dat dat vaak gebeurde, want ons huis stond aan een drukke straat vol autogassen en lawaai. Uiteindelijk konden de ramen helemaal niet meer open omdat voornoemd touw vergaan en daardoor gebroken was.
Vanuit de woonkamer, die zich tegen alle regels in op éen hoog bevond, hadden we natuurlijk zicht op de overkant van de straat. Naast de kunstschilder Kees Verwey, die mij nog eens zou portretteren, kwam daar menig ander karakteristiek type voorbij. De Trompetter, die was blijven hangen in een drugspsychose, waardoor hij, in het openbaar, ellenlange speeches over niets hield, maar hij speelde nog wel zijn instrument. Of De Blote Voetenman, zijn epitheton beschrijft zijn markantste aspect, die zich, ook nog eens, altijd in pyjama kleedde maar zonder gêne stevig doorstapte. Beiden gaven echter geen sjoege op ons bestaan achter het bovenraam. Maar er was wel degelijk De Turk Met Het Been, die dagelijks passeerde en ons zwaaiend groette, evenals wij hem. Tot een nadere kennismaking kwam het nooit en niemand voelde daar een noodzaak toe.
Tevens trof het enorm dat zich tegenover ons de hoofdvestiging van de stedelijke brandweer bevond. Naast het enorme voordeel dat het mijn vader enige procenten in de kosten van een vrijwel kosteloze brandverzekering scheelde, leverde het ook onophoudelijk sociaal contact met de mannen op, want de kazerne was natuurlijk dag en nacht bezet.
Kortom: het kijken en zwaaien, van binnen naar buiten, en vice versa, werd mij met de paplepel ingegoten. Ook doordat we vader, die een eind verderop in de stad zijn baan had, elke dag, ’s ochtends en na het middageten, uitzwaaiden tot hij onzichtbaar was geworden.

Een raam is dus wel iets bijzonders: je kunt je er achter verschuilen, eventueel met de gordijnen dicht, of je kunt het open doen wanneer je de buitenwereld durft in te ademen. Kunstenares Yoko opent ostentatief de luiken wanneer John Imagine zingt.

De kunstenaar Tim Ayres, die met grote regelmaat tekst tot beeldend onderwerp van zijn schilderijen maakt, heeft ooit een werk gemaakt dat voorstelde: Finally I’ve opened all the windows. Het geluk dat uit deze voorstelling straalt weerspiegelt tevens een wanhoop die aan de uitspraak vooraf ging.
Om even binnen de wereld van de beeldende kunst te blijven (op muziek kom ik zo dadelijk): Picasso, Matisse, Vermeer, De Hoogh, Bonnard en vele anderen hebben het venster, als beeldend onderdeel, regelmatig in hun schilderijen opgenomen. En niet alleen als licht brengend element in het afgebeelde interieur.

Wandelend door stedelijke straten en grachten kijk ik ook altijd door ramen naar binnen om te zien wat men zoal aan wanddecoratie heeft hangen. Een enkele keer heb ik wel eens aangebeld om te vragen of ik een schilderij nader mocht bekijken. Dat mocht meestal. Toon mij uw venster en ik vertel u wie u bent, als het ware.
Als ik nu uit mijn eigen raam, op een tweede verdieping, kijk zie ik in metselstructuren gevatte vensters aan de overkant. Nou ben ik ook geïnteresseerd, want niets menselijks is mij vreemd, in metselwerk en voegen, maar in dit geval zijn die niet erg boeiend want ze komen uit een wat minder sterke periode, wat architectuur betreft. Mijn straat is, relatief, aan de nauwe kant dus onlangs zwaaide een overbuurman naar me terwijl ik de lucht bestudeerde en stak zelfs zijn duim omhoog; waarom mag Joost weten, maar ik groette natuurlijk van harte terug. In een ander raam zit vaak een jong stel naar een televisie te kijken, met hun ruggen naar mij toe. Serieuze redenen om hiervoor m’n verrekijker uit zijn huls te halen heb ik dus nog niet kunnen verzinnen.

John Fogerty schreef voor zijn band Creedence Clearwater Revival het lied Long as I can see the light. Het begint met de zin Put a candle in the window. De tekst lijkt in eerste instantie uit elkaar te vallen, want de ik-persoon maakt duidelijk dat hij weg wil, op een reis móet. Het kwartje valt echter wanneer hij aangeeft om zeker ook terug te willen komen. En dat de brandende kaars in het raam zijn anker is. “Wacht op mij, wees er voor mij als ik terug kom”. Het raam als een soort worm hole waardoor je naar het licht kunt gaan, maar er ook weer door kan terugkeren.

Twee kunstenaars, John Cage en Neil Diamond, ervaren muziek wanneer ze het raam openen. Cage, een nogal esoterisch typje, maar zeer invloedrijk en bekend van zijn pianocompositie Vier Minuten en Drieëndertig Seconden Stilte, heeft ook een tamelijk kaal werk geschreven dat bestaat uit het openen van een venster in New York City. Het lawaai van sirenes, auto’s, een blaffende hond, kan het muzikaal resultaat zijn, als een brute maar eerlijke melodie. Mogelijk in navolging hiervan schrijft Neil Diamond, een nogal Middle-of-the-Road typje (maar ik ben een groot fan), het lied Beautiful Noise (coming down from the street). Hierin benoemt hij de stadsgeluiden die door een geopend raam naar binnen komen als een op zichzelf staande schoonheid. Hij zingt er dus over als een wederzijdse liefdesverklaring: van de stad aan hem terwijl hij de grote stad bezingt.
Nee, dan heb je ook nog Van Morisson met zijn lied Cleaning Windows over het zeer zinnige beroep van ramenwasser, waarin hij uitspreekt dat hij een gelukkig man is, op de toppen van zijn kunnen.
En Frank Sinatra zingt in Out beyond the window, dat hij elk jaar een etage hoger gaat wonen en, intussen, de hemel bijna kan aanraken en dat hij de wolken kan verschuiven. Maar er zijn bijna geen wolken meer en komt er niemand meer bij hem langs.

Het openen van een raam en het daarna, later, weer sluiten, is als een zeer trage knipoog. En wat je, tijdens die knipoog,  gezien of gemist hebt kan wel een tijdje een raadsel blijven. Door een voordeur stap je naar buiten, de wereld in. Door een raam ben je waarnemer, of wordt je, eventueel, waargenomen, in voor- en tegenspoed. Een open raam is als een liefde op de lagere school (hierbij moet ik zelf denken aan Ellie Dekker): er gebeurt niks, je weet van niks, maar je voelt van alles. Een flakkerend vuur halverwege iets of niets worden, om het maar eens weinig dynamisch uit te drukken.
Na dit alles grondig te hebben overdacht, waardoor mijn bierglas leeg is, zie ik, tachtig meter van me vandaan, door de nog kale platanen heen, de vrouw haar balkondeuren sluiten, het vensterglas kussen, en zich terugtrekken in een wereld waar ik geen donder mee te maken heb.

Voor Han!

Amsterdam, 29 maart 2019

Hans Gieles

Rowwen Heze-uitzicht over het IJ: “Een Trein een Boot”

Zoals ik net aan de jongens van Rowwen Heze schreef heb ik nog geen foto van een auto op een vliegteug, maar deze maakte ik vanmiddag vanaf het Stenen Hoofd in Amsterdam:

Wat mij betreft mogen The Heze Boys hem gebruiken als ze m’n naam en site maar vermelden. Ik vond het een sensationeel beeld, al schoot me de associatie met hun wereldnummer pas later te binnen.

Iedereen veel rijpe abrikozen toewensend,
Hans

Het is nog niet te laat 001: Asperges

We hebben nog ruim twee weken te gaan, namelijk tot 24 juni, het totaal overbodige feest van Sint Jan. Daar zijn redenen voor, maar die moet je zelf maar op het web opzoeken.
E. en ik eten al een paar maanden met grote regelmaat asperges. Al sinds eind maart, geloof ik (dankzij het geweldig Jumbo-filiaal aan de Westerstraat), terwijl 25 jaar geleden het geen/wel asperges-kantelpunt bij de groentejuwelier op z’n vroegst rond mijn verjaardag (17 april) lag.

Maar eerst even iets anders, namelijk De Merel.
Omdat de merel éen van E.’s favoriete vogels is (en wat zang betreft zéker ook van mij) kocht ik voor haar enkele dagen geleden bij de lokale distributeur van tabak, ongezonde prentbriefkaarten, tijdschriften en van eigenlijk verwaarloosbare, maar soms per ongeluk in de roos getroffen prullaria een Nepmerel uit een reeks van vogelimitaties in stof die de werkelijkheid soms wél, maar meestal niet benaderen (naast de merel was de huismus de uitzondering op dat verschijnsel, al was de mus wel drie keer zo groot als in het echte leven). Bovendien maakt De Merel ook geluid! En dat benadert, in een herhaalde versie van hetzelfde melodietje, verdomd goed een zangetje van een willekeurige merel, van zeg maar steeds een seconde of zes. Nu stond Edna zojuist in het open raam de Avondmerel (gek genoeg hebben we hier ook een Middagmerel, al kan het natuurlijk hetzelfde vogelpersonage zijn) uit te dagen met haar nieuwe speeltje. En wie schetst onze verbazing dat meneer of mevrouw (waarschijnlijk de eerste, maar ik zeg dat in het huidige tijdsgewricht met grote huivering) er niet alleen op reageert, maar de melodie ook, in eerste instantie, spat zuiver imiteert, maar er daarna ook op varieert. Toch wel bijzonder, zo midden in De Jordaan. Op éen of andere manier krijg ik het niet voor elkaar om hier de geluidsopname van E.’s hoor en wederhoor te incorporeren (een beetje gek, want in een e-mail aan vriend P. lukte het prima, al heb ik nog niks van hem erover terug gehoord), maar geloof me: het is erg de moeite waard.
En zojuist krijgt E. het bericht van haar mondhygiëniste dat het het beste is om, voor de nogal vroege afspraak morgen, het alarm op “Merel” te zetten. Dat moet een leuke vrouw zijn.

Terug naar de asperges: Veel mensen vinden het “zo’n gedoe” om ze klaar te maken. Da’s allemaal gelul want het is minder werk dan aardappels schillen. Het is eigenlijk de oudste beweging ter wereld, zou ik bijna zeggen (mijn ouders kwamen uit Bergen op Zoom dat naast Zuid-Limburg een broedplaats van aspergetelers was en is): gewoon vanaf een centimeter of zes onder het kopje (het aspergecentrum zegt vanaf drie centimeter, maar dat is zonde) naar het uiteinde toe schillen. Ik doe dat altijd anderhalf keer, dus steeds ook een beetje meeschillen wat je eerder hebt gedaan. Van belang is dat je bekijkt welke structuur tevoorschijn komt. De egale glans moet weg en de korrelige structuur van het innerlijk, de ziel van de asperge, zeg maar, moet zichtbaar worden. Zolang die egale glans er nog is zul je die tussen je tanden tijdens het eten tegenkomen. Twee keer rondom schillen is ook een zonde en echt iets voor Michelin-types, al moet je natuurlijk bij de aanschaf, voor zover de keuze aan jezelf is, de dikste uitzoeken. Wat dat laatste betreft is het toezicht op selecterend personeel, op de markt of bij voornoemde -juwelier, van groot belang, want die willen ook de dunne kwijt. Het begrip “dik” moet dan ook als een glijdende schaal worden beschouwd wanneer zij ze kiezen. De kwaliteit van verse dikke asperges wordt uitgedrukt in letters en cijfers (AA1 is de beste), maar ik heb goed te boek staande groenteboeren meegemaakt die een mêlee aan wit goud voor het hoogste laten doorgaan. Houd rekening met dat alles en er een oogje op.
Enige tijd geleden zag ik de onvolprezen, maar vaak sikkeneurige Robert Kranenborg op de televisie. Hij bereidde asperges met derden. Eén van de kandidaten had van haar ouders geleerd dat het vooraf garen van de schillen in het kookwater extra smaak toevoegt. Nou, daar had Robert nog nóóit van gehoord. Terwijl het wel degelijk verschil maakt. Sterker nog: ik heb een keer in mijn toenmalige galerie, gedurende een lang weekend, voor veel af en aan langskomende mensen, twaalf kilo van de lekkere jongens bereid, maar daarbij steeds hetzelfde kookvocht gebruikt. De smaak werd steeds intenser en op zondag werd het resultaat door menigeen beoordeeld als best ever. Daarom bewaar ik ook thuis na klein gezelschap het kookvocht, direct na het afkoelen en maximaal een dag of drie (precies de regelmaat van het huidige genot), in de koelkast voor een volgende beurt (en zo verder, tot het eigenaardig ruikt of er vlokken die me niet bevallen in voor beginnen te komen).

Naarmate het seizoen vordert moet je er van uitgaan dat de kooktijd steeds iets langer wordt. In april kook ik ze vijf minuten, in mei zeven en in juni acht. Daarna steeds vijftien tot twintig minuten nagaren, afhankelijk van of er nog een drankje moet worden ingeschonken of dat er nog iemand naar de wc moet (zijn asperges niet ook vocht afdrijvend?).
Waar je ze verder mee combineert laat ik aan eenieder over, al is voor mij puurder beter. Restexemplaren (?!) zijn de volgende dag ook lekker, niet te koud en even uitgelekt op een stukje keukenpapier, al moet je dan wel zorgen er als eerste bij te zijn want anders zijn ze op raadselachtige wijze verdwenen en de ham en/of de zalm ook.

Omdat in ons kasteel in De Jordaan wegens de mooie avond aan alle kanten de ramen open staan, concurreren de merels niet alleen met elkaar maar nu ook met Indian Jones, want die is maar weer eens op tv. Of dat het mooiste amalgaam is weet ik niet, maar de asperges (een pond per persoon) hebben we vanavond in ieder geval binnen. Nu nog de appeltaart zien weg te werken.

Psst-1:
Aan recepten en suggesties is het internet zo rijk dat ik daar niet aan ga of wil beginnen.

Psst-2:
Ik kan ook geen toepasselijke afbeeldingen vinden bij voorgaand gebabbel, dus beschouw de tekst maar als een Concertante uitvoering van iets dat vele malen rijker had kunnen zijn.

Kees Verwey

Spaarne 108: op 2 hoog had Verwey z’n atelier

Hemelsbreed misschien 200 meter, te voet 300 meter, was het van mijn geboortehuis lopen naar het huis van Kees Verwey. De toen al vrij oude Haarlemse schilder kwam, vanwege boodschappen of gewoon voor een ommetje, regelmatig bij ons aan de overkant voorbij. En net als De Trompetter, De Blote Voetenman, De Turk met het Been, de Dronken Bezoeker van Café Van Egmond werd ook Kees Verwey door alle leden van ons gezin bij het passeren op- en aangemerkt. Met De Turk met het Been was een relatie van heen en terug zwaaien ontstaan, zoals we ook des ochtends en na het middageten onze vader uitwuifden wanneer die met driftige pas terugliep naar zijn werk. Alle andere geobserveerden waren zich niet bewust van onze waarneming en gingen huns weegs zonder zich van onze alertheid iets aan te trekken. Het afwachten van het voorbij komen van bijvoorbeeld De Turk was niet saai want we woonden tevens tegenover de Haarlemse brandweerkazerne en naar alle brandweerlieden zwaaiden we ook de hele dag door wanneer we ons aan elkaars raam meldden.

Het ging met mij op de middelbare school nogal matig. Niet dat ik niks kon, maar het interesseerde me allemaal maar matig waardoor ik niet de lineaire progressie doormaakte die van iemand met mijn intelligentie verwacht mocht worden. Na twee keer te zijn blijven zitten mocht ik uiteindelijk zeer succesvol het Hoger Algemeen Vormend Onderwijs afronden. Intussen had ik wel allerlei buitenschoolse activiteiten tot mijn hoofdbezigheid verheven: de Sinterklaasactie, het voorkomen dat de school werd opgeheven, de Duitse lesuren vermijden, het ontregelen van het gangbare met vrienden, toneelspelen, The Beatles afspelen tijdens alle pauzes en het mede-redigeren van het schoolblad.
Daarnaast zaten we regelmatig in het café om te biljarten met enkele leraren of ergens op zolderkamers naar Neil Young, Neil Diamond of Bruce Springsteen te luisteren. Ook was ik verliefd op allerlei meisjes die dat wel of niet op mij waren, maar tot een ontbolstering kwam dat bij mij niet.

Geërgerd door dit monotone bestaan ontstaat bij ons als vrienden het idee om eens een “culturele dag” te organiseren waarbij iedereen zijn beste en eigenste artistieke beentje zal voorzetten: muziek, voordracht, kunst, komedie, et cetera.
Een en ander zal plaatsvinden ten huize van Pieter waar sowieso altijd een totale, maar zwoele anarchie heerst en het een permanente zoete inval is: er zijn hier namelijk twee tennisbanen, een ongelooflijk uitgebreide tuin, een keuken en kamers, beneden en boven. Er is personeel (een vanaf ’s ochtends 11 uur wegens sherry aangeschoten schat van een vrouw), moeder Jill die zich al jaren gedraagt alsof ze jonger is dan wij en die bovendien van adel is met een huis in Grasse en die ons permanent tot de Scientology Church wil bekeren en haar vriend Tom, een schat van een man waarbij Liberace niet in de schaduw kon staan. Alles bij elkaar een onvoorstelbaar charmante biosfeer.
De gehele voorbereidingsperiode beperkt zich natuurlijk tot niet meer dan een week of drie, vier. Het bestellen van drank blijkt het eenvoudigste van alles. Lokale dichters, schrijvers en acteurs worden uitgenodigd, want het moet per slot van rekening een Haarlemse aangelegenheid worden en ik werp me op de beeldende kunst en stel een plan voor: ik zal wel eens even alle kunstenaars uit de omgeving bij elkaar halen om een recent werk te tonen in een soort ad hoc tentoonstelling op de dag zelf. Een en ander zal voor zo ongeveer de helft z’n beslag krijgen.

Maar zo begon het.
Het was een weekend in 1976. Op dinsdag trek ik de stoute schoenen aan. In een donkerblauwe trenchcoat en mijn bekakte, maar totaal kapotte college shawl die ik als abandonnement op school aan een kapstok heb aangetroffen, dubbel onder mijn kin geslagen. Een paraplu is tevens noodzakelijk want het regent bij vlagen hevig. Het is kwart over éen ’s middags en ik steek de Gedempte Oude Gracht over en loop langs de brandweerkazerne naar het Spaarne waar ik aanbel bij nummer 108: huize Verwey.
Kees Verwey heeft de reputatie van een moeilijke man te zijn, maar wat kan mij dat schelen.

Zo begon het.
Veel fouten in de continuity kan ik niet maken: een andere jas heb ik niet, ook geen andere bekakte shawl, mijn spijkerbroek is niet moeilijk, … als ik de paraplu maar niet vergeet. Ach, ik woon om de hoek.
En om die hoek bel ik donderdag aan. Kees laat me zelf binnen, zijn vrouw Jeanne is niet aanwezig, en hij vraagt me om, zoals twee dagen eerder, me voor de kamerdeur te posteren met de paraplu ietwat losjes tegen mijn linkerknie geleund. Hijzelf gaat tegenover me in een fauteuil zitten en haalt van links daarnaast een forse plaat hout waarop reeds een groot blad aquarelpapier met papierband is vastgezet. Met een aantal schetsbewegingen zet hij een compositie op het papier. Ik zie niets van de ontwikkelingen op dat papier want de hoek van het blad ten opzichte van mijn ogen maakt me dat onmogelijk. Ik ben negentien jaar oud en ik ben een model voor een groot kunstenaar die niet kijkt naar wie maar naar wat ik ben, heel geconcentreerd. Elke twintig minuten mag ik even gaan zitten. Na anderhalf uur zegt Verwey: “Nu ben ik moe”, en ik mag gaan nadat we een nieuwe afspraak hebben gemaakt, Van het voorlopige resultaat krijg ik niets te zien, en terecht ook.
Ik kan me goed voorstellen dat Verwey op respect gesteld was. Tegelijkertijd hadden we elkaar ook kunnen tutoyeren. Dat deed hij bij mij natuurlijk zeker en ik tutoyeer me intussen een ongeluk, maar ik heb Verwey nooit Kees genoemd. Verwey liet weinig mensen toe in zijn leven, al had hij ongetwijfeld een aantal vrienden die hem bij zijn voornaam noemden. Ik kan me ook voorstellen dat we net zo goed met elkaar hadden kunnen opschieten als ik “je” tegen hem had kunnen zeggen.


Verwey in zijn atelier in 1980 en een zelfportret, vermoedelijk uit de jaren zeventig

De maestro doet zelf open en beluistert mijn voorstel met schijnbare interesse of schijnbare doofheid terwijl ik in de intussen neerstortende regen sta. “Ik snap er niks van”, zegt hij, hij is intussen 76, immers geboren in het jaar 1900. “Kom maar binnen”, en hij gaat me voor naar de voorkamer waar zijn vrouw en hij nog aan het middageten zitten met een gast. En ik ken de gast want het is Willem Snitker, wiens vrouw mijn broer nog cello-les heeft gegeven en bij wier beiden ik thuis in Heemstede nog op de viool heb mee gemusiceerd, en die als kunstenaar lokaal respect heeft. Na een begroeting vraagt Verwey me om mijn plan nog eens uit te leggen, wat ik natuurlijk graag doe.
Na 20 seconden zegt Verwey: “Willem, we gaan het zó doen, jij gaat hem etsen en ik ga hem aquarelleren, aanstaande donderdag, donderdagmiddag!”. Willem heeft er klaarblijkelijk geen zin in en biedt weerstand, hij kan niet, heeft nog zoveel andere dingen te doen, maar hij is duidelijk een vriend des huizes en komt er mee weg. Dan komt mevrouw Verwey, die niet lang geleden een serieus vermogen heeft geërfd en daarmee hun gezamenlijk leven financieel heeft zeker gesteld, in het geweer: “Kees, aanstaande donderdag kun je helemaal niet want dan komt mevrouw *** voor de portretopdracht, daar moet je nog aan werken!”. Ik sta, nog steeds, druipend, op een meter of zes van dit dispuut dat aan de lunchtafel plaatsvindt. “Dat is allemaal allang af!”, meldt Verwey zijn vrouw bozig beslist, die daarop uit vertwijfeling haar blik naar het Spaarne richt.
“Hans!, aanstaande donderdagmiddag om twee uur, maar wel met dezelfde kleren als nu, en ook die paraplu!”. “Ja, Meneer Verwey”. En ik laat mezelf uit en het regent niet meer.

Zo begon het.
Veel fouten in de continuity kan ik niet maken: een andere jas heb ik niet, ook geen andere bekakte shawl, mijn spijkerbroek is niet moeilijk, … als ik de paraplu maar niet vergeet. Ach, ik woon om de hoek.
En om die hoek bel ik donderdag aan. Kees laat me zelf binnen, zijn vrouw Jeanne is niet aanwezig, en hij vraagt me om, zoals twee dagen eerder, me voor de kamerdeur te posteren met de paraplu ietwat losjes tegen mijn linkerknie geleund. Hijzelf gaat tegenover me in een fauteuil zitten en haalt van links daarnaast een forse plaat hout waarop reeds een groot blad aquarelpapier met papierband is vastgezet. Met een aantal schetsbewegingen zet hij een compositie op het papier. Ik zie niets van de ontwikkelingen op dat papier want de hoek van het blad ten opzichte van mijn ogen maakt me dat onmogelijk. Ik ben negentien jaar oud en ik ben een model voor een groot kunstenaar die niet kijkt naar wie maar naar wat ik ben, heel geconcentreerd. Elke twintig minuten mag ik even gaan zitten. Na anderhalf uur zegt Verwey: “Nu ben ik moe”, en ik mag gaan nadat we een nieuwe afspraak hebben gemaakt. Van het voorlopige resultaat krijg ik niets te zien, en terecht ook.

Ik kan me goed voorstellen dat Verwey op respect gesteld was. Tegelijkertijd hadden we elkaar ook kunnen tutoyeren. Dat deed hij bij mij natuurlijk zeker en ik tutoyeer me intussen in brede zin een ongeluk, maar ik heb Verwey nooit Kees genoemd. Verwey liet weinig mensen toe in zijn leven, al had hij ongetwijfeld een aantal vrienden die hem bij zijn voornaam noemden. Ik kan me ook voorstellen dat we net zo goed met elkaar hadden kunnen opschieten als ik “je” tegen hem had kunnen zeggen.
Bij onze volgende “zitting” vertelde Kees me een leuke anekdote. Want Verwey had natuurlijk wel wat meegemaakt. Begin jaren dertig maakte hij het geweldige portret van Lodewijk van Deyssel (Alberdingk Thijm) die scheel was en die ons met éen oog aankijkt in dat portret; geniaal.

Lodewijk van Deyssel door Kees Verwey (detail)

Ze waren ook vrienden, net zoals Verwey ook vrienden was met het halve kunstwereldje in Haarlem (had hij maar in Amsterdam geleefd in plaats van in dat kromme stadje) zoals Heyboer, Harry Prenen, Bomans en de jonge Mulisch.
Dus die Mulisch en Van Deyssel spelen schaak en de eerste wint, waarop Van Deyssel zegt: “Je kunt net zo goed met een hond schaken”. Hierop volgt een lacune in de conversatie die Van Deyssel oplost door te zeggen: “Deze opmerking hoeft niet bevestigd te worden!”. Ik heb het van Verwey gehoord, van niemand anders en hij was erbij.

Enige tijd heeft Verwey les gehad van de ook Haarlemse schilder Henri Boot waarvan wel wordt gezegd dat Verwey er een enkele “neurose” van overgenomen heeft, zoals het op een verwaarlozende manier cultiveren van het eigen atelier.
Het dichtst bij tutoyeren kwamen Verwey en ik toen hij me uitnodigde, na de tweede zitting, om hem te volgen naar zijn atelier op de tweede verdieping van hun huis. Het karakter van dit vroeg 17de–eeuwse huis dient zich al aan bij de voordeur, maar de smalle trapjes op naar twee hoog en naar het aan de voorkant gelegen ruime atelier van Kees verweeft allerlei vormen van oude intimiteit met elkaar. “Nou, dit is het dus”, zei Verwey, toen hij me de ruimte liet betreden.
In zijn ogen beslist het Heilige der Heiligen. Natuurlijk stond er op een ezel een enorm doek waarop hij aan een atelier-stilleven, eigenlijk een portret van het atelier, werkte. Ik kijk als kunstliefhebber nooit naar niet afgemaakt werk, dus ook toen niet. De in deze enorme collectie uitgebloeide bloemen, stukken stof, gips van niks, kleuren en licht van vroeger, gordijnen van toen, veertig jaar oud brood, speelgoed, dingen van wie weet wanneer, met een klein paadje van halverwege het huis naar de voorkant aan het Spaarne waar ik op uit kon kijken door zorgvuldig vergane vitrage … Kees stond me toe om hem op deze manier te tutoyeren: “Ik laat je dit zien, want ik laat je hier toe …”.
Toen ik, liefdevol bedoeld, mijn hand liet gaan over het oppervlak van een heel groot en heel oud, vermoedelijk Belgisch brood, riep Kees me van afstand en met een geaffecteerde stem toe: “Niets aanraken, Hans! Ik heb er vijftig jaar over gedaan om het zo te krijgen!”. En hij had verdomme gelijk: voor Verwey moest zelfs het stof van jaren er zijn om geschilderd te kunnen worden.

De meester is tevreden en kondigt aan dat hij dat met zijn signatuur zal gaan bevestigen. Hij neemt hiervoor een speciaal penseel ter hand en voegt de daad bij het woord, Hierop toont hij mij het resultaat: daar sta ik dan, een door en door gewerkt, laag over laag, staand portret met een ietwat waterig gezicht. Onmiskenbaar mij, maar door de ogen van Kees. Ik wil niet zeggen dat het een analyse is, maar ik kan er nog steeds niet naar kijken alsof het alleen maar een fysieke observatie is. Daarop spreekt, en waarom heb ik het verdiend, Kees de gedenkwaardige woorden: “Morgen breng ik het naar de lijstenmaker en dan laat ik je wel weten wanneer het klaar is en dan moet je het komen ophalen!”.

Twee weken later breng ik alvast bij Verwey als dank de gebonden versie van de laatste dichtbundel van Adriaan Roland Holst langs. Hij is daarmee, wanneer hij die aan de deur in ontvangst neemt, ongelooflijk blij want, voor mij volstrekt onbekend, kreeg hij van Roland Holst elke nieuwe bundel gesigneerd toegestuurd, maar de dichtervorst is net overleden, dus deze had Kees nog niet.

Een week daarna wordt er bij ons op nummer 128 aangebeld. Mijn jongste zusje, dan een jaar of 10, 11, doet open. Onze huiskamer was, gek genoeg, boven en ik hoor haar in mijn richting roepen: “Hans!!, KEES VOOR JE!!” Dus ik naar beneden en inderdaad staat Kees Verwey aan de deur. Kees meldt me dat mijn staand portret, ingelijst en wel, bij hem thuis in de gang klaar staat om door mij afgehaald te worden; alle context is vergeten: het is een geschenk geworden. Maar of ik het wel snel wil komen ophalen want hij krijgt zo mensen op bezoek en die mogen niet weten dat hij zomaar werk weggeeft.

In de periode daarna vinden nog een aantal eigenaardigheden plaats in het contact, “tussen Verwey en tussen mij” (André Hazes of -zeven), maar moet ik daar nog wel aandacht besteden? In zijn gekke lelijkheid was hij steeds, zoals eerder overweldigend, ook eigenlijk heel lief. De laatste jaren van zijn leven heb ik hem niet meer gesproken of ontmoet. Hij gaf in media wel aan dat hij vond dat hij te lang leefde, dat het eigenlijk allemaal onzin was. Ikzelf had andere dingen te doen, maar hem toch een beetje gekend hebbend had ik hem niet bij het hiernumaals kunnen houden.

Contact met een vloeitjesfabrikant

Kort wat vooraf ging:
Omdat mijn favoriete vloeitjes (ik rook nog als zelfroller, net als Paul McCartney) op ene nergens meer verkrijgbaar waren richtte ik me tot de producent. Daarvan kreeg ik een uiterst opgewekt bericht terug (incluis een compliment voor mijn huidige logo) plus een aantal monsters van alternatieven opgestuurd. Tevens werd me de vraag gesteld of ik op de kwaliteit daarvan wilde reageren. Dat heb ik bij deze gedaan. Nu zou ik nog een keer graag bij de fabriek langsgaan om te zien hoe ze dat allemaal voor elkaar krijgen om, los van of je rookt of niet, 50 of 60 vloeitjes in zo’n pakje te krijgen of hoe, bevobbeld, het plakrandje erop komt. Eigenlijk voortkomend uit dezelfde nieuwsgierigheid waardoor ik uiteindelijk met Boudewijn Zwart de toren van de Oude Kerk mee op mocht.

o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o

Opperbest Team Mascotte,

Wat jullie niet wisten is dat jullie pakketje helemaal precies aankwam op mijn 64ste verjaardag! Nou had ik al wel een paar dingen gekregen (aquarelpotloden, het complete dichtwerk van Rainer Maria Rilke, een grappig t-shirt, een antieke dasspeld met vooralsnog onduidelijke edelstenen van de grootvader van mijn vrouw, een reisverhaal in beperkte oplage (75), geschreven en uitgegeven door een oude vriend van mij; te veel om op te noemen, dus. En oh ja, ik vergeet het kookboek East van Meera Sodha, echt een aanrader voor mensen die geen vlees of vis eten), maar het was toch een mooie en zeer sympathieke aanvulling.

Ik ben erg enthousiast over de filters, vooral die met Menthol-smaak. Langere tijd was ik zo’n mietje dat mentholsigaretten rookte, wat wel als voordeel had dat je, tot je eigen verrassing (van wie anders), af en toe mensen ontmoette die iets dergelijks ook rookten. Hun karakters vielen nooit tegen, opmerkelijk genoeg, dus daarmee streelde ik voor het gemak ook maar mijn eigen ego. Weliswaar zijn de twee zakjes met filters nu weggeborgen omdat we onlangs en bij uitzondering iemand te eten kregen, maar dat is waarschijnlijk van tijdelijke aard. Dat lijmlijntje op het filter vind ik een ongelooflijke verfijning, al is het, bij matig of juist te veel licht, soms wel even zoeken, ondanks de indicatieve stippeltjes. Jullie geven zelf ruiterlijk toe dat de filters eigenlijk geschikter zijn voor zelfrollers die dunne sjekkies draaien en daar kan ik me in vinden. Ik ben niet het type van “de bolknak”, maar draai wel iets dikker dan jullie filter suggereert, al ervaar ik dat niet als een groot bezwaar, maar misschien is het een idee om ook een maatje “medium”, naast de “small” op de markt te brengen. Weten jullie trouwens of het gebruik van een filter een minder negatief effect op de gezondheid heeft dan het roken zonder zelf? Wat filtersigaretten aangaat bestaat daar al jaren discussie over.

Wat de vloeitjes betreft: beide varianten zijn van uitmuntende kwaliteit! Een belangrijk nadeel voor mij is echter dat het “doorbranders” zijn. En al heeft iemand wel eens het idee geopperd dat ik zou kunnen ophouden met het doorgaan met het roken (mijn geweldige huisarts David Koetsier, bijvoorbeeld, heeft er persoonlijk zorg voor gedragen dat het roken op de veerponten, hier in Amsterdam, in z’n geheel niet meer werd toegestaan!), ik heb dat altijd in de wind geslagen. Wel rook ik reeds enige tijd per half uur een half sjekkie, zo ongeveer, wat ertoe leidt dat ik per dag zo’n twaalf tot vijftien persoonlijk vervaardigde sigaretten de lucht in blaas. En dat is een stuk minder dan in het verleden. De Extra Thin-vloeitjes van jullie hadden het voordeel dat ze, na het omslaan van een krantenpagina, vanzelf uitgingen, maar jullie huidige assortiment verhindert dat ik, na het lezen van de culturele vrijdagbijlage, nog eens naar mijn rokertje kan grijpen, want dat is dan, geheel op eigen kracht, met het oproken doorgegaan. Ik kan me dan nog slechts, in de traditie van de bukshag, vergrijpen aan de recycling van het peukje als dat nog is wat er überhaupt overblijft (wat ik natuurlijk niet doe). En omdat mijn vrouw niet rookt doe ik dat in het halletje waar een raam op een miniem binnenplaatsje en op het jaloersmakende balkon van de buren uitkijkt wat bij vrieskou natuurlijk een crime is. Maar als ik daar, voor de tweede helft, kom en álles is weg dan is dat toch een beetje lullig, althans: een dergelijk gevoel overkomt me dan.

Type 60 Air Plus vind ik een mooi pakketje, een vormgeving die best mag worden voortgezet in al jullie aanbod. De uitgespaarde hoekjes vind ik erg elegant, al ervaar ik er geen enkel praktisch voordeel van/bij/mee/door. Wel ben ik van mening dat de magneetsluiting uitermate decadent is. Daarnaast is de mededeling dat je het niet mag bewaren naast kinderen en/of een datastrip ietwat vaag. Kinderen herken ik nog wel, maar wat nou precies een datastrip is, is me onduidelijk: OV-chip- of bankkaart, Abbertijn- of museumkaart? Dat magneetsymbooltje achterop is wel weer leuk.

Mochten jullie ook zo’n kleurige naam als de mijne willen dan maak ik die graag, al zijn dan alle copyrights natuurlijk aan mij voorbehouden. Ik geloof dat de ontwerper van het Gauloise-pakje, zo fraai en zo lichtblauw, nooit een honorarium heeft gevraagd maar, vol zelfvertrouwen, éen centime per verkocht pakje. Dat zou hem miljonair hebben gemaakt, als we dat verhaal mogen geloven, maar misschien is het gewoon een Broodje Aap. Hadden jullie trouwens niet vroeger Hein de Kort die wel eens wat voor jullie tekende? Ik ken Hein een beetje: een fijn, maar stotterend mens. En ik heb ook werk van hem. Een aanrader om hem terug te halen/(weer) een functie aan te bieden.

Vanavond heb ik weer lekkere asperges voor ons klaargemaakt, al waren ze iets al denteriger dan de voorgaande keren. Ik hoop voor jullie hetzelfde, want moeilijk is het niet, al zien veel mensen er tegenop.
Verder met allerhartelijkste groet,
Hans

P. S.
Waar komt die naam “Mascotte” toch vandaan? En in hoeveel landen zijn jullie verkrijgbaar?

P. P. S.
Ik overweeg om deze mail aan jullie ook op mijn web-/blog site te plaatsen, dus schrik niet!

“Een hoog concert”; een e-mail aan mijn lieve vriend P.

Terwijl ik aan twee andere teksten bezig ben (1: Gele Boeken (éen letter verschil met een ander genre) en 2: Magisch Denken (mijn interpretatie van een menselijk fenomeen) kreeg ik vanochtend een bericht terug van P. als reactie op mijn bericht aan hem van een dag of tien geleden. In onze correspondentie verwachten we van elkaar geen ogenblikkelijk “weerwoord”, maar terwijl ik in onderstaande weergave helemaal niet inga op de door hem aangeroerde onderwerpen (die zéer de moeite waard waren en zijn) brachten ze me wel onderstaande anecdote voor ogen en de wens om die eens definitief in tekst te gieten. Bij deze dus:

o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o

Deary,
Sorry dat ik beteen (letterlijk uit de mond van van Sonja Oudendijk) terugschrijf. Ik kan natuurlijk wel heel sjiek een week of zo wachten met een antwoord, maar zo’n uitgebreid en fijn breed bericht van jou stimuleert me om iets te laten horen.
E. en ik stonden vandaag lekker laat op, wat niet dagelijks het geval is, maar we weten over het algemeen wat er, in welke vorm dan ook, van de dag resteert heel aardig in te vullen. Wat tiepelen betreft: op dit moment loopt het verschijnen van de door mij gebruikte toetsen, op het scherm van mijn Lap Top ongeveer een seconde achter op mijn daadwerkelijke tikactiviteit. Lastig, zeker omdat ik, net als jij zorgvuldig, helder (en grappig) wil formuleren. Maar goed, dat is allemaal gelul in de marge.

Heb ik je ooit verteld dat ik, in de tijd dat ik bij het Leger des (On)Heils vertoefde, aan de Oudezijds Voorburgwal (OZVBW) te Amsterdam in een prachtig en reusachtig pand waarvan de fraaie voorgevel uit de jaren twintig dateert, dagelijks mee mocht genieten van het kwartierlijk geklingel van het carillon van de Oude Kerk (jaargang 1306)? Van die regelmaat wordt ongeveer 75% van de mensheid stapelkrankzinnig, maar ík níet!

De Oude Kerk (Photo by the Amsterdam Municipal Department for the Preservation
and Restoration of Historic Buildings and Sites
)

=
In de voor jou niet of nauwelijks waarneembare tussentijd maak ik een Latte Macchiato voor E.. Ik ben daarmee namelijk, hier bij / met / voor haar in huis, wereldberoemd, vooral vanwege de nauwelijks minder dan schitterend te noemen kwaliteit van het door mij opgewekte melkschuim. Men dient voor dit schuimkloppen, in zo’n metalen kannetje, waarin je eerst de melk op de kleinste pit van het fornuis tot een graad of 85 verwarmd, ruim de tijd te nemen; eigenlijk drie keer zo lang als je denkt dat Strikt Nood Zakelijk is. Hierbij doet zich het probleem voor dat men tijdens het rustigjes doorstampen van de melk met het onzichtbare, gezeefde vlakje dat men op en neer duwt, geen enkel zicht heeft op het gehoopte resultaat. Een beetje zoals het lampje in de koelkast, maar dan anders, waardoor het een beetje een meditatief karakter krijgt.
In haar voorafgaande opmerking “of we nog een koffie zouden maken” intrigeerde dat “we” me dan ook in hoge mate. Dat zal jij als empathisch mens wel begrijpen.

Coupe Samedi: Ziet dat er lekker uit of héel lekker?
=

We pikken de draad van het voorafgaande weer op:
Eén keer per week gaf (en geeft) de stadsbeiaardier een live-concert vanaf de Oude Kerk op het zo hoog boven de stad weggeborgen instrument. Bedoeld voor iedereen die er een oor voor heeft. Ik ken natuurlijk nogal wat instrumenten, zoals daar zijn: de viool, de piano, de vedel, de cello, de blokfluit, het klokkenspel, de xylofoon (deze zeven vanwege ze zelf wel eens beroerd te hebben) en natuurlijk de rest van het orkest waar ik verder mijn vingers nooit aan heb willen branden. Maar in de buurt van het stokkenklavier van een carillon was ik nog nooit geweest, laat staan dat ik ooit een klok van de geheimzinnige broers Hemony had aangeraakt. Dus heb ik me toentertijd (zonder koudwatervrees, inderdaad) een keer om half vier des middags aan de voet van de toren geposteerd met het oogmerk me aan de beiaardier voor te stellen en hem te verzoeken of ik hem mocht vergezellen. Nou, dat mocht van Boudewijn Zwart, want zo heet hij (ik ken toevallig ook een Boudewijn de Wit vrij goed, maar die speelt geen instrument, bij mijn weten), dus omhoog gingen we. Nou is boven, direct onder die klokken, een rondgaande balustrade in de buitenlucht, met een hardstenen “hekje” afgezet, dat tot net boven mijn knie reikt. En hoewel het uitzicht over onze mooie stad natuurlijk overweldigend is, kun je zaken ook een beetje overdrijven, dus ik was eerlijk gezegd toch een beetje angstig al heb ik, uit principe, geen last van hoogtevrees. Mijn vertigo ging over toen ik binnen (een relatief begrip op die hoogte) eenmaal naast Boudewijn op het bankje voor het klavier mocht plaatsnemen. Ik geloof dat hij begon met iets van Mozart (nog steeds een in mijn oren volstrekt overbodige componist, zoals je weet). Maar hij speelt ook af en toe een popdeuntje of best wel een stukje jazz. Deze ervaring, waarbij ik voor een lied van Ed Sheeran de laatste en dus hoogste stok mocht aanrammen, wat zeker qua timing, nog niet zo eenvoudig is als het lijkt, was zowel leuk, omdat Boudewijn een verschrikkelijk aardige man (en geweldig musicus) is, maar ook enorm indrukwekkend en ontroerend.

Boudewijn Zwart in actie (hier nog zonder Corona-baard); van Boudewijn de Wit heb ik zo gauw even geen portret voorhanden …

Dat stokkenklavier maakt overigens intern een enorme pokkenherrie, zodat daar ter plekke het genieten van de muzikale aspecten van de ervaring een beetje een ondergeschoven kindje wordt, maar daar weegt, zoals je begrijpt, heel veel tegenop.
Na afloop moest en zou ik de breedte van mijn ervaring dan ook met veel bazuingeschal met iedereen om mij heen delen. Zo ook met Doris, mijn Persoonlijk Begeleidster bij voornoemd Leger. Doris is een aardige jonge vrouw, niet heel erg communicatief, maar zeker enigszins mysterieus. Ze liep toen, al ben ik heel slecht in het schatten van leeftijden, omdat ik die ik in ruimere zin onbelangrijk vind, zo’n beetje tegen de dertig. Ze reageerde prompt dat zij zoiets ook wel eens mee wilde maken. Ik ben de beroerdste niet dus ik heb een paar dagen later een tekstbericht aan Boudewijn gestuurd met haar/mijn verzoek waarop hij eenvoudigweg antwoordde: “Welkom!” Dus togen we de vrijdag daarop, te midden van allerlei prostitutieverschijnselen die nu eenmaal eigen zijn aan de buurt, naar de toren. Een wandeling van plusminus 53 seconden. Het beklimmen van de toren kost ongeveer een kwartier, inclusief de rustpauzes op de tussenliggende stoffige, eeuwenoude etages waar je van Boudewijn dan wel weer uitleg krijgt over de diverse zaken die daar rondslingeren. Doris mocht ook aan een touw trekken om daarmee de grote, zware luidklok in werking te brengen terwijl er voor de stad geen enkel tijdstip was dat daarmee zou kunnen corresponderen; geen eenvoudige klus voor een nogal fragiel meisje, maar het lukte toch. Dat kunnen ze haar niet meer afnemen. Het was weer even geweldig als de eerste keer, maar nu ook voor Doris, die boven een groot deel van de tijd “buiten” doorbracht om zowel van des beiaardiers spel als van het zicht op de stad te genieten.
In mijn tekstbericht aan Boudewijn had ik ook een verzoek ingediend, namelijk Tumbling Dice van de Rolling Stones. Hij was er niet nader op in gegaan, maar bleek zich er wel degelijk op voorbereid te hebben door die ochtend een gitaarzetting van het nummer van het internet te downloaden. Aan het instrument gezeten haalde hij deze uit zijn tas en sloeg de partituur voor het eerst open en plaatste die op de muziekhouder. Ja, de Stones kende hij wel, maar dit nummer niet, zo meldde hij me, want ik zat weer gezellig naast hem op het bankje. Voor zover ik zijn uitvoering kon volgen, dwars door het mechanisch kabaal van het klavier heen, was die geheel correct, melodisch zowel als ritmisch. Ik zong dan ook uit volle borst mee, wat hem nauwelijks stoorde aangezien ook mijn bijdrage grotendeels teloorging in het lawaai dat hij zelf veroorzaakte en zeker in de stad geen weerklank vond.
Boudewijn had ook nog een vriend mee, daarboven, een katholieke organist uit het midden van het land, uit Nijmegen bijvoorbeeld, en ik nodigde hen na afloop uit om met mij nog een biertje te drinken, wat we dan ook deden, maar zonder Doris, want die kreeg haar ouders te eten en moest zelfs nog boodschappen doen. Zodoende leerden Boudewijn en ik elkaar wat beter kennen. Hij informeerde geïnteresseerd naar mijn verleden en bezigheden en dus kwamen we ook over onze wederzijdse ideeën over beeldende kunst te spreken. Heel genoeglijk dus, allemaal.
Na een dankberichtje mijnerzijds heb ik sindsdien niets meer van me laten horen, vooral ook omdat de verblijfsperiode bij het Leger afliep en ik naar elders in de stad kon verhuizen. Doris werd echter door de LdH-leiding direct uit haar taak als PB-er van mij ontheven, waarschijnlijk omdat ze enorm op haar flikker kreeg omdat ze zich in het wild met een cliënt had afgegeven. Nou ja.

Omdat E. en ik vanuit de woonkamer dagelijks op de Westertoren uitkijken (behalve bij dichte mist) schoot me ineens te binnen dat ik Boudewijn wel weer eens kon mailen. Zowel om te horen hoe het hem allemaal vergaat en om, vooruitlopend op zaken, alvast maar een nieuw verzoek in te dienen, waarover later iets meer, en om heel brutaal voor te stellen dat E. en ik eens mee de Westertoren op zouden klauteren, want daar speelt hij ook, elke week op dinsdag. Wederom ging Boudewijn niet in op mijn vraag om een nummer uit de naoorlogse liederencatalogus uit te voeren, maar hij vond het wel leuk weer van mij te horen, zo meldde hij in zijn antwoord van een week later, en vond het helemaal prima om ons een keer mee omhoog te nemen, maar nog niet nu in de huidige Corona-tijd, maar hopelijk in de zomer. Temperatuur-mässig komt ons dat niet slecht uit, want in maart anno 2021 wil het alsmaar niet veel warmer worden dan een graad of zes, zeven en ze hebben daarboven geen centrale verwarming noch een straalkacheltje.
Het lied waarom ik Boudewijn heb gevraagd is Famous Blue Raincaot van de bard Leonard Cohen, zonder wiens muziek ik heel goed kan leven, al heeft hij wel een paar mooie dingen geschreven. Maar het is zo’n melancholiek, slepend lied waarvan ik vermoed dat het op een wat somberder dag fantastisch over de stad zou kunnen klinken. Alsof de klanken reeds bij voorbaat, tijdens de uitvoering al, verwaaid zijn. 
Maar toen ik vanmiddag om tien over twaalf me ineens realiseerde dat het raam open moest voor het concert was er helemaal geen Boudewijn te horen (hij zou om twaalf uur begonnen zullen zijn), alleen maar lawaai van de diverse verbouwingen die hier in de omgeving gaande zijn. Die carillonafwezigheid had natuurlijk Boudewijn’s uitvoering van Vier Minuten en Drieëndertig Seconden Stilte van John Cage hebben kunnen zijn, maar ik vermoed van niet. Zo zie je maar weer hoe het in het leven kan lopen. En ik wacht rustig af tot de volgende week, want ik houd mijn oren open. Tevens beloof ik hierbij dat ik dan ook E.’s ramen op tijd zal openen.

Inhoudelijk snijdt dit bericht weinig hout en ik ga in het geheel niet in op allerlei door jou zorgvuldig gestelde vragen of opperingen, maar dat komt binnenkort wel als een addendum. Toen ik je begon terug te schrijven kwam bovenstaande bovendrijven en het heeft me plezier gedaan het eens, in eerste instantie voor jou, op virtueel papier te laten belanden. Misschien zet ik het, bij uitzondering maar weer, op mijn website, als dat van jou mag. Nu gaan E. en ik een wandelingetje maken al noodt het weer daar niet heel erg toe.
Alle liefs, Hans

P. S.
We hebben inderdaad wat boodschappen gedaan en daarna nog een tijdje snoepend en lachend op de Noordermarkt gezeten, al waren Sonja Barend, Dzjerrie Bouw Det, Oek de Jong en Jan Six afwezig.
Ik ben, kortom, gelukkiger dan de afgelopen dertig jaar …

P. P. S.
Uit Het Parool van donderdag 11 maart 2021
Door Peter van Brummelen:

Eerbetoon: donderdag klinkt Radar Love uit de Westertoren

De beiaardier van de Westerkerk doet mee aan het landelijke eerbetoon aan Golden Earring. Donderdagmiddag speelt hij op het carrillon hun grootste hit Radar Love.
Door Peter van Brummelen

Golden Earring in Ahoy in 2019, met rechts gitarist George Kooymans. Beeld ANP Kippa
Golden Earring in Ahoy in 2019, met rechts gitarist George Kooymans.BEELD ANP KIPPA

Een makkelijk  stuk om uit te voeren op het carillon is Radar Love niet, vindt Boudewijn Zwart (58). “Het is vooral een heel ritmisch nummer. Ik kan op het carrillon geen drumstel nadoen natuurlijk, maar ik vind wel een manier om die ritmische patronen te vertalen,” zegt hij door de telefoon. “Die begintonen zijn heel makkelijk. Ik zal het even laten horen, ik zit nu in een kerktoren in IJsselstein.”

Na een heel klein stukje Radar Love in een uitvoering die echt iets toevoegt aan de honderden covers die al van het nummer bestaan: “De mensen van IJsselstein snappen er niets meer van, die denken: wat horen we nu?”

Als professioneel beiaardier bespeelt Boudewijn Zwart carillons in heel Nederland. In Amsterdam speelt hij behalve in de Westerkerk regelmatig ook in de Zuiderkerk en de Oude Kerk. “Omdat ik in dienst van de gemeente ben, hoef ik me niet te beperken tot kerkelijke muziek. Ik doe ook wel verzoeknummers en heb afgelopen jaar bijvoorbeeld Imagine van John Lennon en Purple Rain van Prince gespeeld. Elke dinsdag geef ik om 12 uur een concert.”

Uitgebreid eerbetoon

Donderdagmiddag maakt Zwart van het eerbetoon aan Golden Earring ook een mini-concert van ongeveer twintig minuten. Op het repertoire staan naast Radar Love ook onder meer Another 45 Miles en Weekend Love, andere hits van de groep die onlangs na zestig jaar plotseling ophield te bestaan, toen bekend werd dat gitarist Kooymans aan ALS lijdt. Opgeroepen wordt om op donderdag 11 maart, de dag waarop Kooymans 73 jaar wordt, om 17.15 uur overal in het land Radar Love te draaien of spelen. Het is het nummer waarmee de groep in 1973 wereldwijd succes had.

Zwart verheugt zich er op. “Het is heerlijk om hoog boven de stad muziek te maken. Ik bereik letterlijk de mensen in de straat met wat ik doe. Mijn mooiste applaus is als ik op een terras iemand het liedje hoor fluiten dat ik even tevoren op het carillon speelde.”

Het carillon van de Westerkerk, dat bestaat uit vijftig bronzen klokken, stamt uit de de zeventiende eeuw. “De klokken werden gegoten door François Hemony, die Amsterdammers misschien kennen van de naar hem vernoemde straat. Wat Stradivarius was voor de violen, was hij voor de kerkklokken.”

P. P. S.

Beiaardier Westerkerk speelt Radar Love: ‘Denk dat ik fan word’

Oók door Peter van Brummelen.
Als eerbetoon aan Golden Earring klonk donderdagmiddag in heel het land Radar Love. Hoog boven Amsterdam speelde beiaardier Boudewijn Zwart het nummer op het carillon van de Westerkerk. “Ik denk dat ik fan word.”

null Beeld Lin Woldendorp
BEELD LIN WOLDENDORP

Inclusief de haan op de top is de Westertoren 87 meter hoog. Iets boven de wijzerplaten bevindt zicht het carillon.  Er net onder, op ongeveer 55 meter hoogte, is het domein van beiaardier Boudewijn Zwart. En reken maar dat je daar merkt dat het vandaag hard waait. Heel zachtjes beweegt de toren heen en weer. “Dat moet wel anders breekt hij af,” zegt Zwart droogjes. 
Hij is een man met een gigantische baard, die hij anders dan verwacht niet al jaren heeft, maar die hij pas bij het uitbreken van de coronapandemie liet groeien.

Als een rocker

Klokslag 17.15 uur zet Zwart (58) Radar Love in, de hit die Golden Earring in 1973 wereldroem bracht. Als een ware rocker gaat hij het klavier van het vier eeuwen oude carillon te lijf, zijn rechterhand daarbij tot een vuist gebald. Ook op de pedalen wordt er flink gestampt. Voor zich heeft de beiaardier een partituur, maar die is niet meer dan een richtlijn. Zwart speelt een heel eigen versie van Radar Love.
Die klinkt beduidend anders dan al die coverversies die er al van de klassieke road song bestonden. De neiging daar hoog boven Amsterdam mee te zingen is evengoed groot. ‘No more speed, I’m almost there…’ En dan in het refrein: ‘We’ve got a thing that’s called… radar love!
Op het moment dat de beiaardier het speelt, klinkt Radar Love in heel Nederland. Radiozenders draaien het, bands spelen het, op een enkele plek wordt er een draaiorgel voor ingezet en volgens Zwart doen heel veel collega-beiaardiers mee. Het is het ultieme eerbetoon aan Golden Earring, de groep die onlangs na zestig jaar ophield te bestaan. Gitarist George Kooymans lijdt aan de spierzieke ALS en vandaag, 11 maart, is de dag is waarop hij zijn 73ste verjaardag viert.

Behoorlijke klus

Normaal zit Boudewijn Zwart alleen in de toren, nu is hij omgeven door journalisten en cameralieden. Of het bespelen van een carillon moeilijk is, wordt gevraagd. Valt mee, vindt de beiaardier: “Je moet op de juiste momenten de juiste toetsen aanslaan.” Radar Love bewerken voor carillon was evengoed best een klus. “Het is een heel ritmisch stuk. Ik heb een uitvoering bedacht waarbij ik met mijn linkerhand en mijn voeten vooral de drummer nadoe.”

Boudewijn Zwart, die al op zijn tiende zeker wist dat hij beiaardier wilde worden, is niet opgegroeid met popmuziek. Van Golden Earring had hij gehoord, maar hij had zich nooit verdiept in de groep. “Bij Radar Love dacht ik eventjes: is dit het nou?” Nu is hij gegrepen door het nummer: “Ik bespeel carillons in heel Nederland en ga Radar Love deze week ook nog spelen in Den Helder, Dordrecht, Schoonhoven en Barneveld.”
Hij heeft inmiddels ook andere songs van Golden Earring op zijn repertoire staan. “Ze hebben ook heel melodische stukken, ik vind vooral Just a Little Bit of Peace in my Heart en Going to the Run mooi. Ik denk dat ik fan van de groep word.”
Grote waardering heeft hij in het bijzonder voor George Kooymans: “Hij is, zoals wij dat noemen, een complete musicus. Hij is instrumentalist, hij kan geweldig gitaarspelen, maar hij is ook zanger én hij componeert.”

Vrienden, mezelf en mijn lief …, voor de vorm

Een paar jaar geleden kwam ik er achter dat ik al op dertienjarige leeftijd bezig was was met lettertypes en logo’s; “weird” zou Jody Foster gezegd hebben in mijn favoriete film Alice doesn’t Live Here Anymore, die tegenswoordig nergens op die fijnse moderne websites en bij insgelijke filmaanbieders te vinden is. Die interesse heb ik nog steeds. Nou heb ik gekend en ken ik nog steeds een paar grafisch vormgevers: Geert Schriever, Jan Middendorp, Rutger Fuchs, Linda van Deursen, Gerard Unger, Wim Crouwel en Anton Beeke. Het is een raar volkje, die ontwerpers, maar deze zijn of waren toevallig allemaal heel sympathiek en goed. Het is ook zo een mooi vak, al accepteert eenieder, bij het geconfronteerd worden met hun resultaten, het veelal voor gangbaar en zomaar, intertijd Beeke uitgezonderd, want die veroorzaakte nog wel eens een schandaaltje.

Vijftig jaar later pruts ik nog steeds, terwijl ik op alle oppervlaktes of dieptes van het leven een autodidact ben. ’t Is me wat …
De letter die ik gebruik heet Felix Titling (die kan je gratis downloaden), de streepjes, stippen en kleuren heb ik zelf verzonnen.
Op verzoek beitel ik wel iets in elkaar; laat maar horen.

Hierbij wat resultaten van mijn recente gefrummel:






Met droge ogen …

Omdat we wegens Corona nergens meer op uit of naar binnen mogen, behalve om eten, drank en een nieuwe bril aan te schaffen of een boek af te halen, én omdat we al bijna een half jaar verliefd zijn, missen we een hoop die we anders óok nog eens samen zouden hebben kunnen delen. Nou valt er binnenshuis en op het web meer dan genoeg te doen, morning, noon & night, maar we willen eindelijk wel eens een keer samen naar Het Museum. Want dat zijn we nooit geweest terwijl we allebei driekwart van ons leven aan de kunst hebben gegeven en met haar gedeeld.
Op zich hebben de collecties van bijvoorbeeld Het Rijks, Het Stedelijk, Het Van Abbe of Het Boijmans niet heel veel geheimen meer voor ieder van ons en om het eerste gezamenlijke bezoek aan Het Laatste te brengen moeten we natuurlijk wachten op een moment na de viering van ons eerste lustrum, want dat is voorlopig nogal tamelijk zeer buitengemeen gesloten wegens verbouwing, vernieuwing en ruzie. Op dit moment zijn we dus aan het droogzwemmen, of eigenlijk aan het kijken met droge ogen, al hebben we wel net 2, 3, 3½ nieuwe kunstwerken in huis waarvoor we proberen een respectabele plek te vinden.

Kunst op basis van je geheugen voor je schimmenoog visualiseren is, met enige ervaring, niet enorm moeilijk, al wordt de samenstelling van zo’n herinnering vooral bepaald door vroegere constateringen aan het werk en door de emoties die het geheel en bepaalde details “toentertijd” opriepen. In het museum kan ik, als het een beetje meezit, de mussen van het dak lullen over wat me beroert en E. is ook niet bepaald op haar artistieke mondje gevallen. Om een gesprek over kunst gaande te houden terwijl er net een persconferentie over het virus begint is conversatie van een andere orde. Dat kan nieuwe inzichten opleveren, niet alleen vanwege de gevoelens en ervaring van de ander, maar ook omdat je met je eigen ideeën kaatst. Wat je blijft missen is “de hitte” die van het originele kunstwerk afstraalt. Als het goed is tenminste.

Heb het maar eens over het werk van Robert Ryman dat, sinds enkele dagen na zijn dood in 2019, “op zaal” gehangen is in die afzichtelijke “Base”-opstelling. Offensichtlich vonden de laatste twee directeuren van het Stedelijk (en ook de huidige) het niet opportuun om Ryman’s werk eerder te tonen, terwijl het museum, dankzij Edy de Wilde, een brede collectie van zijn hand rijk is. En zoals ook het werk van Ellsworth Kelly al jaren wordt verdonkeremaand.

Robert Ryman – Untitled, 1972

Het formaat vermeldt het Stedelijk stompzinnig genoeg niet (nergens, nooit en het sterfjaar van de kunstenaar, zoals vermeld op hunnie z’n wep saait, zit er iets meer dan een decennium naast), maar ik schat 1,2 meter in het vierkant.
De meeste van Ryman’s schilderijen zijn ontzettend fris, wat geen wonder is omdat een waaier aan gradaties wit vaak een hoofdrol speelt. De keuze voor het in memoriam-werk lijkt echter gevallen te zijn op een schilderij, en niet klein ook, dat meerdere jaren bij een nogal veel sigaren rokende suppoost, of bij Rudi zelf thuis, heeft gehangen. Dus de lezer moet er zelf, bij bovenstaande afbeelding, een laag nicotine overheen denken. Maar E. kan het zich even niet voor de geest halen en ik kan zo’n schilderij ook niet goed uitleggen of mimen.

Waar we het wél over kunnen hebben is As I Opened Fire, het geweldige drieluik van Roy Lichtenstein uit 1964 dat in de presentatie prominent opduikt.

Bij dit schilderij is het zeker van belang om het van nabij te kunnen bekijken, om de finesses van het schilderkunstig ontstaan na te voelen, maar het laat zich op internet en in offset óok heel goed vermenigvuldigen, wat blijkt uit de prijzen die de eerste reproducties, uitgegeven door het museum, intussen opbrengen (laat staan wat het werk bij veiling zou opleveren, zoals éen of andere drop-wethouder onlangs voorstelde; ik vermoed tussen de € 80.000.000,00 en € 100.000.00,00 en het hangt er gewoon zonder glas ervoor!).
Het werk dat dan ontbreekt in de kelder-boot sale is het magistrale Flowers-schilderij van Warhol.

In het begin, net na de aankoop door Wim Beeren, was ik er een beetje pissig over, omdat het nogal wat craquelures in zich droeg, ondanks zijn jonge leeftijd, omdat Andy het waarschijnlijk ergens, middelmatig opgerold, weggelegd had tot zich een museumdirecteur uit Amsterdam zou aandienen.
Het is zo groot, zo prachtig, zo droevig, zo hard, zo gevoelig, dat het tot de kerncollectie behoort en niet zou mogen ontbreken in deze tijden. E. kent het en houdt er van en ik ook. Nu hangt er van Warhol slechts éen zeefdruk van 101 cm in het vierkant met het portret van Mao, een werk dat ik aan de muur had kunnen hebben als ik net iets alerter was geweest. Mijn werkgeefster Barbara Farber, begin jaren tachtig, had er thuis een exemplaar van op de wc hangen. Waarschijnlijk had Rem Koolhaas een enorme minachting voor Warhol toen hij, samen met Beatrix Ruf, de presentatie samenstelde. Hield hij zich maar bij zijn megahutjes, of eigenlijk ook liever dat niet.

Natuurlijk wil ik graag samen met E. langs de Vermeers in het Rijks wandelen, of eigenlijk: ervoor stilstaan, langdurig. Nou krijg ik sowieso van veel schilderijen van Vermeer al instant een halve erectie, maar die wil ik graag met E. delen al kent ze het werk net zo goed en houdt ze er evenveel van als ik.
Het zou ook (te) gek zijn om bijvoorbeeld samen de deelverzameling surrealistische kunst in Rotterdam te zien; voor geen van ons beiden een preferent gebied in de geschiedenis van de beeldende kunst. Of om daar om het eigenwijze werk van Maurizio Cattelan heen te draaien.

Voor ons is, zelfs voor ons geestesoog, veel kunst visueel tactiel, dus het lukt af en toe wel om elkaar ook in die liefde te vinden. Maar om vloekend en dansend van enthousiasme door een museumzaal te dwalen, ja, dat wordt wel gemist.
Het is een beetje vergelijkbaar met wat John Baldessari onder andere probeerde uit te drukken in zijn 12-delige werk waarin hij ballen in de lucht gooit in een poging om ze, als drie op een rechte lijn, te fotograferen. Een enkele keer lukt het, maar meestal faalt hij.

Joepie! Niet echt!

Dat je, alleen of samen, je best doet brengt niet altijd succes. Gelukkig is het proberen zélf vaker de moeite waard. En zonder dat je de fiets, een taxi of de trein nodig hebt.

Onder de Microscoop

Vóor het snijden

Omdat ik vanmiddag rode kool met de hand stond fijn te snijden en E. me net vraagt of ik daarbij niet de mandoline heb gebruikt, herdenk ik het feit dat ik bij éen biologieleraar, die me twee jaar in mijn middelbaar onderwijs begeleidde, altijd de beste microscoop van de school ter beschikking gesteld kreeg. Het kan goed zijn dat dat het geval was omdat ik een klas doubleerde en hem dus, als docent, in de herhaling kreeg en hij me beter kende, maar voor hem was de reden dat ik blijkbaar spectaculair dunne preparaten van groente en fruit kon snijden, bijvoorbeeld van de ui met van die fijn grote cellen. Dat, na het inkleuren van de betreffende plakjes, bij het natekenen van wat ik in de vergrotingen waarnam geheel niet bleek te corresponderen met wat elders reeds in laboratoria was onderzocht, was voor mij enerzijds een teleurstelling. Aan de andere kant bevestigde het mijn nog niet geheel compleet geformuleerd gevoel dat ik dingen anders waarnam dan anderen en dat dat verder geen enkel probleem opleverde. Niet voor mijn kijk op het leven en niet voor degenen die daarmee te maken kregen.

Het was zo’n beetje dezelfde periode dat ik met van alles en nog wat kennis leerde maken. Zo kregen we een schooluur of wat later onze leraar maatschappijleer die ons vertelde dat hij tijdens de oorlog in Papoea Nieuw Guinea tevergeefs de slagader van het voorheen aanwezige been van een vriend had geprobeerd af te knijpen. Hij probeerde ons leerlingen op de katholieke school op meerdere manieren veel wijs te maken, maar zijn persoonlijke en klaarblijkelijk traumatische verhaal vormde onderdeel van zijn jaarlijks repertoire en wie kon hem dat kwalijk nemen. Thuis werd er nauwelijks over de oorlog gesproken, op z’n hoogst over de vrolijke rafelrandjes. Mijn moeder was wat opener dan mijn vader, zeker over haar uiteindelijk opgepakte, afgevoerde en vermoorde broer, maar we komen op dit moment meer te weten over de gevolgen, praktisch en psychisch, van Corona dan over de schilfers van het leven van mijn ouders in die periode.
Van de muziekleraar leerden we Amerikaanse volksliedjes die vanwege onze jaren zestig weer in de belangstelling waren geraakt. En mijn schoolvriendjes leerden me songs kennen die op de distributieradio thuis nooit aan de orde kwamen. Een paar jaar eerder ging ik al met mijn moeder naar de Beethoven-cyclus in het Haarlems Concertgebouw, het orkest vaak onder leiding van André van der Noot, die ooit bij De Vijfde (die begint met een kwart tel pauze!!) eens, in zijn enthousiasme, de gehele partituur van de symfonie van het dirigeertafeltje sloeg, maar de boel toch tot een goed einde wist te brengen.

Ik vind snijden, fileren ook, een fijne bezigheid. Het uiterst scherpe mes, dat met enige regelmaat geslepen wordt, maar zonder uitzondering altijd even langs het aanzetstaal gehaald, en dat zich vrijwel moeiteloos door de groente, vlees of vis beweegt, gestuurd door mijn hand en door mijn concentratie om in volstrekt gelijke plakjes of fliebertjes te resulteren. Als je, zoals gisteren, de rode kool op een heel laag vuurtje urenlang wilt laten stoven, terwijl ze niet papperig mag worden (met nog een beetje beet, bedoel ik), moeten de sliertjes heel dun zijn. Niet zo cel-dun als de ui op school, natuurlijk, al zou het me niets verbazen als Ferran Adrià (networth $ 5.000,000,00) in zijn laboratorium (dat van zijn broer Albert, vooral, zagen E. en ik laatst in een documentaire) ook daarvoor een recept heeft ontwikkeld. Maar meer dan twee millimeter breed mogen ze bij mij in ieder geval niet worden.

Net als een dirigent moet elke kok vooral de gedachte in het hoofd houden: “Wat komt  er zo dadelijk voor taakje?”. Met de vraag “wat zullen we nu weer eens doen?” gaat, zeker in de professionele keuken, veel te veel tijd verloren. Net als met een partituur dien je, vóor het betreden van de keuken, jezelf het recept eigen te maken, te inneren, om een door verder niemand gebruikt, maar voor mij reeds aftands neologisme toe te passen.
Eigenlijk snij je met taal ook aspecten van het leven, van je bedoelingen, in plakjes om die, na ampele overweging, in een mooie compositie aan de oren van een goed verstaander op te dienen. Tenzij je je met iemand op wie je verliefd bent erotisch verwikkelt of in een ongecontroleerde woedeaanval. Tijdens een gesprek met een gelijkwaardige en geïnteresseerde partner kunnen die schijfjes taal best heel dun zijn, waarbij die van de woorden en hun volgorde nog fijner mogen zijn. Steeds diepergaand kleur je langzamerhand cellen in en komen de chromosomen van jezelf en de ander bovendrijven. Soms lukt het met elkaar om DNA te delen.
Zo sprak ik gisterenavond en vanmorgen met E. over het lezen van literaire teksten in de oorspronkelijke taal waarbij je de taal van de schrijfster of schrijver kunt savoureren en eventueel fileren. Bij een vertaling, hoe goed ook, worden die mogelijkheden beduidend ingeperkt; de keuzes van de verteller, worden dan voor een belangrijk deel in alternatieven opgediend, die in het beste geval een nieuw idioom opleveren, maar nooit gelijkwaardig zullen zijn aan de kruidigheid, het mondgevoel, het pittige of romige van de oorsprong. In het Engels bestaat het fraaie begrip word salad, waarbij de ingrediënten van een tekstgerecht zonder begrip, smaak en gevoel bij elkaar zijn gegooid op een verwarrende en weinig intelligente wijze. Julienne of brunoise gekozen woorden zijn precies en effectief wanneer ze in de juiste menging worden opgediend en in correcte relatie tot het formaat van de andere elementen van de zinnen. Sommige schrijvers zijn tovenaars met taal waarbij alliteratie, binnenrijm, juiste synoniemen en de volgorde van woorden en mededelingen de helderheid, de jus of de poëzie van het geheel bepalen. In die zin kunnen woorden, als bakkende reepjes spek in een koekenpan, dansen, huppelen, maar dat is geloof ik een open deur. Maar net zoals iemands motoriek op grote afstand te identificeren is, zo lezen de teksten van een persoonlijk formulerend schrijver als handschriftelijk onmiskenbaar. Of dat de eerste helft van het oeuvre van The Beatles niet te verwisselen valt met welke andere popgroep dan ook. Of neem de laatste, 32ste, pianosonate van Van Beethoven waarin elke noot, na meerdere keren beluisteren, als een blokje wortel zijn toon speelt in een transparante groentebouillon.

Voorgaande millefiori van overwegingen en associaties, teweeg gebracht door het snijden van rode kool en de door E. gestelde vraag die daarmee verband hield, kregen vanochtend een vervolg in het overwegen van de aanschaf van de Nederlandse vertaling van de korte verhalen van Truman Capote (die een verzamelaar was van millefiori en andere presse-papiers).

Ik ben een parmantig pleitbezorger van het lezen in de oorspronkelijke taal al kan ik niet meer dan me beperken tot het Engels, want al lukt me enig Duits een beetje, ik beheers, wat talen betreft dan, verder helemaal niks, al volg ik de Tour de France op de tv in Frankrijk vrijwel probleemloos.

Capote is, in het Engelstalige gebied, mijn grote held en ik herlees dan ook op permanente basis zo’n beetje alles wat hij ooit schreef, elke keer weer zijn vilein, zijn teerheid, zijn formuleringen, proevend op mijn tong, met mijn oren en mijn hoofd, zelfs hardop lezend, af en toe. En soms denkend: Hoe zou ik dit fragment in godsnaam en met behoud van waarachtigheid in het Nederlands over kunnen zetten (wat op deze manier gezegd net geen germanisme is, meen ik)?
Gisteren kocht E. de vertaling van In Cold Blood, In koelen Bloede, dus, door Thérèse Cornips, vooral bekend als vertaalster van A là Recherche du Temps Perdue dat ik las toen ik 18, 19, 20 was. Capote, die ook een groot liefhebber van het werk van Marcel Proust was, al las hij het nooit in het Frans, verkeert dus in prachtig gezelschap. Omdat E. meteen begon te lezen, om de hoek van de boekhandel waar we het mochten afhalen en gezamenlijk gezeten op een wild bankje aan de Brouwersgracht, kon ik, naast Truman’s eigen inleiding, slechts een paar zinnen op voornoemde waarachtigheid toetsen. Nou, geweldig! En ik ken het boek bijna uit m’n hoofd, al durf ik het zo goed als niet meer te lezen vanwege de spanning en de ontroering. En vandaag kreeg ik van E. de eerste roman van Capote, in vertaling van Clare Lennart, cadeau, de eerste druk, die driekwart jaar, in 1949, na het Amerikaanse debuut uit 1948 al kon verschijnen: Other Voices Other Rooms, later in het Nederlands in letterlijke vertaling gepubliceerd, maar mijn exemplaar is nog door De Blauwe Distel tevoorschijn getoverd als “De Herfst van een Jeugd”.

Omdat ik de hele rooie kool meteen opsneed is de helft van het uiteindelijke product de vriezer ingegaan. Dat zal de kwaliteit alleen maar bevorderen omdat de celstructuur nog verder aan gort raakt dan door het stoofproces alleen. Zoiets moet onder de microscoop ook zichtbaar zijn, maar mijn laat-19de-eeuwse exemplaar bevindt zich in mijn opslag. Ik herinner me dat hij, bij het openen van de kist waarin deze zich bevindt, een ingedikte rijkdom aan geuren prijsgeeft, iets kamferachtigs, maar ook een ander exotisch scala aan neuservaringen. Versneden kruiden en conserveermiddelen, waarvan de laatste al lang verboden zijn. Een amalgaam dat mijn grootvader, of zijn vader, waarschijnlijk nog wel in zijn samenstellende onderdelen uit elkaar had weten te ruiken, maar nu een ratatouille is geworden. Daarnaast de preparaten met stukjes bijenvleugel, een vlo en onbestemde plantenresten. De extra oculairs verhelderen intussen weinig meer. Hij zou eens opgepoetst moeten worden.
… zoiets

Als je gaat snijden in dingen wordt alles kleiner; dat is in ieder geval in de keuken zo. Als je gaat snijden in het vlees van je eigen ervaringen worden zaken soms groter. Het adagium dat groter altijd beter is gaat hier niet op, in ieder geval bij mij niet. Nou ben ik niet nostalgisch aangelegd, in positieve noch negatieve zin, dus heel erg kwetsbaar voel ik me niet, al was het in mijn verleden soms anders. Een julienne gesneden winterwortel wordt nooit meer een geheel en kan alleen maar bijdragen aan de mirepoix die we van ons leven maken. Naast ui en bleekselderij voeg ik graag, maar tegen de regels door, ook wat venkel toe.

Een combinatie van verse kruiden, bij elkaar gebonden met een keukentouwtje, definieert en complementeert dat alles tot wie ik ben, tot hoe ik schrijf, met welke woorden, en wat ik zeg en hoe. De vertaalslag zal de lezer mogen maken.
En liefde is ook een kruid al valt ze met geen microscoop waar te nemen of aan te tonen. Maar als alles loopt als Daphne Schippers proef je het door elke bereiding heen. En als alle woorden broers en zussen worden en in een mooie volgorde geboren, ontstaat een signatuur, een vingerafdruk, een genenpatroon.

Appropriatie – Over Kawara, Sturtevant en Airco Caravan

Het was ooit eens 2005 óf 2007, vermoedelijk het laatst genoemde jaar. Maar sinds zeker eind jaren negentig was ik al via e-mail en soms telefonisch in contact met On Kawara, de in Japan geboren, maar in New York werkende kunstenaar. De eerste keer dat ik hem ontmoette was in levende lijve in New York in 1998 op het terras van het helaas niet meer bestaande café The Liquorstore (niet zo lang geleden nog nummer 1 op de New York Times-lijst van meest gemiste drinkgelegenheden). Ik was in New York om vrienden te bezoeken, allen kunstenaars, en om voor het eerst de stad te leren kennen. Maar een ander voornemen was om On Kawara te ontmoeten en hem uit te nodigen om een werk in kleine oplage met me te maken en dat ik dan zou “uitgeven” en vermarkten (een Duits woord dat eigenlijk ook in het Nederlands, al accepteert de spellingcontrole het niet, precies bedoelt wat het beoogt). Ter ondersteuning van éen en ander had ik een aanbeveling op zak van de grote Duitse kunstorganisator en museumdirecteur Kaspar König die veel met Kawara had gewerkt en nog steeds een vriendschappelijke relatie met hem onderhield. Het moge duidelijk zijn dat me er heel wat aan gelegen was om Kawara te spreken te krijgen.

Het was lekker weer, de terrassfeer was gemoedelijk, we dronken Guinness en Alan Uglow (naast fantastisch kunstenaar ook de bedenker van de uitroep O-fucking-lé) becommentarieerde het passerend volk. Bijvoorbeeld “There is Dan Graham, there, yes, that dirty man…”, niet lang daarna gevolgd door “Oh, and there’s On Kawara …”. Omdat ik met Kawara nog geen contact had kunnen leggen kon het toeval me geen groter geluk toespelen, want hij ging, vergezeld van twee jongere mensen, ook nog eens op “ons” terras zitten, dus ik hoefde hem niet te volgen om hem zomaar op straat, bijvoorbeeld vlak voor een kruispunt, aan te spreken.
Het geval wil dat On Kawara wereldberoemd is door een aantal reeksen van kunstwerken die hij zijn hele leven heeft voortgezet. Het bekendst zijn zijn zogenaamde datumschilderijen, waarbij hij een datum schilderde of uitspaarde op een monochroom geschilderd vlak. Deze schilderijen kregen als toevoeging een precies passende kartonnen doos, gevoerd met een locale krant van de dag, die zowel als verpakking diende alsook ter identificatie van datum en plek waar het betreffende schilderij was ontstaan. Beide samen, werk en doos, vormen het gehele kunstwerk, al worden vaak alleen de doeken getoond.

On Kawara – 22 JUNI 2007 “Vrijdag” – acrylverf op linnen – 25,5 x 33 cm

Daarnaast heeft hij telegrammen (met als boodschap de enkelvoudige mededeling “I am still alive”) en prentbriefkaarten (waarop gestempeld “I got up at … hrs”) aan vrienden en kennissen over de hele wereld verstuurd. Wie er om vroeg kreeg nooit iets toegestuurd; helaas ik ook niet, hoewel ik niks had gevraagd, al kreeg ik wel een keer post van Kawara in relatie tot een ander project van hem waar niet veel mensen van op de hoogte zijn: kinderspeelplaatsen over de hele wereld. Tijd en plaats speelden in zijn oeuvre dus een belangrijke rol.


Ik onderbreek deze herinnering, die nog niet is afgerond, om haar in het licht te plaatsen van recente gebeurtenissen, want ik wil spreken van gisteren, toen E. en ik tijdens de benefietveiling voor het Amsterdamse kunstinstituut W139 een mooi klein schilderij wisten te verwerven. Alle kunstwerken op de veiling werden anoniem aangeboden en, zeker omdat kort na afloop de website die alles organiseerde compleet implodeerde, duurde het tot vanochtend voordat we mochten ontdekken wie de maakster of maker was
Welnu: we kochten een schilderij van Maria Koning die zich als kunstenaar presenteert onder haar pseudoniem Airco Caravan. Waar die vervangnaam precies voor nodig is ontgaat me eigenlijk, want haar voor- en achternaam zijn voortreffelijk uit te spreken in een scala aan talen. Haar keuze hiervoor, zo kwam in onze korte correspondentie aan het licht, blijkt echter reeds enige tijd geleden genomen te zijn en om je bekendheid, want die heeft ze zeker, ineens 180 graden te keren ten gunste van je geboortenaam, zou bijna een carrière-switch genoemd kunnen worden.
Affijn, ik vond haar e-mailadres en berichtte haar over ons geluk betreffende de Neuerwerbung en bedankte haar voor haar veilingbijdrage ten gunste van W139. Pas daarna bezochten E. en ik Airco Caravan’s website en dat was een geweldig genoegen. Ik bedoel: gewoon in the blind een leuk doekje aanschaffen stuitert helemaal tegen mijn kunstgebruik in, want ik ben een liefhebber van sterke oeuvres, niet van een stukje decoratie aan de muur. Het oeuvre van Maria is echt overweldigend met elementen van grote menselijke betrokkenheid, activisme, schoonheid, kundigheid en een besef van wat er allemaal in de wereld én in de kunstgeschiedenis gebeurt en is gebeurd. Door onze aankoop zijn E. en ik nu deelgenoot van een groter en zich prachtig ontwikkelend geheel.

Airco Caravan (Maria Koning) – LOVE – 35 x 30 cm
olieverf op ongeprepareerd linnen (privécollectie Amsterdam)

Ons schilderij van bescheiden formaat blijkt deel uit te maken van Maria’s serie Associates waarin ze als hommages aan favoriete kunstenaars voorstellingen van werken naschildert. Dit doet ze geheel in haar schilderkunstig handschrift, zonder de ambitie om dat van de betreffende kunstenaar te benaderen. Het is haar eigen, enigszins poëtische visie die ze op de, voor de kenner snel te herleiden, voorstellingen loslaat zonder “de oorsprong” geweld aan te doen. In een triptiek toont ze haar waardering voor het werk van On Kawara, voor mij reden genoeg om mijn herinnering van zojuist van stal te halen, al haalt haar werk net niet mijn verjaardag (17 april).
In “LOVE” schildert Maria slechts de restvormen tussen de letters waardoor het woord, het begrip, Liefde, schittert door afwezigheid. Wel traceerbaar, waarneembaar, natuurlijk, als naakt (bloot, mag dat nog?) canvas, maar door onszelf, als kijkertjes thuis, in te vullen. Niet door de kunstenaar geschilderd, want die is er vanaf gebleven, en ze laat ons een taakje (dat E. en ik dan maar, noodgedwongen, zelf op ons nemen).

Een andere belangwekkende kunstenares die, in tegenstelling tot Maria (Airco), alléen maar appropriatie (het overnemen van een voorstelling als dragend beeld van een nieuw kunstwerk) als stijlmiddel hanteerde was Elaine Sturtevant, Amerikaanse van geboorte, maar ze bracht het grootste deel van haar leven in Parijs door.

Elaine Sturtevant – Warhol Flowers – 1969-1970

Op vrijdag 24 september 2004 was ik te gast bij de opening van Sturtevant’s overzichtstentoonstelling in het MMK, het Museum voor Moderne Kunst in Frankfurt. Bovendien mocht ik, op uitnodiging van toenmalig directeur Udo Kittelmann, aan het diner aanzitten. Ik was schuintjes tegenover Elaine aan tafel geplaatst (een eer en een luxe waarvan me de oorzaak tot op de dag van vandaag geheel ontgaat) en dat leverde een genoeglijke avond op. De opening zelf, met de in Duitsland gebruikelijke stortvloed aan speeches van dien (waar ik helemaal niet van houd, en vanwaar ik wegsloop en daardoor de alle zalen en kabinetten omvattende presentatie in alle rust kon bekijken), was voor haar bijzonder vermoeiend geweest, dus heel veel vuurwerk leverde de dinergesprekken ook weer niet op. Maar wat duidelijk werd was dat Elaine een geopinieerde vrouw was die in haar leven veel had meegemaakt en precies wist waar ze zich in haar werk mee bezighield. Ze “herhaalde” alleen werk van kunstenaars die ze persoonlijk had leren kennen: Andy Warhol, Jasper Johns, Roy Lichtenstein, Felix Gonzàlez Torres, Keith Haring, Joseph Beuys. Velen reeds overleden toen deze overweldigende expositie openging; eigenlijk leefde alleen Johns nog … Je waande je als bezoeker, want niets was wat het eigenlijk was, in een soort Second Life-museum, in een namaak-Nirwana. Net als Airco Caravan raakte Sturtevant kunstenaars aan die me na aan het hart liggen, geen enkele uitgesloten.
Sturtevant’s omvangrijke oeuvre stelt als eerste de vraag waar eigenlijk het begrip identiteit zich zoal weet te verschuilen. Is dat werkelijk alleen maar het geval in éen persoon, of kun je een identiteit delen, of, volgens Elaine’s benadering, herhalen. Daarnaast stelde ze ook de dagelijkse artistieke praktijk aan de orde, zich verdiepend in het creatieve-, maar ook in het praktische maakproces. Hoe kómt iemand tot iets en hoe máakt zij/hij het. Handelen is ook een vorm van denken, al is het éen vaak een uitkomst van het ander, zo lijkt het althans op het eerste gezicht. Aangezien alle kunst voor een deel conceptueel is, is het de vraag of je Sturtevant een specifiek conceptueel kunstenaar moet of mag noemen. Net als in het werk van Warhol schuilt ook in haar werk een sterk poëtische onderlaag die zich klaarblijkelijk bezighoudt met mededogen en betrokkenheid op vele fronten, eigenlijk met Liefde, dus.

Het schilderij dat we van Airco Caravan kochten betreft een appropriatie van de iconische voorstelling van de Amerikaanse kunstenaar Robert Indiana (eigenlijk met achternaam Clark, maar hij werd in de staat Indiana geboren, dus dat werd zíjn vervangnaam) die het woord LOVE weergeeft.

Robert Indiana – Love

Robert Indiana groeide op in éen van die vele Christelijke gemeenschappen die Amerika rijk is en waarin god het equivalent was van liefde (een visie die ook Reve in zijn geloofsvariant aanhing, al hield Gerard de mogelijkheid open dat god Dé Liefde was (zie hiervoor zijn correspondentie met bijbelvertaler Grossouw)). Die “beperkte” oorsprong heeft Indiana het vaak doen betreuren dat zijn logo van de liefde zulk gemeengoed is geworden, losgezongen van zijn religieuze connotatie. Ten onrechte, vind ik, en hij heeft er zich zijn hele verdere leven mee bezig gehouden (in het Frans en in het Hebreeuws, bijvoorbeeld) en dat heeft hem veel geld en voordelen opgeleverd.
Nu hebben we dus Maria’s interpretatie die zowel intiem van formaat als van verftoets verfijnd is. Stomtoevallig heb ik in mijn collectie ook een appropriatie van Indiana’s voorstelling door de Britse kunstenaar Gavin Turk, die, in een deel van zijn oeuvre, ook een “herhaler” van de eerste orde is, vaak met een knipoog en regelmatig met zichzelf als onderwerp (Warhol, Manzoni, Duschamp).

Gavin Turk – “Turk”

Op de website van het galerieconglomeraat van David Zwirner vind ik het datumschilderij van On Kawara uit 2007 dat als subtitel draagt: “Vrijdag” (zie boven). Kawara liet regelmatig een titel vergezeld gaan van een vernoeming van de dag waarop het werk ontstond. En dat in de taal van het land waarin hij het schilderde. Helaas ontbreekt op de website van Zwirner de doos.
Mede op basis van “Vrijdag” vermoed ik dat Kawara dat jaar weer eens van zich liet horen aan mij en wel met de mededeling dat hij in Amsterdam zou komen schilderen (naast onder andere Parijs, in ieder geval in Europa). En of we elkaar zouden kunnen zien en misschien iets drinken, verzocht hij me. Dat leek me wel wat, want mijn pogingen om hem tot een kunsteditie te verleiden hadden nog tot helemaal niets geleid. Toentertijd in New York had hij op mijn uitnodiging reeds geantwoord: “Maybe”, wat voor Japanners een nogal hard maar beleefd “Nee” betekent. Toen ik hem op dat terras daar had aangesproken stelde hij voor om de volgende dag een kop koffie samen te drinken, ook in The Liquorstore. Dat werd een leuke middag, maar leverde voor mij geen bevredigend resultaat op, ondanks zijn grappige anecdotes uit zijn leven; over zijn huwelijksreis door Mexico, bijvoorbeeld, die hem uiteindelijk in NYC zou doen belanden.
Die middag in 2007 kwam hij langs bij de galerie die ik met mijn toenmalige vrouw in Amsterdam runde. Ik stelde hem voor aan mijn beste en naburige collega B. en Kawara en ik besloten om samen wat te eten in een geweldig Indonesisch restaurant in de Utrechtsestraat; een uitnodiging die hij graag accepteerde, al had hij de avond tevoren iets gegeten dat verkeerd gevallen was. Dat werd bijzonder en mooi.
Omdat ik nou eenmaal graag tutoyeer was een van mijn eerste vragen hoe zijn vrienden hem eigenlijk noemden. Omdat zijn voornaam identiek was aan het Engelse woord “op” vond ik die vraag waarschijnlijk opportuun. Totaal ridicuul, natuurlijk, en On antwoordde dus ook: “Well, On of course”. Het nadeel van mijn stomme vraag had het voordeel dat ik hem vanaf dat moment ook bij zijn voornaam kon aanspreken, met alle respect. Daarna vertelde hij over zijn kunstenaarschap: zijn wens om, vanaf het begin eigenlijk, “gewoon” een schilder van monochrome doeken te zijn. En in de jaren ’60 was dat nog geen usance, al had al je wel Manzoni en Yves Klein. Maar monochrome kunst was niet echt bon ton, dus besloot Kawara de datum dan maar tot voorstelling te verheffen.
En waarom was hij eigenlijk in Amsterdam? Nou, hij vond het politiek niet verantwoord om er in je eigen stad de luxe op na te houden van een atelier. Hij combineerde dus trips met het maken van nieuw werk, eenvoudigweg op de hotelkamer: de reis als studio. En als een werk niet binnen éen dag kon worden afgerond dan bestond het niet en werd het vernietigd. Op zijn vraag met welke Nederlandse krant hij de dozen voor de in Amsterdam ontstane schilderijen (misschien maar éen) het beste kon voeren adviseerde ik hem vanzelfsprekend Het Parool. Ik zal dus maar eens een mailtje sturen naar de On Kawara-chef bij Zwirner Gallery om afbeeldingen van de doos van het Vrijdag-schilderij te vragen; het zou een bevestiging van mijn geheugen kunnen zijn. Het zou niet het eerste kunstwerk zijn waar ik een bescheiden bijdrage aan leverde. On at uiteindelijk weinig al was het lekker en ging sneller dan ik had gehoopt terug naar zijn hotel. Eigenlijk had ik met hem nog wel een kopje koffie willen drinken in De Pels, maar het was alles bij elkaar toch een speciale ontmoeting. Tot een editie zou het niet leiden, die heeft hij nooit gemaakt, net zo min als dat er tekeningen van hem bekend zijn, of dat hij ooit op zijn eigen openingen was.
Het schiet me ineens te binnen dat we in het restaurant ook rookten, want dat deed On graag en het mocht toen nog. In de permante installatie van een grote groep werken van hem in (weer) het MMK te Frankfurt is ook een asbak ondergebracht (dat was althans zo, over nú vraag ik het me af) en niet dat men verondersteld wordt er te roken, maar het mócht wel en dat heb ik ook gedaan: On’s kont tegen de kribbe, dus.

E., die ik de tekst tot hier laat lezen, zegt terecht dat er, wil die een geheel worden, beslist nog een afronding nodig is, of een vervolg en een afronding. Daar ben ik het helemaal mee eens, maar ik ben al blij dat ik so weit gekommen bin. Voor mij is het alleen maar mogelijk om te schrijven als ik puzzelstukken in handen krijg, bij mezelf opwek, of dat ze van ander komen aanwaaien in een gesprek of door willekeurige vormen van communicatie. Die springerige activiteit van E. en mij, gisterenavond, veroorzaakt door de veiling, maakte dat ik later gisteren en ook vandaag, ervaringen, herinneringen op het gebied van denken, kijken en voelen met elkaar in verband begon te brengen.
Elaine Sturtevant had blijkbaar niet de wens om On Kawara te “herhalen”, en waarom ook. En ik weet ook niet of ze elkaar kenden. Elaine was beslist geen gemakzuchtige kunstenares; het herhalen van een werk van Jasper Johns of van Warhol was geen vanzelfsprekende zaak. De werkwijze, het denken en het oogmerk van een kunstenaar zijn hyperpersoonlijk en worden uitgedrukt langs wegen die, soms ook voor die kunstenaar zelf, ondoorgrondelijk zijn. Voor On was elk telegram dat hij verstuurde een keuze, een beslissing, die voorafgaand aan de activiteit waarvan hij op een gegeven moment wel wist wat de afwikkeling ervan zou zijn, tot het moment dat hij tot daden moest overgaan: naar het postkantoor! Uiteindelijk zijn die telegrammen in het publiek domein terecht gekomen, na eerst deel uit te maken van een particuliere correspondentie, als verheven teken van leven. Dat laatste omschrijft precies wat elk kunstwerk is, of beoogt te zijn: een verheven teken van leven. En een teken van verheviging van het leven, in al zijn lusten en lasten. Dat is ook waar Maria Airco Koning Caravan zich mee bezig houdt. Geen doekjes voor het bloeden, geen gelul van “Ik wist het niet”: je bewust zijn van alles wat je aanraakt en van alles waardoor je aangeraakt kunt worden.
En dan komt alles op ons af, deze zomer!

P. S.
Vandaag (zestien februari tweeduizend eenentwintig) hebben E. en ik de Airco Caravan-collectie aangevuld met een citaat door haar van een datumschilderij van On Kawara. Geen herhaling dus, maar een appropriatie: een omslagkalender op (ongeveer) A4-formaat die alleen de datum 14 april 2019 beslaat. Werkelijke een prachtige editie in een oplage van 4, die blijkbaar, ook in twee andere kleurstellingen (1 voor 12 en 1 voor 13 april 2019), nog verkrijgbaar is via Airco’s website. Doen Joh!!

La petite Mort *

Omdat in april 1975 mijn jaren des onderscheids reeds enigszins onderweg waren, maar ik nog wel thuis in Haarlem woonde, was ik, wegens ontstentenis van een fatsoenlijke hi-fi-installatie, voor de informatie over recente ontwikkelingen op muziekgebied vooral afhankelijk van mijn éenogige radio die soms wel, maar soms ook niet, beluisterbare signalen doorgaf. Daarnaast was onze achtertuin een belangrijke bron, want die grensde aan éen van de weinige achterbuurten van Haarlem. Die achtertuin heette bij ons het BB-plein, want de vrijwel volledige betegeling van het buitenplaatsje, waar ik met mijn jongere broers en zussen aan rolschaatsen en trefbal deed, was aangelegd door mijn vader en een oudoom. Beiden heetten Bernard, dus vandaar BB** (en zonder ook maar enige implicatie van de borsten van Bardot, want als die al bekend waren, dan alleen in gecensureerde vorm).

Volgens mij moet er nog steeds een Place BB worden aangelegd, al zijn haar rechtse sympathieën walgelijk, natuurlijk.

Over onze achtertuin heen werd vanuit de wijde omgeving volop, in tegenstelling tot binnenshuis, rock- en popmuziek gespeeld. En luid ook, want in dat buurtje achter ons trok niemand zich iets van elkaar en van ons aan. Ik had daar, jaren eerder, Tom Jones al leren kennen, Dusty Springfield en The Beatles, om een paar voorbeelden op te sommen die me nog steeds dierbaar zijn. Verder had ik wat schoolvrienden die thuis wèl alles mochten beluisteren en die me, op basis daarvan, regelmatig konden bijpraten en bijspelen. Naast de achterburen heb ik hen veel te danken (Bruce Springsteen, Jackson Brown, Bonnie Raitt, Sam Cooke, & zo voorts).

Ik haat nostalgie omdat ik binnen dat concept steeds aan van alles en nog wat terug moet denken terwijl ik eigenlijk zeker weet dat het beter is om iets anders te overwegen. Maar ik ben dol op zaken die me m’n hele leven bijblijven en die steeds actueel zijn, om het maar eens te zeggen op een manier die de gemiddelde journaalkijker aanspreekt. Stemmen en melodieën die voortdurend een nieuwe waarde of betekenis blijken te krijgen. Alles bij elkaar geen oorspronkelijk idee van mij, maar originaliteit is ook maar zo lang als ze breed is.

In mijn nogal late bloei, of eigenlijk nog steeds behoorlijk in de knop, besefte ik niet dat ik Minnie Riperton’s Loving You in verband behoorde te brengen met het vrouwelijk orgasme. Ik was in 1975 pas 18 en zij al 28 toen ze het nummer ter wereld bracht. En al heb ik intussen wel een behoorlijk paar vrouwen horen klaarkomen, via het web of in de dagelijkse praktijk, nog steeds zie ik het verband niet helemaal (wel een beetje, vanzelfsprekend), al kwam een vorm van extase wel degelijk over.


Extase van de heilige Theresia van Ávila door Gian Lorenzo Bernini. Mooi hè?

Ik vind het ook een volstrekt enkelvoudige interpretatie. Eenieder is natuurlijk gerechtigd om haar of zijn interpretatie van een of ander nummer aan te hangen, maar toen ik ooit eens meemaakte dat de NCRV het lied Walk on the Wild Side van Lou Reed op de radio afspeelde alsof het zijn hit Perfect Day betrof, vielen me toch een paar schellen van de oren. Het is dus kortom wat je met een lied wilt.
Ik ben van mening dat Loving You de véel betere versie is van When I’m 64 van The Beatles/McCartney: “Will you still need me, will you still feed me …”. Liefde wordt hier wel geïmpliceerd, maar schittert in de tekst door afwezige geldigheid. Het gaat bij “64” natuurlijk met name om een toespeling op slechts éen andere leeftijdscategorie, maar die impliceert Riperton net zo goed; liefde inclusief het ouder worden: And we will live each day in springtime. Liefde die jong is en blijft, die klaar komt met een perspectief op de tijd.
Een vergelijking met Wuthering Heights van Kate Bush dreigt ook op de voorgrond te treden. Bush en Riperton hadden beiden een klassieke zangopleiding en waren dus kundige vakvrouwen. Hoe fraai Kate’s compositie en uitvoering ook zijn, er dringt zich een zekere gekunsteldheid, een naar adem zingen, op. De uitvoering van Riperton ademt een overweldigende natuurlijkheid, tot in de verste hoeken van de melodische extremiteiten; het blijft een loflied, een aubade, een ochtend- en een avondzang, een belofte en een verheerlijking.

Wat denken de tv-kijkers bij de recente reclame van de Jumbo-supermarktketen? Het bureau dat de reclames verzorgt moet ermee bij de familie Jumbo zijn aangekomen; ze zullen geen carte blanche hebben. Omdat de rechten op het gebruik ervan niet geheel gratis zullen zijn geweest, zal de familie volledig zijn geïnformeerd over het lied en zijn geschiedenis en interpretaties.
Omdat Minnie Riperton (bijna gemakkelijk) over een enorme tessituur beschikte die ze in Loving You volledig inzette, moet het ontroerend element van deze compositie en uitvoering een overtuigende impact op de familie hebben gehad. En dat het bureau dus met een vette knipoog mag verwijzen (of de kinderen toevallig niet even de hond moeten uitlaten, zodat vader en moeder elkaar in hun liefde voor elkaar nog eens kunnen “verheffen”) naar liefde, ook naar “de liefde” die een gezinsvorming heeft opgeleverd. Dus niet in puber- of twintigersjaren van waaruit Riperton in eerste instantie zong, geeft aan dat de familie een begripsvolle vrijbrief heeft gegeven aan de makers. En heeft het ook bij die familie een besef, en oude en nieuwe gevoelens, wakker gemaakt (ik verzin maar wat)?

Uit “de oude doos” is iets tevoorschijn gekomen, dat de actualiteit actueler maakt. Loving You is voor iedereen te begrijpen, aan te voelen. Ik zou bijna zeggen dat het een lacune, een leeggelopen vijver, vult. En het is, in deze problematische tijden, waarschijnlijk een hartenschreeuw namens veler borst. En in zekere zin een pleister op menige wond.
Dat je van Loving You ook nog eens de godganse dag niet meer af komt en het, zoals E. en ik, luid op straat zingend (en toevallig op weg naar de betreffende supermarkt), aan de wereld ten gehore brengt, is een bijkomend voordeel, waarvoor soms redenen te over zijn …

*
https://www.misssteel.nl/blog/la-petite-mort-uit-emily-in-paris/
Om maar te verwijzen naar een blijkbaar actuele Chiclets-serie op éen of andere aanbieder …

**
P. S.
Mijn goede vriend B. mailt me zojuist, zeer waarschijnlijk na het lezen van mijn tekst, een uitvoering van Je t’aime door BB en Serge Gainsbourg. Luister en beoordeel zelf of het past binnen de context van mijn goeie bedoelingen.