Uitgelicht

Over het Openen van Ramen

(Long as I can see the light)

Pierre Bonnard – Fenetre ouverte sur la mer – 52,3 x 38,4cm-1919

Het is eind maart en ik zit op een terrasbank op een rustiek pleintje in Amsterdam-Zuid; in De Pijp, eigenlijk. Het cafeetje waar mijn terras bij hoort is onderdeel van een fraai Amsterdamse Schoolcomplex van zo’n vijftig bij twintig meter, opgeleverd in 1920 en ontworpen door de onvermijdelijke architect Piet Kramer. Dit complex neemt het gehele deel van de langere, oostelijke zijde van het pleintje in beslag.
Ik zit op een plek waarvan ik weet dat de nog jonge voorjaarszon me tussen vier en vijf uur op m’n toetje zal schijnen. De eigenares van het café, geïnteresseerd in cultuur en zo, is erg mooi, maar wel spichtig. Bij de vorige vroege lentedag stiftte ze, kort nadat ik arriveerde, haar lippen vuurrood. Voor mij, nam ik voor het gemak maar aan, hoewel een voorspoedige verhouding, onder andere door ons leeftijdsverschil, me vooralsnog niet in het verschiet lijkt te liggen en ik eigenlijk ook spichtig ben.
Ik lees een mooi boek, maar pauzeer bij tijd en wijle en kijk dan om me heen of luister naar naburige gesprekken. Naast me op de bank vergelijken twee jongere vrouwen hun mislukte en tijdelijk geslaagde relaties; twee tafeltjes verder op het terras praten twee mannen over vrouwen. Ik drink daarbij een Italiaans biertje.
Volgende week wordt het weer een stuk frisser.

In de noordelijke, kortere, gevelrij (laat 19de-eeuws, maar verder best in orde) lapt een vrouw haar uitzicht en schuift daarna een raam omhoog en steekt een sigaret op. Klaarblijkelijk rookt ze binnen liever niet. Halverwege de sigaret verdwijnt ze, maar prompt daarop gaan de dubbele deuren naar haar Franse balkonnetje open en zet ze zichzelf neer op een klapstoeltje in de zon.
Hoe oud, mooi, of lelijk ze is, kan ik, vanwege de afstand en het gebrek aan mijn verrekijker niet duiden, maar dat speelt nu ook even geen rol. Vanaf haar tweede etage heeft ze een vergelijkbaar zicht op het plein met platanen als ik, maar dan in vogelperspectief.
Ik vind dat het opendraaien, openklappen of openschuiven van een raam iets magisch heeft. De amorfe eigenschappen van glas, die me altijd enige angst inboezemen, dragen er zorg voor dat je “binnen” zit, terwijl je toch informatie krijgt over “buiten”. Ik vind dat een geweldige uitvinding. Vroeger, toen vensterglas nog niet kon worden gefabriceerd, kwamen buiten en binnen op hetzelfde neer, behalve dat je buiten natregende en binnen niet. En toen vensterglas nog heel duur was nam de adel, wanneer ze naar hun zomerkasteel verhuisde, het glas mee om, al was het prachtig weer, toch ook af en toe “binnen” te kunnen zitten.

In het huis waar ik opgroeide hadden we ramen die je naar boven opentilde. Die zijn, per definitie, zwaar en daarom waren ze ook, met onzichtbare ophanging aan touwen, voorzien van contragewichten, zodat ook mijn moeder bijvoorbeeld, die handeling zonder problemen kon verrichten. Niet dat dat vaak gebeurde, want ons huis stond aan een drukke straat vol autogassen en lawaai. Uiteindelijk konden de ramen helemaal niet meer open omdat voornoemd touw vergaan en daardoor gebroken was.
Vanuit de woonkamer, die zich tegen alle regels in op éen hoog bevond, hadden we natuurlijk zicht op de overkant van de straat. Naast de kunstschilder Kees Verwey, die mij nog eens zou portretteren, kwam daar menig ander karakteristiek type voorbij. De Trompetter, die was blijven hangen in een drugspsychose, waardoor hij, in het openbaar, ellenlange speeches over niets hield, maar hij speelde nog wel zijn instrument. Of De Blote Voetenman, zijn epitheton beschrijft zijn markantste aspect, die zich, ook nog eens, altijd in pyjama kleedde maar zonder gêne stevig doorstapte. Beiden gaven echter geen sjoege op ons bestaan achter het bovenraam. Maar er was wel degelijk De Turk Met Het Been, die dagelijks passeerde en ons zwaaiend groette, evenals wij hem. Tot een nadere kennismaking kwam het nooit en niemand voelde daar een noodzaak toe.
Tevens trof het enorm dat zich tegenover ons de hoofdvestiging van de stedelijke brandweer bevond. Naast het enorme voordeel dat het mijn vader enige procenten in de kosten van een vrijwel kosteloze brandverzekering scheelde, leverde het ook onophoudelijk sociaal contact met de mannen op, want de kazerne was natuurlijk dag en nacht bezet.
Kortom: het kijken en zwaaien, van binnen naar buiten, en vice versa, werd mij met de paplepel ingegoten. Ook doordat we vader, die een eind verderop in de stad zijn baan had, elke dag, ’s ochtends en na het middageten, uitzwaaiden tot hij onzichtbaar was geworden.

Een raam is dus wel iets bijzonders: je kunt je er achter verschuilen, eventueel met de gordijnen dicht, of je kunt het open doen wanneer je de buitenwereld durft in te ademen. Kunstenares Yoko opent ostentatief de luiken wanneer John Imagine zingt.

De kunstenaar Tim Ayres, die met grote regelmaat tekst tot beeldend onderwerp van zijn schilderijen maakt, heeft ooit een werk gemaakt dat voorstelde: Finally I’ve opened all the windows. Het geluk dat uit deze voorstelling straalt weerspiegelt tevens een wanhoop die aan de uitspraak vooraf ging.
Om even binnen de wereld van de beeldende kunst te blijven (op muziek kom ik zo dadelijk): Picasso, Matisse, Vermeer, De Hoogh, Bonnard en vele anderen hebben het venster, als beeldend onderdeel, regelmatig in hun schilderijen opgenomen. En niet alleen als licht brengend element in het afgebeelde interieur.

Wandelend door stedelijke straten en grachten kijk ik ook altijd door ramen naar binnen om te zien wat men zoal aan wanddecoratie heeft hangen. Een enkele keer heb ik wel eens aangebeld om te vragen of ik een schilderij nader mocht bekijken. Dat mocht meestal. Toon mij uw venster en ik vertel u wie u bent, als het ware.
Als ik nu uit mijn eigen raam, op een tweede verdieping, kijk zie ik in metselstructuren gevatte vensters aan de overkant. Nou ben ik ook geïnteresseerd, want niets menselijks is mij vreemd, in metselwerk en voegen, maar in dit geval zijn die niet erg boeiend want ze komen uit een wat minder sterke periode, wat architectuur betreft. Mijn straat is, relatief, aan de nauwe kant dus onlangs zwaaide een overbuurman naar me terwijl ik de lucht bestudeerde en stak zelfs zijn duim omhoog; waarom mag Joost weten, maar ik groette natuurlijk van harte terug. In een ander raam zit vaak een jong stel naar een televisie te kijken, met hun ruggen naar mij toe. Serieuze redenen om hiervoor m’n verrekijker uit zijn huls te halen heb ik dus nog niet kunnen verzinnen.

John Fogerty schreef voor zijn band Creedence Clearwater Revival het lied Long as I can see the light. Het begint met de zin Put a candle in the window. De tekst lijkt in eerste instantie uit elkaar te vallen, want de ik-persoon maakt duidelijk dat hij weg wil, op een reis móet. Het kwartje valt echter wanneer hij aangeeft om zeker ook terug te willen komen. En dat de brandende kaars in het raam zijn anker is. “Wacht op mij, wees er voor mij als ik terug kom”. Het raam als een soort worm hole waardoor je naar het licht kunt gaan, maar er ook weer door kan terugkeren.

Twee kunstenaars, John Cage en Neil Diamond, ervaren muziek wanneer ze het raam openen. Cage, een nogal esoterisch typje, maar zeer invloedrijk en bekend van zijn pianocompositie Vier Minuten en Drieëndertig Seconden Stilte, heeft ook een tamelijk kaal werk geschreven dat bestaat uit het openen van een venster in New York City. Het lawaai van sirenes, auto’s, een blaffende hond, kan het muzikaal resultaat zijn, als een brute maar eerlijke melodie. Mogelijk in navolging hiervan schrijft Neil Diamond, een nogal Middle-of-the-Road typje (maar ik ben een groot fan), het lied Beautiful Noise (coming down from the street). Hierin benoemt hij de stadsgeluiden die door een geopend raam naar binnen komen als een op zichzelf staande schoonheid. Hij zingt er dus over als een wederzijdse liefdesverklaring: van de stad aan hem terwijl hij de grote stad bezingt.
Nee, dan heb je ook nog Van Morisson met zijn lied Cleaning Windows over het zeer zinnige beroep van ramenwasser, waarin hij uitspreekt dat hij een gelukkig man is, op de toppen van zijn kunnen.
En Frank Sinatra zingt in Out beyond the window, dat hij elk jaar een etage hoger gaat wonen en, intussen, de hemel bijna kan aanraken en dat hij de wolken kan verschuiven. Maar er zijn bijna geen wolken meer en komt er niemand meer bij hem langs.

Het openen van een raam en het daarna, later, weer sluiten, is als een zeer trage knipoog. En wat je, tijdens die knipoog,  gezien of gemist hebt kan wel een tijdje een raadsel blijven. Door een voordeur stap je naar buiten, de wereld in. Door een raam ben je waarnemer, of wordt je, eventueel, waargenomen, in voor- en tegenspoed. Een open raam is als een liefde op de lagere school (hierbij moet ik zelf denken aan Ellie Dekker): er gebeurt niks, je weet van niks, maar je voelt van alles. Een flakkerend vuur halverwege iets of niets worden, om het maar eens weinig dynamisch uit te drukken.
Na dit alles grondig te hebben overdacht, waardoor mijn bierglas leeg is, zie ik, tachtig meter van me vandaan, door de nog kale platanen heen, de vrouw haar balkondeuren sluiten, het vensterglas kussen, en zich terugtrekken in een wereld waar ik geen donder mee te maken heb.

Voor Han!

Amsterdam, 29 maart 2019

Hans Gieles

Uitgelicht

Een Gevalletje Heupfractuur

30 juni 2019

Lieverd,

Geen paniek hoor, maar ik leg in het BovenIJ-ziekenhuis met een, intussen succesvol geopereerd, gevalletje heupfractuur. Was afgelopen donderdag ’s ochtends net niet goed genoeg op mijn wegrijdende bureaustoel gaan zitten om te schrijven, viel en kwam niet hard maar zeer ongelukkig op mijn linker bips terecht.

Intussen strompel ik alweer, met looprek en, sinds vanochtend krukken wat rond of rijd met de rolstoel, waarin ik oefen voor mijn vrije kür, naar buiten voor een pafke. Er ligt natuurlijk een hele revalidatie in het verschiet, maar vedders is iedereen dolenthousiast. Mag waarschijnlijk spoedig weer naar m’n Tolstraatje. Zie een beetje op tegen de trappen aldaar, maar die horen ook bij het leven. Af Fijn, er zijn erger dingen in de wereld.

Veel liefs van een goedgemutste Hans.

Vervolg / 30 juni

Alles is wel behoorlijk pijnlijk, maar ze zijn hier niet zuinig met medicijnen, laat staan de sterkte daarvan. Ze voeren me ook Lorazepam, weet niet waarom (ik weet het eigenlijk wel, intussen, maar daarover een andere keer), maar dat slik ik niet en leg ik apart voor andersoortige noodgevallen; wat ik aan pijnstillers krijg bezorgt me al hallucinaties genoeg. Mobiliteit is nog wat moeizaam natuurlijk, maar ik beweeg me rot: rolstoel, loopsteun en krukken. Eind van de dag dan moe maar tevreden.

Ik overweeg nu om nog 1-2 weken naar een revalidatiepark te gaan voordat ik dagelijks de trappen thuis ga bestijgen en afdalen. Iets meer kracht, routine en zelfvertrouwen opbouwen. Hier in het ziekenhuis gaan ze me daar zeker niet voor houden.

Vriend R. is hier elke dag en ik krijg ook wel support van anderen. Morgen komt M. bijvoorbeeld op bezoek en T. en vriend G.
Ben verder opgewekt en welgemoed (wat met een “t” is, volgens mij, maar wat ik graag met een “d” schrijf).

2 juli

Hoor net dat ik morgen om 11.00 uur word verwacht in revalidatiecentrum De Die, bij het Buikslotermeerplein. Ik zal worden versjouwd met een rolstoeltaxi.

Leuk hè, hoop ik?

3 juli

Deary,

Was hier in De Die om 11.45 uur en heb tot op heden, 16.15 uur, met allerlei leuke types, noodzakelijke, maar goeie gesprekken gevoerd. Ben nu toe aan vakantie omdat ik ook nog, tussentijds, naar beneden ben gerollatord om in de tamelijk fraaie binnentuin nicotine te gebruiken en om aan de balie een tv-koptelefoon aan te schaffen voor het geruisloos beluisteren van de televisie.

Ik lig op een kamer met een vriendelijke, maar verder totaal onbenullige oude man. Heb in meerdere gesprekken, niet met hem, aangegeven dat een solokamer mijn herstel enorm ten goede zal komen. Iedereen, wat personeel en staf betreft, is erg aardig en bij vlagen grappig.

Nu tennis, dan eten in het restaurant en dan, als ik tenminste niet al in dromenland ben beland, ons vrouwenvoetbal.
Gelukkig volgen ze hier naadloos het pijnstilregime van het ziekenhuis, want alles raakt natuurlijk bij vlagen uitgewerkt en toen kwam vanuit het niets ook nog hoofdpijn opzetten, dus ik hoop dat het verslavend middel dat ik zojuist heb mogen innemen spoedig zijn werk doet.
Tot zover een eerste impressie.

Lieve groet,
Hans

4 juli

Deary,

Zojuist, through the grapevine, gehoord dat ik een eigen kamer krijg. Officiële bevestiging en uitvoering volgen hopelijk later. Een voorlopig “joepie” lijkt op zijn plaats. 
Verder alles prima, al vindt men mijn bloeddruk aan de lage kant. Ik zelf heb nergens last van …

Liefs,
H

7 Juli

Goedemorgen Lieverd,

Hier alles redelijk kits. Ben elke ochtend rond zeven uur wakker, neem dan pijnstillers, nicotinepleister en mitavientjes, kleed me aan (vandaag, wegens het weer, voor het eerst zelf aangetrokken sokken en schoenen in plaats van slippers waar ik, al krukkend, de trap niet mee op of af mag) en wandel naar de lift en van daar naar buiten om een sigaretje te roken.

Daarna is het afwachten wanneer ik weer naar binnen kan want alle vanzelf schuivende deuren zijn op dit tijdstip nog niet werkzaam, behalve voor pasjeshouders. Dan lezen tot het ontbijt aanvangt, waar ik twee crackers met dit of dat eet en twee (of drie, want er zit toch geen cafeïne in) koppen koffie drink. Daarna breekt een alternerend rondrennen (met rollator of krukken) en rusten uit. Dat laatste door vanaf het bed naar Wimbledon of Le Tour te kijken of, zoals vroeger, door te lezen.

Vroeger namen ze ook nog wel eens mijn bloeddruk op of controleerden ze het zuurstofgehalte van mijn bloed en mijn temperatuur, maar dat blijft, wegens mijn permanente gezondheid, tegenwoordig achterwege.
Vanaf dinsdag begint een fysioregime, twee keer per dag een half of heel uur, al moet ik nu ook een paar keer per dag doelloos een trap op en af en wat zwabberen, voor-, achter- en zijwaarts, met mijn linkerbeen, want daar zit hem de breuk. Jammer dat ik er geen elektriciteit mee kan opwekken.
Ik ga vroeg slapen, hoewel het gisterenavond toch per ongeluk half elf werd.

Ik heb het gebruik van de pijnstiller Oxycodon, zonder de medische staf daarvan in kennis te stellen, intussen teruggebracht van vier naar drie maal per dag, want je ken d’r aan verslaafd raken. Ik verzamel elke vierde maar voor noodgevallen thuis.

Wat boterhambeleg valt het volgende te melden:
Cervelaat-, boterham- en grillworst, jonge-, komijnse- en oude kaas, ERU-Goudkuipje, Saksische lever-, smeer- en ossenworst en diverse zoetwaren (jam, paté a tartiner aux noisettes, pindakaas, benevens hagelslag en muisjes en, misschien omdat het vandaag zondag is, ook abrikozenjam. En dat alles gedragen door Echte Boter. En tweemaal per week een gekookt eitje, soms heel hard, soms op het waterachtige af, of een banaan.

Ik heb eigenlijk wel zin om, net als gisteren, een kwartiertje op zo’n fietsapparaat te peddelen, want dat maakt de boel lekker los, waar ik de hele dag profijt van heb. Maar het bewegingsdepartement is op zondagen hopeloos gesloten. Misschien hebben ze hier op de afdeling ook wel zoiets, zodadelijk, even aan B. vragen.

Becky is een heel mooi, zeer donker, meisje in de verpleging, kort van stuk, met een vollemaansgezicht (eigenlijk nieuwemaansgezicht, natuurlijk) van heb ik me jou daar, die me gisteren glansrijk, kordaat, vol van zelfvertrouwen en vrolijk, heeft geholpen toen mijn mobiel in ene uiterst eigenaardige kuren begon te vertonen.

Hâ, nu komt er nog een zonnetje door ook; klaar met het ontbijt, dus fluitend op zoek naar de Wielewaal,

Liefs & Dudeljo,

Hans

11 Juli

Good Day Darling,

9.30 uur

Zat zojuist buiten in de tuin een post-ontbijtsigaretje te roken en een nieuwe bewoner van mijn afdeling kwam tegenover me zitten. Hij belde op luide toon een kennis om deze op de hoogte te stellen van zijn status. Voor mij was het de eerste keer dat ik meer van hem beluisteren kon dan een enkele grom aan de ontbijttafel. Hij blijkt Nederlands te spreken, maar op een wijze die het mij slechts mogelijk maakt om één op zijn tien woorden van een betekenis te voorzien. Zijn enige zin die ik in samenhang kon begrijpen was: “Ik moet bewegen en ik moet rusten, dus ze weten hier niet wat ze willen”.

Af Fijn, dâlijk in groepsverband fysiotherapie en om 11.20 uur een bespreking van mijn toestand die moet leiden tot een te plannen ontslagdatum. Over dat laatste later meer.
Gisteren geoefend met nog maar één kruk, wat me goed afging, maar dat vandaag in enorme spierpijn resulteert. Gewoon doorbijten, Hans.

Opmerkelijk is hier ook dat alles wat aan de muur hangt echt goed scheef hangt. Daar kan ik niet tegen, maar het is onbegonnen werk om dat allemaal in het reine te brengen. Opvallend is tevens dat op vele wanden, als het gaat om IKEA-achtige printjes op doek, twee volstrekt identieke exemplaren naast elkaar te zien zijn, bevobbeld een waterlelie (2x), een orchidee (2x) of een schaap met lammeren (2x). Verder valt er veel te genieten van de resultaten van de creatieve schilder- en brei-uurtjes. Gelukkig nergens boetseerprodukten.

Het resultaat van mijn bezoek aan de inpandige haarsalon “Belinda” {vernoemd naar de vrouw die mij ook daadwerkelijk zelf knipte en wier geringe kapwinkel aanhoudend door allerlei oude, mannelijke medebewoners bezocht wordt die ongeorganiseerd binnenlopen om nieuwe jasjes en broeken te laten zien, waaronder éen van Bernd Lageveld, wat ik ondanks mezelf moet corrigeren) wordt bewonderd door zowel personeel als medepatiënten. Een lid van eerstgenoemde groep kwam, toen ik met twee bezoekers op mijn kamer aan tafel in gesprek was, de middagthee serveren. In totale verwarring ons drieën aankijkend vroeg ze “Waar issie?”. Nou is ook inderdaad vrijwel de helft van mijn voormalig kapsel verdwenen …

Nu moet ik naar de training; ik hoop maar dat er een radio’s aanstaan, net als hier op de etage op elke hoek, steeds op een andere zender. 
Zo meer over mijn evaluatie.

11.40 uur

Volgende week woensdag kom ik op vrije voeten! Ik moet nog even zien hoe. Openbaar vervoer is me, ook dan nog waarschijnlijk, iets te gecompliceerd en alle vrienden die niet op vakantie zijn, zijn autoloos. Een taxi kan natuurlijk altijd.

Verderop in de tuin hipt nu een Vlaamse Gaai en sinds vanochtend lees ik De Wetten van Connie Palmen. Straks de eerste bergetappe in de Tour.
Kortom: Het leven is een feest, als je maar zelf wat slingers ophangt.

Lieve groet,
Hans

12 Juli

Beste leukerd,

Zojuist zijn mijn laatste krammetjes uit mijn operatiewond succesvol verwijderd door C., een vrolijk, grappig, verpleegkundig kamerolifantje. Zij brengt mij op het fenomeen dat, bij benadering tachtig procent van het verzorgend personeel op zorgwekkende wijze aan overgewicht lijdt. De godganse dag schommelt het welgemoed en behulpzaam over de afdeling, bij vlagen de gangen blokkerend.

Ik zit weer in de grote achtertuin waar veel zitplekken zijn, maar ook veel door buxus omzoomde perkjes van twee bij drie meter. Hierin groeit en bloeit, in wisselende samenstelling, een enorme variëteit aan flora. Naast rozen, lavendel en andere gecultiveerde sierplanten vindt men er ook de Kaardebol in verschillende hoogtes, de Gele Toorts die ik ken uit de duinen, verschillende soorten Distel, het giftige Vingerhoedskruid en verschillende samengesteldbloemigen.

Naast een paar, intussen natuurlijk uitgebloeide, seringen luidt het verder alleen Esdoorns (van de Canadese vlag) wat de klok slaat. Parallel aan de lengte van de tuin loopt een rijweg. Aan de andere kant daarvan bevindt zich het architectonisch wonder dat ’t Hoogt heet. Het is dat ik dat weet want het wordt door een haag van groen aan mijn zicht onttrokken.

De vogelstand beperkt zich tot wat duiven die soms vechten, meerdere koolmezen, één (1) reiger die de ruime vijver tweemaal daags bezoekt, af en toe zo’n verdoemde, groene parkiet en de Vlaamse Gaai van gisteren. 

Zojuist spreekt een bejaarde vrouw, lid van de grootste bezoekersgroep van de tuin, de gedenkwaardige woorden uit:”Ik leef in een hel. Heb jij dat nou nooit?” Ik heb geen hoge pet op van het dus vooral uit vrouwen bestaande tuinpubliek. Veelal overstijgt hun niveau helaas niet dat van de Middelbare Meisjesschool, al voer ik wel korte gesprekjes over niets of luister ik gewillig, af en toe knikkend of het hoofd schuddend, naar gemompel. Op dit moment meldt mijn gesprekskameraad van gisteren dat je binnen niet mag roken vanwege de rookmelders. Zo kan je er ook over denken, schiet het door mijn hoofd.

Niets te melden, dus. Heb een fijne dag, net als ik,

Hans

PS
Ik kan trouwens sinds bijna een week ook weer heel goed met mijn verkeerde been uit bed stappen!

13 Juli

Lieve Correspondent,

Begin deze week begon het echt serieus tot me door te dringen om welk een enorme hoeveelheid uurwerken het in dit, architectonisch werkelijk zeer lelijke, verzorgingskasteel eigenlijk gaat. En dat terwijl de meeste bewoners van elk talent om iets met die doordenderende vrijheid te doen, verstoken zijn. Zowel degenen die hier tijdelijk verblijven, zoals ik ter revalidatie dus, als zij die hier voor eeuwig opgesloten zitten, want die heb je ook, proberen de tijd weg te tellen en het houvast daarvoor hangt aan veel te veel wanden. Niet dat ze sneller gaat, de tijd, als je er geen acht op slaat of kan slaan, maar het overweldigend aanbod van minuten en uren vind ik voor een plek als deze wel wat overdreven.
Daar komt bij dat elke wijzerplaat zijn eigen tijdzone kent met soms maar een geldigheid van een meter of drie, vier, uiteenlopend van een kwartier vóor tot vijftien minuten na de Cesiumtijd. 

In het reguliere leven kan ik, elke keer tot mijn eigen verrassing en met een marge van een minuut of vijf, schatten hoe laat het is, ook wanneer ik midden in de nacht ineens wakker word. Die gave maakt mij verder nergens speciaal geschikt voor, dus een aanvulling op mijn uitkering hoef ik er niet van te verwachten, maar soms is het wel handig; ik kom bijvoorbeeld zelden ergens te laat. Hier is op tijd komen echter in het geheel geen must; want volgend op de mededeling dat iemand over een paar minuten bij je langs komt breekt meestal een periode van anderhalf uur rust aan. Het lijkt ook alsof die gave van mij, in de korte tijd dat ik hier ter genezing mag zijn, aan kracht heeft ingeboet. Want elke keer dat ik nu een gokje doe blijkt de tijd me totaal ontsnapt te zijn. Net als de kwaliteit van mijn wandelen zal ook dat zich wel weer herstellen, maar het brengt me toch een beetje uit mijn evenwicht, net als die gebroken heup zelf, trouwens. 

Behalve dat ze een handige en betrouwbare conventie is, vind ik tijd, evenals leeftijd, verder van ondergeschikt belang, hoewel het zeker is dat, als je zonder zit, je niet heel erg veel voortschrijdt.

Ach, zomaar wat overwegingen (die voor mij zowieso nog slechts tot woensdag opgaan) op een saaie en trage zaterdagmiddag.

Ja, leuker is misschien om te vermelden dat ik vanochtend, in alle vroegte, een Grote Bonte Specht in de tuin aantrof. Die komen weliswaar zeer algemeen voor, zo zeggen alle vogelboeken en -websites, maar je ziet er zelden één (het zijn vlotte vliegers, dus je moet ze ook wel op tijd weten te herkennen, maar dat geldt vanzelfsprekend eigenlijk voor alles).
Laten we onze tijd dus goed gebruiken. Om van iets of iemand iets op te steken, om her en/of der iets goeds te doen of om van elkaar te houden, met alle consequenties van dien.

Lieve groet,
Hans

PS
Cesium is het sjemisch element waarvan de elektronen blijkbaar gebruikt worden om de atoomklok een beetje op tijd te laten lopen. Misschien ten overvloede, maar de afwijking van de atoomklok is één (1) seconde op vijf miljard (5.000.000.000) jaar. Daar kan je, als je ergens beslist op tijd moet zijn, je wekker dus wel op gelijk zetten.

15 juli

My dear Dear,
Gisterenavond had ik al snel een horizontaaltje te pakken. Daarop volgde een nogal wisselende avond en nacht van slapen en lezen, die er toe leidden dat ik pas om acht uur vandaag opstond. Toch verder vol goeie zin aan deze maandag begonnen.

Ben door mijn Duitse vrienden A. en S. gisteren uitgenodigd om de tweede helft van augustus, wanneer mijn herstel verwacht wordt zich in de afrondende fase te bevinden, naar Zwitserland, Ticino, te komen om daar in hun fraaie, verbijsterend mooi gelegen, onder architectuur gebouwde kleine huis, hun gezelschap op te leuken en van bier, wijn en het landschap te genieten. Dat lijkt me geweldig, natuurlijk.

Ik vond gisteren in het restaurant een leuk boek over heel veel lettertypes en hun geschiedenis; voor mij een schot in de roos dat zijn weg naar de huis zal gaan vinden, want voordat hier iemand het ter hand neemt zal er wel een generatie over heen gaan, vermoed ik.

Zojuist heb ik me op het naburig toilet succesvol ontlast. Naast dat dat enige tijd in beslag nam, was het resultaat zodanig machtig dat het zich niet op natuurlijke wijze door het watercloset liet wegspoelen. Een extra zetje van eigen hand bleek noodzakelijk.
Verder ben ik, sinds het uit bed komen, steeds met slechts één kruk onderweg, pijnloos en soepel. Ik weet dat ik dat niet te lang moet overdrijven want anders loop ik straks met de Gebakken Peren rond. De huisoefenfiets is bezet, dus kan ik daar pas later een kilometer of vijf op afleggen. Niet als krachttraining, maar om de heup- en benenboel lekker los te maken.

Om het, voor mijn vertrek van hier, niet te vergeten te vermelden graag ook je aandacht voor het volgende: in het gangetje naar de tuin, beneden, hangen drie ingelijste resultaten van een creatief-therapeutisch middagje, die eigenlijk, in weerwil van duidelijk amateurisme, wel degelijk de moeite van het bekijken waard zijn. Het zijn werken op papier uit de obscure zijtak in de beeldende kunst die “Cadavre Exquis” genoemd wordt. Als, in eerste instantie als literair, poëtisch, fenomeen bedacht door de surrealisten André Breton en Paul Eluard, kreeg het kort daarop een beeldende toepassing. Hierbij wordt een blad in drieën gevouwen en tekent de eerste kunstenaar op het bovenste deel zijn aandeel. Hij geeft slechts enkele aanknopingspunten van zijn creatie op het middendeel door waarop een collega, naar eigen inzicht en zonder kennis van het bovendeel, hierop aansluit. Op dezelfde wijze komt een derde kunstenaar aan de beurt. Bij het uitvouwen is het eindresultaat een amalgaam van drie artistieke fantasieën waar je als bekijker je eigen eenheid van kan maken. Ik wil van die drie beneden wel foto’s maken, maar ben er met dit nieuwe toestel, nog niet achter hoe dat werkt, kluns die ik ben.

Ga je zelf nog iets leuks doen vandaag?
Hans

Vandaag, 17 juli
Ich bin wieder theus! 
Misschien later afrondend meer …

Vandaag, later:

Deary,

Het is nu net na negenen ’s avonds en ik ben blij dat ik weer terug ben in De Pijp. Niet dat ik daar vandaag, nadat lieve vriend G. me van De Die naar huis had vervoerd, veel heb rondgedwaald, maar ik heb hier wel een gevoel van thuis.

Gisteren, en daar wil ik het toch even over hebben, werd ik in mijn schattig, treurig rehab-centrumpje overvallen door een, mij eigenlijk in het geheel niet passend, gevoel van melancholie. Weliswaar had ik daar mensen leren kennen, personeel en medepatiënten, maar die zal ik zeker spoedig vergeten, evenals de sporen van rolstoelen en rollators op het vergrauwde gele linoleum.

Het had natuurlijk alles, gevoelig tiepje dat ik ben, te maken met het afscheid nemen van deze plek. Hoewel er daar geen kip woont of werkt waar ik binnenkort nog naar zou kraaien, kreeg ik dat gevoel niet kwijtgespeeld. Er is in De Die weinig, niks eigenlijk, dat een moeizaam afscheid behoefde, behalve misschien I., de vrouw bij de ingangsbalie, die zo normaal, lief en natuurlijk vriendelijk is dat elk ander er wegens overbemoederend gedrag bij in het niet valt. Bovendien speelden Ineke en ik elk dag het spelletje of we elkaars voornaam nog wisten.

Af Fijn, vannacht kwam ik er vermoedend achter dat de oorzaak van mijn spleen lag in het volgende:
Toen ik mijn linker heup brak (heupen horen volgens mij in dezelfde categorie als lurven en hurken, trouwens) begon voor mij een avontuur. Eerst aarzelend, mezelf wijsmakend dat het ook een zware kneuzing kon zijn. Maar na een uur of acht, vooral omdat ik mijn linker been in het geheel niet meer kon bewegen, al kon ik nog wel met mijn tenen wiebelen, en ik me het traumamoment in herinnering bracht (totale slapte, een gevoel van lijkbleek te worden, en zo) werd de noodzaak om een ziekenauto te bellen wel duidelijk.

Toen kort na het arriveren van twee adequate ambulancebroeders op mijn kamer het gezelschap werd gecompleteerd door vijf (5) brandweermannen begon het Spel Zonder Grenzen echt. Vooral omdat ik van twee hoog door laatstgenoemden het raam werd uitgetakeld om daarna, zonder zwaailicht of sirene, naar het hospitaal te worden vervoerd. Een dergelijk hoofdstukje had ik in mijn leven nog niet meegemaakt. En dat hoofdstukje, die korte novelle eigenlijk, kwam gisteren dus ten einde, al moest ik er nog een nachtje in slapen, voordat ik weer in mijn eigen leven terecht kon komen. De weemoed om niks, gemengd met een lauwe opstandigheid kon daar weinig aan veranderen. Ik herken weer alle geluiden, al het geruis en gebabbel om me heen. Dus nu maar wachten op, of liever werken aan, een nieuw avontuur.

Lieve groet,
Hans

Belasting op Kunst? Een antwoord van de Wethouder Financiën

Datum: 2 december 2022
Behandeld door bestuurszaken.bel@amsterdam.nl

Onderwerp:
Uw e-mail van 21 november 2022 over de reclamebelasting


Geachte heer Gieles,
Dank voor uw e-mail van 21 november 2022, waarin u aandacht vraagt voor de voormelding voor de reclamebelasting die door Belastingen Amsterdam is verstuurd aan de gebruikers van het bedrijfspand van Studio Stallinga vanwege een wandschildering. U stelt dat deze wandschildering niet als reclame zou mogen worden beschouwd, omdat het een autonoom kunstwerk betreft dat op geen enkele wijze verwijst naar de bedrijfsmatige activiteiten die in het pand worden ontplooid. U vraagt daarnaast of – en zo ja, op basis waarvan – het beoordelen van de uiting aan het pand binnen ons ambtsgebied valt. Graag licht ik in deze brief toe hoe de reclamebelasting in Amsterdam wordt toegepast, hoe in de context van de reclamebelasting wordt omgegaan met kunstuitingen in de stad en waarom de belastinginspecteur het bevoegde bestuursorgaan is voor de uitvoering van gemeentelijke heffingen.

Belastingen voor openbare aankondigingen
Anders dan de term reclamebelasting in eerste instantie kan doen vermoeden, schrijft de Gemeentewet in artikel 227 voor dat deze heffing niet alleen betrekking heeft op reclameboodschappen, maar op openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Op basis van jurisprudentie dient de gemeente een ruime uitleg van het begrip openbare aankondiging te hanteren: elke uiting van commerciële of ideële aard die is gericht op het trekken van de belangstelling van het publiek voor een dienst, een product of een boodschap geldt in beginsel als een openbare aankondiging.
Ook kunstuitingen kunnen de functie van openbare aankondiging hebben
In algemene zin geldt dat autonome kunst – zonder duidelijke afzender of relatie met een specifieke dienst, een product of een boodschap – buiten de reclamebelasting valt. Dat kunnen bijvoorbeeld muurschilderingen zijn, gedichten, sculpturen, maar ook historische gevelreclames. Wanneer een kunstwerk echter verwijst naar de functie van het gebouw waaraan het kunstwerk is bevestigd of de exploitant daarvan, kan het de functie hebben van een openbare aankondiging zoals bedoeld in de Gemeentewet. Met andere woorden: of iets kunst is of niet doet voor de heffing van de reclamebelasting niet ter zake, het gaat om de vraag of het een uiting betreft waarmee de aandacht van het publiek wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap.

Belastinginspecteur als bevoegd bestuursorgaan
Het voorkomen van subjectiviteit en willekeur bij de uitvoering van gemeentelijke belastingen is een belangrijke reden waarom in de Algemene Wet inzake Rijksbelasting (AWR) is vastgelegd dat belastinginspecteur het bevoegde bestuursorgaan om belastingaanslagen op te leggen. Bij het heffen van de reclamebelasting is de door de gemeenteraad vastgestelde verordening leidend. Vervolgens is het aan de Belastinginspecteur om deze heffing uit te voeren, rekening houdend met de randvoorwaarden uit de wet en de jurisprudentie. Uiteraard houdt de inspecteur daarbij rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals het gelijkheidsbeginsel, proportionaliteit, doelmatigheid en het rechtzekerheidsbeginsel. Het is aan de belastinginspecteur om – met inachtneming van de kaders zoals gesteld door de raad en alle omstandigheden van het specifieke geval – te beoordelen of het belastbare feit zich voldoet, niet aan het college.

Rechtsbescherming voor belastingplichtigen
Naar aanleiding van de voormelding is in de casus waar u aandacht voor vraagt door de
belanghebbende contact gezocht met Belastingen Amsterdam. Deze voormelding is bedoeld om inzicht te bieden in de uitingen die de gemeente heeft geregistreerd en belanghebbenden in de gelegenheid te stellen om daar op te reageren bij onjuistheden of vragen over te stellen. Daarmee probeert Belastingen Amsterdam fouten of onduidelijkheden te herstellen bij de uitvoering van deze nieuwe heffing, voordat de daadwerkelijke aanslagen worden verstuurd en wordt interactie tussen Amsterdammers en de gemeente als responsieve overheid gestimuleerd.
Belastingen Amsterdam heeft de belanghebbende van de casus die u onder onze aandacht heeft gebracht gevraagd om aanvullende informatie te verstrekken. Op basis van die informatie zal de inspecteur beoordelen of met het kunstwerk de aandacht van het publiek wordt getrokken voor de activiteiten in het pand. Als dat zo is, dan wordt het kunstwerk gezien als een openbare aankondiging zoals bedoeld in de Gemeentewet. Wellicht ten overvloede wil ik u er tot slot op wijzen dat het voor een ieder die het niet eens is met de gemeentelijke belastingaanslag zodra die begin 2023 wordt verstuurd, hier altijd de mogelijkheid tot bezwaar en beroep voor open staat.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,
Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
Hester van Buren
Wethouder Financiën

Een brief aan Amsterdamse wethouders

Zojuist stuurde ik een brief aan twee wethouders van de Gemeente Amsterdam, te weten Hester van Buren (financiën) en Touria Meliani (cultuur), naar aanleiding van het artikel door Edo Dijksterhuis in Het Parool van vandaag. Dat behelst de voorgenomen precarioheffing over het kunstwerk van Tim Ayres dat hij acht jaar geleden maakte op de gevel van het pand van Studio Stallinga in Amsterdam-Noord. Daar moet nu betaald voor gaan worden en dat is debiel, belachelijk en onzin!

o-o-o-o-o-o-o

Geachte wethouder van financiën, Geachte wethouder van cultuur,

In het besluit om het kunstwerk van de Brits-Nederlandse kunstenaar Tim Ayres, aangebracht op de gevel van het bedrijfspand van Studio Stallinga in Amsterdam-Noord (zie afbeelding onderaan), te belasten met een precarioheffing, schuilt bij de afdeling Waardering, Heffing & Toezicht een niet geringe denkfout.
Enerzijds kan ik me daar, wat de reden betreft, iets bij voorstellen omdat uw portefeuille geen culturele inhoud heeft en omdat u slechts de relatie zoekt tussen de bedrijfsmatige kant van een pand of locatie en het wervend naar buiten brengen van die kant door het aanbrengen van naamvermelding, tekst of logo in, aan, of op een gevel.

In onderhavig geval speelt duidelijk iets anders en wel om meerdere redenen.
Om te beginnen is de wandschildering een geheel op zichzelf staand, zogenaamd autonoom, kunstwerk dat op geen enkele manier verwijst naar de bedrijfsmatige activiteiten die in het pand worden ontplooid. De keuze van Stallinga en Galani om Tim Ayres uit te nodigen voor de verfraaiing van hun zouteloze gevel in een armoedige semi-industriële omgeving was gebaseerd op respect voor het werk van deze bekende kunstenaar. Ze gaven hem, binnen de ruimte die ze ter beschikking hadden, alle artistieke vrijheid om tot de conceptie van het werk te komen. En ze betaalden hem daar een niet geringe som geld voor. De voorname, maar ook raadselachtige uitstraling van het resultaat dient niet alleen hun eigen genoegen, maar is tevens een geschenk aan de visueel en cultureel uiterst karige omgeving.

Foto Jakob van Vliet / Het Parool

Tim Ayres is sinds begin jaren negentig als kunstenaar internationaal gerenommeerd, vooral door zijn werk waarin, naast kleur, tekst het leeuwendeel van het beeld uitmaakt. Dus waar een andere schilder een bloemstilleven of een landschap uitbeeldt kiest Ayres voor woorden en zinnen die, in de meeste gevallen, een ‘open’ betekenis hebben. Betekenis van zijn werk komt terecht ‘in the eye of the beholder’, niet bij een gemeentelijke dienst.
Enige tijd na hun vestiging aldaar ontwikkelde zich bij Stallinga en Galani de wens om in hun werkruimte, naast hun bedrijfsmatige activiteiten, op onregelmatige basis en zonder winstoogmerk (!) aandacht te besteden aan een andere passie in hun leven, namelijk de beeldende kunst. De muurschildering van Ayres bracht hen, jaren nadat die was aangebracht, op het idee om hun kunstactiviteiten daar qua naam aan te verbinden. Een dergelijke koppeling tref je over de hele wereld regelmatig aan: een vernoeming van een bedrijf naar bijvoorbeeld de rivier waaraan dat gevestigd is, het huisnummer of adres (mijn huisartsenpraktijk ‘Westerdokters’, gevestigd aan het Westerdok, is daar een sprekend en humoristisch voorbeeld van). In Amsterdam zijn meerdere cafés te vinden die hun naam ontlenen aan de gevelsteen waaronder ze opereren. En nogmaals: er is in dit geval in het geheel geen sprake van een verbintenis met het binnen het pand uitgeoefende beroep, laat staan van werving.

Dat Stallinga en Galani in dit geval in optimistische zin verantwoordelijk zijn voor oorzaak en een persoonlijk vervolg daarop mag hen belastingtechnisch gesproken beslist niet kwalijk genomen worden, in tegendeel, het zou de gemeente Amsterdam passen om hier een teken van dankbaarheid te laten blijken.
Daarnaast zou ik u willen vragen om aan hen, maar ook aan mij, duidelijk te maken in welke mate en zin en op welke wijze de mooie, beeldende, enigszins surrealistische voorstelling fruit falls with its flesh on the inside, als recente, onafhankelijke culturele toevoeging en ‘landmark’ aan een stadsdeel in ontwikkeling, binnen uw ambtsgebied valt.
De betrokkenheid van uw gemeenteafdeling in dezen lijkt een verband tussen twee aspecten van betreffende locatie te leggen dat helemaal niet bestaat! Want had het hier een abstracte voorstelling betroffen, of een schilderij als een enorm stilleven, dan hadden uw registratie-auto’s er aan voorbij gekeken. Het dient dus nadrukkelijk als een werk van beeldende kunst gezien te worden: onafhankelijk, dwars en prachtig…

Uw antwoord tegemoet ziend en met hartelijke groet,
Hans Gieles

P.S.
Ik zal deze brief ook sturen aan onze wethouder van cultuur, aan de betrokken personen (de kunstenaar en zijn opdrachtgevers), en publiceren op mijn FaceBook-pagina.

Uitzicht & Inzicht: Ouder & Kind. Naar aanleiding van een portret door Paul Blanca


Al eerder had ik het over het uitzicht vanuit mijn appartement op het Westerdokseiland in Amsterdam. En dat zal nog wel vaker ter sprake komen, want na drie-en-een-half jaar zonder huis te hebben gezeten raak ik niet gauw verveeld door de geneugten van een eigen stek: ik kan met de lift naar zes hoog ook al is er een trap, er is vijfenzeventig vierkante meter ruimte (zeer gepast voor iemand van mijn leeftijd), de inrichting mag er wezen (mede dankzij E!), genoeg wanden om kunst op te hangen (al bestaat de helft van de muren uit knalhard beton terwijl ik nog steeds een klopboor ontbeer), de ramenflank ligt op het zuidwesten (wat, eerlijk is eerlijk, in de zomer af en toe tot enige temperatuuroverlast leidt), als de leporelloramen helemaal open staan wordt de woonkamer een inpandig balkon, er heerst rust omdat mijn toren zich midden op een binnenplaats bevindt (behalve als de kinderen van het kinderdagverblijf zich, helemaal rechts op de cour, op hun speelplaatsje vermaken, net als met het Pride-botencorso, dat dit jaar op het Westerdok eindigde en waar horen en zien je van verging) en tot slot betoverende zonsondergangen. Dan heb je, kort geschetst, een beeld, wil ik maar zeggen. Plus dat we aardige buren hebben!
Alles bij elkaar een lot uit de loterij dat me rechtens is toegevallen wegens ‘alle ellende’ die ik heb meegemaakt, maar waarmee ik nogal wat wachtenden op onze nauwe Amsterdamse woningmarkt voorbij heb gestreefd. Mijn geluk zal gedeeltelijk wel met mijn genetisch pakket of mijn sterren te maken hebben. ‘Honni soit qui mal y pense’!’, zeggen ze dan tegenwoordig in Frankrijk. En ja, ook ik vraag me steeds opnieuw af wat die slagzin alweer betekent. Nou, zoiets als: ‘Schande kome over wie er kwaad van denkt!’, dus dat komt mooi uit, al draag ik vrijwel iedereen een goed hart toe. Behalve dan onze voormalige buurtgenoot en neo-idioot Thierry B, die toch best eens zodanig zou kunnen struikelen en zijn hoofd stoten dattie van de weeromstuit ineens zaken weer helder inziet en z’n medicatie stopgezet kan worden.

Vanuit the living (je kan ook zeggen: de zit-, lees- en tv-salon) kijken we in zuidelijke richting op een meter of twintig afstand naar het bouwblok tegenover ons (ik zal dat zo even precies nameten, maar dan moet ik, met rolmaat en al, wel even naar beneden). Gelukkig telt dat blok maar zes woonlagen en daardoor blijft ons firmament grotendeels in tact. De bovenste twee appartementen ervan zijn, exclusief het enorme dakterras, elk honderdvijfenveertig vierkante meter groot waarvan het linker, ruim een half jaar geleden, te huur was voor achtendertighonderdvijftig Euro per maand. Het heeft nu bewoners die zich nooit laten zien, al stond er op een dag wel ineens een protserige salontafel van messing en glas op het balkon. Voor stoelen zijn ze waarschijnlijk nog aan het sparen.
Hunnie hebben daro dus wél balkons en wij niet, tot licht verdriet van E, en in éen van de dragers daarvan bevond zich ook dit jaar weer de kraamkamer van een gierzwaluw. Of die vogelsoort broedzorg deelt weet ik niet, maar het is, in zo’n periode vanaf midden juni tot half juli een af- en aanvliegen geblazen en voor mij daarom een lust voor het oog, al heb ik Het Uitvliegen Zelf twee seizoenen precies gemist.
Zó, nu ben ik net terug van de opmeetexercitie: tussen de twee gebouwen liggen tweeënveertig tegels van veertig centimeter lengte wat het nettoresultaat, als ik me goed vermenigvuldig, op zestien meter tachtig brengt. Maar er is nog sprake van wat restruimte, naadjes en een gootje, dus laten we het op ruwweg zeventien meter houden; drie meter minder dan wat ik op het oog schatte, maar wat geeft dat. Je krijgt bij dezen in ieder geval een aangescherpt globaal idee…

Vanuit the study kijken we, langs die dure etages, een kilometer of vier, vijf, zes (ik ga dit niet nameten!) richting de einder. Om te beginnen naar het Westerdok (een watergang van Het IJ naar de Prinsengracht waaraan ons eiland zijn naam te danken heeft) en dan over het Bickers- en Prinseneiland, vervolgens over het Westerpark en over de volkstuin van Wilma, een vriendin van E, en dan naar het Sloterdijkgebied en zelfs naar Het Verderop, met zijn electriciteitsmolens in het Westelijk Havengebied die me dagelijks de windrichting duiden, en het onzichtbare IJmuiden.
Als ik vanuit mijn rookraam in de werkkamer links naar beneden kijk, naar dat blok op zeventien meter tegenover ons en me concentreer op het appartementje op drie hoog, bevindt het uiteinde van mijn blik zich in de huiskamer van een jong stel. Omdat ik hun interieur van nogal schuin bovenaf moet beoordelen ga ik niet over tot het uitdelen van punten want dat zou onrechtvaardig zijn. Ze hebben speakers op mooie standaards die volgens mij prijzig zijn geweest, al kan ik het merk niet ontcijferen omdat mijn verrekijker zich in De Jordaan bevindt. Maar het kleedje waarop ze, al staat er regelmatig een wasrekje op te drogen, de was daaraan bedoel ik, vrijwel elke dag yoga of andere trage bewegingsoefeningen doen, lijkt me maximaal van IKEA afkomstig. Het was me eerder opgevallen dat Hij nogal een Pietje Precies is toen hij zich meer dan twintig minuten bezig had gehouden met het schikken van de schaarse plantenbakken op hun balkon en het eindresultaat werd werkelijk niet anders dan het uitgangspunt. Maar ik heb hem ook eens bezig gezien, deze keer zeker een half uur, om het vel anti-glij-materiaal onder dat tapijtje plooiloos te schikken. Eindeloos ging dat door: dan weer de ene helft, dan weer de andere openvouwen, een beetje trekken en gladstrijken, toch eens kijken wat er gebeurt wanneer we helemaal opnieuw beginnen, opstaan om, met de kousenvoeten aftastend, te zien of het wel goed voelt, nee, toch nog niet helemaal, slokje thee… Eindeloos ging dat door tot ik het écht te gênant begon te vinden, al ging hij zo in zijn bezigheid op dat hij van mijn uitkijkpost geen weet had en, tenzij hij deze verhandeling onder ogen krijgt, ook nooit zal hebben.

Maar het allerlaatste nieuws, van een week of zes geleden althans, is dat Hij en Zij vader en moeder geworden zijn. Op zich had ik dat al een tijd zien aankomen, vooral bij haar, maar omdat ik er niet voor heb gestudeerd en zelf nooit kinderen heb gekregen, en wegens gebrek aan direct contact (ik zou haar en hem op straat niet eens herkennen), was ik niet precies op de hoogte van de datum waarop het feestje uitgerekend was.
De eerste tien dagen volgend op de dag waarvan ik vermoedde dat de bevalling had plaatsgevonden bleven de gordijnen dicht, al was er af en toe sprake van enige actie in de vorm van licht aan/licht uit, balkondeur of een raam een beetje open en weer dicht, maar het was allemaal minimaal. Dat baarde me grote zorgen. Vooral omdat we vroeger thuis gordijnen dicht hielden in een rouwperiode omdat iemand van nabij er niet meer was (op mijn lievelingsneef na gelukkig alleen opa’s en oma’s). Toch ging het voorhang na verloop van tijd op dagelijkse basis open en kwam er zicht op een deel van een aan het plafond hangende slinger van aan elkaar geregen roze harten. Tot voor kort zou dat hebben gewezen op de geboorte van een dochter, maar aangezien de geslachten tegenwoordig nogal door elkaar lopen, zowel feitelijk als in de formatterende opvoeding, durf ik daar niet 100% voor te pleiten omdat ik niet op zaken vooruit wil lopen en zuiver in mijn informatie wil blijven, dus ook in mijn twijfels en onzekerheden. Sindsdien heb ik zicht, als ik uit het venster rook, op moeder die, gezeten op de haaks op het raam geplaatste eenvoudige bank, naar me toeschijnt vrijwel de gehele dag door, de kleine de borst* geeft, wat bij mij de vraag oproept of la Petite wel genoeg slaap krijgt. Ontroerend als dit moge klinken, hiervan ontgaan me alle details omdat het genretafereel zich, door het verschil in lichtsterkte tussen binnen en buiten, en vanwege weerkaatsing van dit of dat, vooral als een kubistische voorstelling aandient. Maar mooi is het allemaal wel en ik hoop dat iedereen zich daar aan het overkantje in een geweldige gezondheid bevindt en een gelukkige toekomst tegemoet gaat. Van dat laatste vraag ik me soms af, al ben ik een optimist, wat ik daarvan nog mag meemaken. Vader valt trouwens de laatste tijd nauwelijks meer te signaleren. Of hij zijn tijd verbeidt in een internetcafé om zijn aandeel in het ouderschap te ontlopen weet ik niet, maar het valt me wel op. Bovendien heeft hij zijn participatie in de erfelijke overdracht natuurlijk reeds geleverd, dus voor de afwas hoeft hij geen tijd meer vrij te maken (deze schampere opmerking dient door de lezer laatdunkend genegeerd te worden).

* Borstvoeding is, zoals bekend, voor een boreling het aller gezondst, al moet je bij reclame voor babyvoeding op de televisie wel precies op tijd met een loep voor de buis zitten omdat, ergens onder in beeld en heel kort, daarvan melding wordt gemaakt. Helaas zien veel nieuwe moeders in zich nog ontwikkelende landen af van borstvoeding juist vanwege de indringende reclame voor industrieel vervaardigde producten door de grote producenten ervan; schande!

-o-o-o-o-o-o-
Pauze! Proost!
-o-o-o-o-o-o-

Twee weken geleden kreeg ik door het Fotomuseum Den Haag een foto geretourneerd die ik uitgeleend had voor de tentoonstelling Hommage aan Paul Blanca, samengesteld door directeur Wim van Sinderen en fotograaf Koos Breukel. Het betreft een werk dat ik ooit ten geschenke kreeg van de kunstenaar en dat ik spoedig daarna heb laten inlijsten, maar nooit heb opgehangen. De afgelopen jaren bevond het zich tussen een aantal andere kunstwerken in een opslag waar ik nog wat spul van na mijn scheiding heb ondergebracht en dat ik nog steeds niet, hoe fijn m’n appartement ook is, kan plaatsen. Per dom geluk wist ik zowaar deze foto boven water te krijgen en kreeg die een eervolle plaats in de presentatie in ’s-Gravenhage, al heb ik die wegens praktische omstandigheden niet kunnen bezoeken.
Ik kreeg het werk cadeau kort nadat ik voor Paul een tekst had geschreven voor de catalogus van zijn tentoonstelling van zelfportretten in de Frankfurter Kunstverein in 1992. Een tekst die achter in de mooie publicatie werd geplaatst, maar waaruit de toenmalige directeur van het instituut voor zíjn tekst, die natuurlijke de catalogus opende, de meest significante delen ongevraagd en vrijwel integraal overnam.
Paul en ik waren twee dagen voor de opening reeds in Frankfurt om de laatste verfijningen aan de presentatie te verzorgen. We deelden een hotelkamer, waar Paul, na een nachtelijke jacht op een drupje harddrug, bebloed, maar wel voorzien van twee flesjes Coca Cola, terugkeerde. Voor die opening zelf was een enorm contingent aan Nederlandse vrienden en collega’s van Paul uitgerukt en die werd mede daardoor een succes. Bovendien kreeg Paul voor het slapen gaan een blaasklus van éen van de overgekomen dames, waardoor het zilveren randje werd verguld.
Een aantal maanden daarna ontplofte onze vriendschap en samenwerking, in belangrijke mate vanwege Paul’s afhankelijkheid van diverse middelen. Omdat onze vriendschap haar fundament al had in de eerste helft van de jaren tachtig herstelde die zich na verloop van tijd. Zeker de laatste jaren van zijn leven (1958-2021) zagen we elkaar met enige regelmaat in vriendschap en liefde.

Het gekke is dat de meeste kunstwerken die op dit moment hier in huis hangen portretten zijn, of als zodanig kunnen worden beschouwd, terwijl ik toch ook dol ben op bijvoorbeeld monochrome kunst. En voornamelijk in- en in de buurt van de keuken, die overigens nauwelijks te scheiden valt van de woonkamer, want zo pakt dat uit in een hedendaags appartement. Aan de muur tegenover het aanrecht hingen enige tijd van links naar rechts: een tekening van Philip Akkerman (een zelfportret, vanzelfsprekend), een werk van Jack Pierson (een nogal luguber negatiefbeeld van een man) en een ongesigneerde VOUS ETES ICI-editie van Han Schuil (een losjes maar vaardig gestileerd doodshoofd, in zeefdruk uitgevoerd op een spiegel).
Het werk van Pierson heb ik een paar dagen geleden gewisseld met het werk van Paul. Het gevolg daarvan is tamelijk overweldigend vanwege de enorme kracht die dat blijkt te hebben. Niet dat de flankerende twee stukken doetjes zijn, in tegendeel, maar sommige werken van beeldende kunst hebben zo’n eigenschap en dat gevolg. Omdat mijn conclusies dienaangaande nog maar net in ontwikkeling zijn, laat staan getrokken, wil ik hier op onderzoek naar waar hem dat in dit geval in schuilt.

Vanaf de bank, als ik niet naar buiten of naar de tv kijk, of in een boek ben verdiept, is dat trio nu mijn uitzicht. Ongetwijfeld door een meetfout mijnerzijds hangt Paul’s foto een centimeter hoger dan de horizontale middenlijn die ik bij het bepalen van de hanghoogte van elk werk in huis consequent hanteer.
– Tekst gaat door na de foto

Er is een man geportretteerd want de persoon heeft een baard. Een dromerig maar tevens geconcentreerd gezicht dat ons aankijkt alsof niet wij hém, maar hij ons doorgrondt. De achtergrond, de omgeving rondom het gezicht, is een teer, wazig grijs, een back-drop waar geen verloop in zit, terwijl die toch kleur krijgt door, ik zou bijna zeggen een vederlichte en nauwelijks meetbare grafiettoon (het is een zogenaamde gelatine silver print). Far, far away is die achtergrond. Eerder werkend als een gloed, waardoor de beeltenis van de man zich des te meer naar ons toe beweegt. Het portret zelf betreft een klassieke buste waarbij de persoon net vanaf de oksels wordt weergegeven. Schouders en een deel van de borst zijn erg donker, intens antraciet, en vormen daarmee een sokkel voor het hoofd. Midden op de borst schittert een knoopje van het overhemd als een tik op een visuele triangel. Hoofd boven buste leveren een fraaie verhouding op tussen portret en ‘restruimte’, achtergrond dus, die rust geeft en balans, ook omdat het begin van zijn bovenarmen precies binnen de zijkanten van het kader blijven. Het model, Francesco Clemente (Italië, 1952), neigt zijn hoofd voor ons naar links en leunt op ondersteunende handen terwijl hij ons beziet. Verveeld of priemend, weifelend of intens? Een idee dat bij mij maar niet weg wil is dat hij met een soort bezonken maar toch geconcentreerde nieuwsgierigheid kijkt naar vallend fruit in een boomgaard.
Paul kreeg de portretopdracht van een New Yorkse galerie die Clemente in die jaren vertegenwoordigde om als advertentie voor een tentoonstelling te worden gepubliceerd in het Amerikaanse kunsttijdschrift Artforum. Italiaanse kunstenaar Clemente was toen enorm wereldberoemd en is dat nog steeds.
Het is vrijwel onmogelijk om je, bij nadere beschouwing, te onttrekken aan de aandacht die de geportretteerde aan ons als kijker geeft. En niet alleen vanwege de indringende blik die hij op ons richt. Opmerkelijk is, dat naast Clemente’s mooie, priemende ogen, ook zijn linker oor een hoofdrol speelt. Dat oor bevindt zich, duidelijk uitgelicht, net even rechts van de kruisende diagonalen in de compositie; een veelgebruikt hulpmiddel, die diagonalen, om een voorstelling iets extra’s mee te geven. Het kan best zijn dat Paul bij het afdrukken dat oor een beetje heeft ‘tegengehouden’ om die nadruk te verhevigen, al zat het DNA voor dit aspect al in het negatief. Hierdoor wordt ook duidelijk dat het hoofd niet alleen scheefgehouden wordt, maar iets is gedraaid. Gevolg en conclusie? Francesco Clemente luístert ook naar ons!

Naast andere dingen is het typerend voor mij dat ik me al schrijvend laat leiden door waar het toetsenbord me leidt. En dat ik alleen ‘noodzakelijk’ onderzoek verricht wanneer me dat ‘te pas’ komt. In dit geval dacht ik: ik zal eens kijken hoe en door wie Clemente zoal nog meer is geportretteerd, bij voorkeur in de jaren tachtig. Ik houd het voorlopig maar bij Blanca’s collega’s Andy Warhol en Robert Mapplethorpe, al is er ook van andere fotografen beeldmateriaal beschikbaar. Het valt op dat Clemente zich vaak zodanig laat vereeuwigen dat zijn handen een belangrijke rol spelen in de voorstelling. Het kan niet anders of hij was vaak mede-arrangeur van het beeld, wat dat aspect betreft. Geen wonder, want hij heeft zelf vele werken (tekeningen, aquarellen, etsen) gemaakt waarin de hand ‘geportretteerd’ werd of een hoofdrol speelde, mede geïnspireerd door zijn verdieping in de Indiase kunst en religie.
– Tekst gaat door na de foto


Eén van de eerste polaroids die Warhol van hem maakte dateert van 1981: Clemente’s hoofd rust in een beetje dandy-achtige pose op zijn linkerhand, de linkerschouder bravoureux naar voren. Al met al betreft het hier een jongeman met schuchterheid in zijn blik. Maar ook hier het oor!
– Tekst gaat door na de foto


In 1982 portretteerde Robert Mapplethorpe Francesco Clemente: Duidelijk een stuk zelfbewuster, maar tegelijkertijd deemoedig, bijna ingekeerd, met de handen voor zijn borst over elkaar heen gelegd. En met een iets genegen hoofd. Het geheel is nogal pathetisch en op het saaie af, als ik dat mag zeggen. Formeel zijn er enkele overeenkomsten met Blanca’s portret: de donkere jas, de plaatsing van de figuur in het vlak met de ellebogen min of meer leunend op de onderrand, al is de kadrering benauwend en is de achtergrond nogal grauw. Er is sprake van een jaren dertig August Sander-atmosfeer.
– Tekst gaat door na de foto


En dan is Andy weer aan zet; Clemente was intussen een regelmatig opduikend personage in de entourage van Warhol (we spreken van 1986). Ook hier weer een polaroid. Andy zou net een andere opname verkiezen boven deze om een zeefdrukportret (3x vrijwel hetzelfde, flush tegen elkaar aan) van Francesco te maken en, naar ik aanneem, aan hem te schenken. Het bevindt zich in ieder geval in Clemente’s collectie.
Net als bij Mapplethorpe zit de geportretteerde klem in het kader van de opname, maar hier is de blik helder en vol zelfvertrouwen. Wat het meeste opvalt, is de positionering van de handen die tegen de onderkant van het gezicht gevlijd zijn (en weer het oor, natuurlijk) en daarmee de overeenkomst met het portret door Paul. Deze foto is afkomstig uit het archief van Andy Warhol en via de later naar hem genoemde stichting in een privécollectie terecht gekomen. Warhol heeft hem dus altijd ‘onder zich’ gehouden. Bij mijn weten heeft Paul Blanca Andy Warhol nooit ontmoet en het is dus maar de vraag of hij Andy’s portret heeft gekend en mede als uitgangspunt heeft kunnen nemen voor zijn eigen werk.

Oplettende kijkers thuis is het natuurlijk allang opgevallen dat Blanca een gebbetje uithaalt met onze waarneming: de handen in zijn portret kunnen onmogelijk die van Clemente zelf zijn. Daarvoor zijn ze te klein en te lieflijk. Het zijn dan ook de handen van zijn dochter Nina die toen een jaar of zeven, acht oud was. Maar wat doen deze handjes en onderarmpjes met dit portret? En wie heeft de boel zo gearrangeerd? Ik geef je op een briefje dat dat Paul is geweest! De ongelooflijk intelligente compassie waarmee Paul mensen portretteerde, ik heb het zelf twee keer meegemaakt, en de ver doorgevoerde regie die hij in handen hield, maakte hem een meester in het aanbrengen van betekenislagen in zijn foto’s. Zie daarvoor net zo goed zijn zelfportretten. We kunnen alleen maar gissen naar wat de locatie van de opname is geweest want er ontbreken omgevingsaanwijzingen. Vrijwel al het werk van Paul werd geschoten in een studiosituatie, en de achtergrond en de belichting doen ook hier zoiets vermoeden. Duidelijk is in ieder geval dat Clemente zijn dochter meenam, waarschijnlijk op verzoek van Paul zelf die vrijwel zeker het snode plan voor de kracht van de voorstelling reeds gesmeed had.
Want: de ledemaatjes van Nina, die zich hier aandienen in de vorm van een chromosoom, onderstéunen niet haar vaders hoofd maar tillen het op, bieden het aan ons aan: ‘Zie, dit is mijn vader! Kijk hoe hij kijkt en luister zoals hij luistert!’ Dankzij Paul zijn Nina’s kinderhanden gevuld. Niet gauw, maar liefdevol en eindeloos!

Alles IJdelheid

Er zullen mensen bestaan die zeggen: ‘Als je ergens een hekel aan hebt, negeer het dan en houd je mond erover’. Ik ben het daar voor een deel mee eens en daarom luister ik ook niet naar Pink Floyd, Queen en Mozart en zoek ik mijn vrienden dus mede uit op basis van hun voorkeur voor Dolly Parton, The White Stripes en Van Beethoven.
Maar het valt heden ten dage niet mee om Marina Abramovic te vermijden. De stad is met haar sacherijnige, zelfingenomen kop volgeplakt en kranten en tijdschriften praktiseren hun behoefte om aan haar komend aanstellerig en plotloos drama in het theater aandacht te besteden. Alles draait volgens Abramovic om charisma. Dat zal best zo zijn, maar in haar geval, waar het daaraan ontbreekt, draait het vooral om krachtig georganiseerde zelfpromotie op basis van uiterst dunne, vrijwel verwaarloosbare lijntjes naar iets betekenisvols.

Een paar jaar geleden richtte ze een institute op, gemakshalve naar zichzelf vernoemd, dat zich ten doel stelt om de kunstvorm ‘performance’ in ere te houden. Voor dat doel stimuleert ze artistieke types die niet kunnen tekenen of schilderen om zich op uitputtende wijze bezig te houden met uren durende herhalingen van zetten. Die mogen dan niet eten, niet telefoneren en bijna niet nadenken. Het klinkt nogal als een exploitatie ten bate van het eenzijdige doel om Abramovic Incorporated een platform te bieden en alle gouden stralen op haar gericht te houden. Over andere belangrijke voorgangers van haar, waaronder behoorlijk wat vrouwen, hoor ik vooralsnog weinig. Daarnaast streeft ze ernaar om vroegere performances, zoals bijvoorbeeld die van haarzelf samen met Ulay, opnieuw te laten uitvoeren.

De eerste vergelijking die me te binnen schiet bij dat laatste is die met het herspelen van veldslagen uit de wereldgeschiedenis, wat, zoals wel meer hobby’s, een totaal onzinnige bezigheid is, maar velen blijkbaar plezier brengt; paarden, manoeuvres, gevechten, wapens, kostuums, & cetera. Maar zo ook kun je in China, in speciaal daarvoor ingerichte werkplaatsen, een ‘originele handgeschilderde reproductie’ laten vervaardigen van de sterrennacht van Van Gogh (of Ven Gof, zoals sommige blond geboren Engelstaligen zijn naam uitspreken). En in deze categorie vallen ook de recente hologrammatische concerten van ABBA en andere coryfeeën te rangschikken. Die duren weliswaar nooit zó lang (die Van Gogh al helemaal niet, al kan vooral het wachten op de levering van je nepobject wel enige tijd in beslag nemen) als de uitgestreken tijd waar Abramovic’ voorkeur naar uitgaat, maar zijn in essentie van hetzelfde laken een pak. Binnen dit veld van mogelijkheden gaat mijn voorkeur dan weer uit naar een hernieuwde versie van de Wimbledon-finale uit 1980 tussen Borg en McEnroe, wat wel zal betekenen dat de jonge versies van deze helden alle slagen van de sensationele vijfsetter uit hun hoofd moeten leren. En éen van die twee moet ook nog eens het baldadige gedrag van McEnroe acteren terwijl beiden ook de hele tijd met een band om hun haardracht moeten rondrennen, want dat mocht of moest toen nog.

Opmerkelijk is dat Marina in twee interviews, in persklare taal, te kennen geeft dat ze een hekel heeft aan opera want ‘die duren zo lang’ waardoor ze er altijd bij in slaap viel. En daarnaast meldt ze, in wederspraak met wat ze eerder en later benoemt, dat het publiek er voor haar niets toe doet want dat moet het allemaal zelf uitzoeken. Waarom ze haar werk dan niet gewoon in haar appartement in NY uitvoert wordt hierdoor een beetje raadselachtig. Want ‘al die moleculen’ in haar lichaam die ze inzet om tot een prestatie te komen doen het toch overal, zou je denken. En waarom wil ze dan niet alleen zichzelf uitputten maar ook nog eens, en tegen betaling nog wel (exclusief ‘Masterclass’ vanaf € 65,00), duizenden toeschouwers?
Met dat uitputten heeft ze natuurlijk wel een puntje, want daarmee sluit ze aan bij gedragingen van mensen uit een veelheid aan culturen. Zo heb je de vaak voorkomende gewoonte van het gedurig vasten dat op veel plekken opduikt, het dansen van de derwisjen, het onmatig neuriën of opzeggen van mantra’s, maar ook het oeverloos zwijgen. Eeuwenlang dood zijn valt volgens mij buiten deze opsomming, al zullen nog steeds bestaande zonderlingen meteen opspringen en boos op vormen van wederopstanding of reïncarnatie wijzen (ze doen maar).
Maar is uitputting kunst? Toen Marina en Ulay indertijd om beurten hard op een blinde muur afliepen om daar tegenop te botsen, of in een ander toneelstukje naakt tegen elkaar aan te kletsten, zich daarmee aardig pijn doend, neem ik aan, was dat voor mij helemaal niet uitputtend, want na weinige minuten had ik het concept na noodzakelijke maar kortstondige overwegingen wel zo’n beetje in de gaten; van dramatische ontwikkeling was geen sprake behalve dan in de zin van: tsjonge, tsjonge, wat een gedoe, waarom gaan ze niet gewoon samen in bed liggen of in een café zitten…

Dat twee mensen zichzelf gedurig pijnigen of onder druk zetten, zoals dat bij hen gebruikelijk was, kon en is dan ook veelal in zogenaamde ‘stills’, fotografische registraties, vastgelegd. En die zijn voor iedereen met enig voorstellingsvermogen te bevatten als een aangrijpend voornemen dat, wat mij betreft, helemaal niet uitgevoerd had behoeven te worden. Dat zij verkozen dat wel te doen was hun goed recht, natuurlijk, maar ze hadden, voor de overdracht van de intensiteit van de inhoud, éen en ander ook achterwege kunnen laten. Zie voor deze problematiek ook de drie opties die conceptueel kunstenaar Lawrence Weiner voor zichzelf opstelde:

1 The artist may construct the work
2 The work may be fabricated
3 The work need not to be built

Marina Abramovic is een enorme ijdeltuit waarvan niet alleen haar werken getuigen, maar ook het gedachtengoed dat ze daaraan paart, evenals haar opgeblazen botox-toetje. In die zin mogen we haar als fenomeen best vergelijken met Harry Mulisch, ook zo’n held op sokken (‘een gemotoriseerde rellenvoyeur’, schreef Reve al vroeg, en de enige Nederlandse auteur wiens werk beter wordt in buitenlandse vertaling). Beiden blinken uit in het denken in-, en verwoorden/verbeelden van, filosofietjes van de koude grond, aangelengd met theologietjes vergelijkbaar met die uit de bijbelgordel of andere geloofjes uit het mondiaal religiegebied. En beiden, zo overtuigd van zichzelf en van hun gekortwiekte wereldwijsheid als ze zijn, vallen daarmee regelrecht in de verzamelkuil van de aanstellers en uiteindelijk van de neppers en de bedriegers omdat ze weinig anders dan hun eigen samenzweringsideeën zonder pauze (No Intermission) in woord en gebaar ten tonele voeren. Dat dat leidt tot sektarisme: gelovers en ‘twijfelaars’ interesseert Madame M. geen fluit. ‘You love me or you hate me’, pronkt ze. Volgens haar zegt dat voluit iets over de hoge kwaliteit van haar manifestaties, maar volgens mij geldt iets dergelijks ook voor anderen van twijfelachtig allooi: ‘Mijn werk wordt niet begrepen’, zoals menig modderig figuur zich laat ontvallen.

Twee keer in de jaren tachtig zag ik Marina grazen in de nieuwe collectie in de winkel van Puck & Hans aan het Rokin in Amsterdam. Ze was, en gaat volgens mij nog steeds, altijd goed gekleed. En ik mocht haar twee keer begroeten in de galerie waar ik werkte. Met haar nogal (l)ijzige manier van contact hebben sprak ze nooit anders dan Engels. Ze zegt daarover in beide interviews die ik las dat dat kwam omdat ‘jullie allemaal Engels spreken’, maar het kwam voort uit luiigheid en hoogmoed. Elke moeite om in de buurt van een ander te zijn, iemand eens aankijken, is en was haar echter vreemd, ondanks haar pathetische performance in het MOMA. Och, och, wat moesten mensen er soms van huilen, en zijzelf ook, op dat beroerde moment dat ze haar ex in de ogen moest kijken. ’t Was me wat, en dat een paar maanden achter elkaar… Ze dacht bij vlagen dat ze het niet zou overleven, wat me doet denken aan de paar dagen dat ik, als 16-jarige, verbrande frietjes van 20 graden onder nul in een ruimte met een vergelijkbare temperatuur moest uitsorteren; van mijn performance zijn echter geen beelden meer beschikbaar, in welk archief of in welke verzameling dan ook. Mijn publiek heeft daarna wél van mijn actie genoten, want het betrof een gerenommeerd frituurmerk.
Begin jaren negentig begon ze een relatie met een toen gewaardeerde Amsterdamse galeriehouder. Die ontvoerde ze, als het ware. Zonder dat ze hem op zijn verantwoordelijkheden wees, liet hij inrichting én opening van een afgesproken tentoonstelling op een zaterdagmiddag met een geweldig Duits kunstenaar lopen. Weliswaar kon ik gek genoeg inspringen, show hangen en net doen alsof ik erbij hoorde, maar kort daarop was hij failliet. Geen moreel besef dus, in eerste instantie niet bij hem, maar ook niet bij haar, want feest in Wenen of in Boekarest, ik noem maar wat.

Nee, als kunst dan tóch moet in plaats van moeke Marina, dan liever een besneeuwde boerderij van Monet, de lichtpeertjes van Felix Gonzalez-Torres, een wandwerk van Lawrence Weiner of van Simon Gush. Of een schilderij van Lieven Hendriks, om het even welk, zoals nu te zien in het CODA-museum in Apeldoorn.

Het werk van actrice M. A. is zeker niet waardeloos, maar wel erg beperkt, vrijwel zonder emotie en vooral gecalculeerd. In dit verband is het misschien juist om te spreken van chirurgische kunst. Snijden en ingrijpen waar het nodig lijkt en meteen de boel weer dichtmaken. Littekens benoemen maar niets tonen. Niets aan een werkelijk gevoel van mens-zijn of betekenis laten ontsnappen en achteraf, buiten beeld, net doen alsof er niets aan de hand is geweest. Allemaal cumulonimbussen van gebakken lucht. Maar ze hoeft van zichzelf niet achterom te kijken al worden meerdere slachtoffers naderhand door gezondheidsmedewerkers behandeld omdat ze rook hebben ingeademd…

Opgaande Lijn

Als jongen, me niet overdreven hevig verdiepend in de surrea- en existentialisten, kwam ik eens tot de uitspraak dat stilstaan een extreme vorm van lopen is. En daar sta ik nog steeds achter. Mede door de lauwe reacties van mijn omgeving ben ik er in ieder geval zelf nooit toe gekomen om éen en ander uit te werken en iemand die dat mogelijk achter mijn rug om wél gedaan heeft is er bij mijn weten nooit een BN-er mee geworden. Niet dat de mens veel heeft aan een dergelijk axioma heeft want bijvoorbeeld poli- of artistiek brokkel je er weinig mee in de melk, al breng ik misschien nu toch iemand op een idee.
We kunnen bovenstaande uitspraak niet zomaar en naadloos transponeren naar andere disciplines dan lopen. Neem nou bijvoorbeeld applaudisseren: níet applaudisseren is géen extreme vorm van dat wél doen. Veel en vaak klappen is er wel een vorm van.

Neem bijvoorbeeld nú: we luisteren rechtstreeks op de radio naar de zaterdagmiddagmatinée in Het Concertgebouw. Uitgevoerd wordt de opera ‘Telemaco’ van Alessandro Scarlatti (de Vader Van…) en we zijn intussen aanbeland in de tweede acte. E en ik liggen er nog niet helemaal van onder tafel, maar volgen de ontwikkelingen toch tamelijk nauwgezet. Na de eerste acte werd flink geklapt en dat zette een toon waarvan we nu de gevolgen te dragen hebben. Het geval wil dat dit werkstuk uit 1718 zwanger is van, tesamen, 53 ensembles, maar vooral aria’s, waarvan van laatste de frequentie intussen flink aan het oplopen is. Aangezien er na het eerste deel al niet geapplaudisseerd had mogen worden, de concert-etiquette getrouw, maar dat toch plaatsvond, is nu het hek helemaal van de dam: op elke aria van háar volgt nog net geen gejuich maar de volumeknop moet toch steeds een tikkie terug worden gedraaid als de reactie van het publiek volgt. En de zaal is, net als altijd, afgeladen, al belde vriendin en kwieke vertaalster M vanochtend vroeg E om te vragen of ze zin had om op haar abonnement mee te gaan want haar reguliere gezelschap is ziek. E (en ik) waren nog niet op en we zouden om 17.00 uur de opening van Andrei Roiter’s tentoonstelling bij Galerie Akinci bezoeken. Nu zitten we dus voorlopig nog thuis, beschaafd, ons rustig houdend en nieuwsgierig, van het concert te genieten, al ben ik niet helemaal kapot van de soliste. Voor de solist werd eerst niet, daarna aarzelend, maar nu ook steeds uit volle borst met een open doekje gewapperd. Intussen is er in de zaal voor de rust gefloten. Die zal wel een kwartiertje in beslag nemen, maar het totaal is gepland om tot vijf uur te duren en we spreken nu half vier, dus een dik uur zal er nog wel komen al verwacht ik, vanwege de publieksparticipatie in het tijdsbestek, een stevige uitloop. Oh God zeg!, ze gaan per direct en gezwind door en het eerste handsaluut is alweer geweest en nu hebben we een duet bereikt dus dat zal nog eens extra heibel opleveren. Nou ja, ik bedoel maar: je kan niet altijd het éen naast het ander leggen.

Al enige tijd baart het me zorgen dat de deodorantfabrikanten het aantal uren geurbescherming van hun product erg aan het laten oplopen zijn. Net als Simon Carmiggelt ben ik geen groot liefhebber van douchen en van andere activiteiten die een uitstel zijn van iets zinvollers. In de huidige tijd is dat een zegen in vermomming want douchen kost geld. Niet zoveel als het aanleggen van snelwegen, maar aan het eind van de maand krijg je wel de rekening gepresenteerd. Wim T. Schippers liet Van Oekel, terwijl hij in bad zat, ooit luid uitroepen of daar geen pil voor bestond, voor dat badderen. Die in Sjef diepgewortelde gedachte zal eerder al wel bij Wim postgevat hebben omdat hij een erg gedreven mens is, in denken en doen. ‘Plonger, c’est mourir un peu’, zal de onderliggende filosofie zijn, vermoed ik. Die alsmaar stijgende effectiviteit van de deo-werking helpt ons natuurlijk zeer, maar hoe ver gaat dat? Krijgen we binnenkort een product dat eens per vijftien jaar aangebracht, ingenomen of geïnjecteerd dient te worden? Ik vraag me dus af of er sprake is van een lineaire ontwikkeling.

De afgelopen tientallen jaren is er, in vergelijkbaar opzicht, een ontwikkeling gaande in de kwaliteit van ons wc-papier. Eerst betrof het, voor zover ik me herinner, nogal grauw gekleurde enkellaagse velletjes waarvan we er steeds twee gebruikten, dubbel, om te beginnen met het ontbruinen, nog een keer vouwen voor een zuinig hergebruik en dan de volgende set velletjes. In Frankrijk was alles erger… De strijd tussen de concurrenten, die elkaars billen de maat namen, liep in de loop van de tijd op van tweelagig naar drie en vier en veganistisch. Mijn verwachting is dat het comfort door meer lagen verder toenemen zal, parallel aan het aantal mesjes in een scheerkrabbertje. Maar wanneer wordt er een kritische grens bereikt? Zal er aan onze eisen van genoegdoening voldaan zijn wanneer het aantal van 38 lagen, mits de afweging tussen luxe en prijs in balans blijft, bereikt is? Of zal er sprake zijn van eerst een toe- en daarna een afname die eigenlijk al, volgens de zogenaamde ‘Laffer-curve’ (bij te veel lagen keert de consument, poepend en zuchtend, op zijn schreden terug!) te voorspellen valt?

Nog een voorbeeld: Gisteren verliet ik, voor het boodschappen, mijn flatgebouw. Over de cour die ik met veel mensen deel schuifelde een oudere dame achter een rollator. Achter zo’n ding heb ik ook wel eens geschuifeld, kort nadat ik succesvol aan een gevalletje heupfractuur was geopereerd. Ik vond dat helemaal niks, vooral omdat de handgrepen altijd parallel aan moeder aarde lopen en niet schuin op je houding zijn gericht; daardoor wordt er nogal wat gevraagd van je polsen, wat vervelend is, ‘to put it mildly’, want je hebt juist ergens anders last van en ze lijken me niet bedoeld om nieuwe klachten te veroorzaken. Echter, het hulpmiddel waarachter de ongetwijfeld veel boeken lezende bejaarde liep zag er nogal modern uit. Om te beginnen was het apparaat wit, wat tamelijk uitzonderlijk is omdat ze meestal uitgevoerd zijn in de complementaire kleur en, op z’n hoogst een beetje toegevoegd, nogal saai blauw. Opvallend waren ook de vleugelachtige uitsteeksels over de achterwieltjes. Die lijken me rijkelijk overbodig want van in een mist opgerakeld water dat de achtervolgers het zicht kan ontnemen lijkt me zelden sprake. Toch schoot me te binnen dat dit innovatieve model recentelijk in de windtunnel was ontwikkeld en dat het gebruiksgemak, door een veel lagere CW-waarde, beduidend was toegenomen. Binnenkort zullen we wel rollators met brede banden waarnemen, inclusief een batterij, zodat we, naast door al die nieuwe fietsen, ook door hen voorbij gesnord zullen worden, al zullen we ook altijd door mensen níet ingehaald worden en dat hebben we dan in het geheel niet in de gaten. Laat dat een geruststellende gedachte zijn.
Ik blijf, hoe dan ook, in brede zin alert, vandaar dit bericht, maar houd in ‘s hemelsnaam zelf ook je ogen en oren open!

Vooruit zien…

We gaan naar Bergen aan zee, aanstaande vrijdag. Een weekendje wegens E’s verjaardag. Dus ik denk: ik kijk even, omdat we geen auto hebben, op de website van de NS naar de vertrektijden zo rond het middaguur. Vanaf station Alkmaar vertrekt dan een bus naar Bergen-Binnen en vandaaruit een petite busje naar Huize Glory. Vanaf De Jordaan kun je natuurlijk direct naar A’dam CS lopen, maar dan worstel je je door een enorme stroom touristen en ander kakelend volk heen, dus meestal wandelen we naar halte Buiten Oranjestraat, nemen daar de bus, en dalen dan vanaf het op éen hoog gelegen platform van het openbaar vervoerfenomeen met de roltrappen af naar de gang die ons, na de OV-poortjes, naar perron 8A leidt. Ja, het is allemaal wat.
Maar wie schetst mijn verbazing en die van menig andere huisvrouw dat ik op de NS het volgende krijg voorgeschoteld:

https://www.ns.nl/reisplanner/… .

Ons vertrekpunt blijkt het New York-pizzafiliaal binnen in het station te zijn dat zich op 1 minuut lopen van perron 8A blijkt te bevinden. Eigenlijk moeten we dus eerst naar die pizzapunt om van daaruit te controleren of het tijdsbestek tussen daar en tussen de trein (analoog (of digitaal) vergelijkbaar met André Hazes: ‘Het is over tussen jou en tussen mij’) klopt. In principe begrijp ik wel hoe reclame werkt en heb ik er al mijn hele leven een pesthekel aan, maar dit voert me erg ver uit mijn ‘Zône de Comfort’.

Gisteren waren we nog in éen van onze boekhandels in de buurt en daar kocht een Amerikaans stel, van latere datum weliswaar, nog echt een gedrukte kaart van Amsterdam, waartoe onze lieve winkelier nog flink moest zoeken. Ik zag wel wat ze kochten (iets met een ringband), maar de uiterste houdbaarheidsdatum kreeg ik niet scherp omdat ik mijn leesbril niet zo snel op kreeg, maar 1997 had me niets verbaasd.
Nou ligt tóch de hele stad op zijn gat, dus veel helpen zal zo’n kaart niet, maar ik kan me niet voorstellen dat daarmee van een filiaal van bedrijf X naar filiaal Y worden geleid. Wat ik daarnaast bedacht was dat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de schouderoperatie die ik begin dit jaar onderging (Douze Points voor chirurg Christiaan Fortanier in het BovenIJ-ziekenhuis en zijn team!), mijn lidteken alsmaar mooier doet worden, maar dat in ons mooie Amsterdam de lidtekens vooráf gaan aan alle operaties die we moeten ondergaan. Of we van een dergelijke wijsheid iets opsteken is maar de vraag, maar ik wilde hem toch even aan je voorleggen.

Wens ons in ’s hemelsnaam wat goed weer toe, komend weekend; vorig jaar is dat namelijk heel erg gelukt, al bleek E’s smoothie op het terras aan het strand gewoon uit de supermarkt te komen. Een dergelijke wens wordt dan wederkerig beantwoord, zonder dat je merkt dat die instraling van ons afkomstig is en dat hoeft ook niet. En bedankjes zijn al helemaal niet noodzakelijk.
Gisteren kregen we van een per ongeluk binnenvallende gebouwgenoot enorme voorspellingen voorgeschoteld: Voor 2023 is, op basis van de numerologie, mijn getal 1. Nou, beter kan je het niet hebben, zoek maar na op het internet: alles zal zo ongeveer in mijn voordeel uitpakken. En met E samen zijn we ook een leuk getal en de kleuren rood en blauw (alles weer volgens een geheel andere (Philo)Sophie die eraan werd gehaakt) gaan en moeten volgend jaar een hoofdrol spelen. Klap op de vuurpijl was wel dat onze huismagiër tevens meldde dat éen en ander reeds eind deze maand ingaat omdat in China (en/of elders) dit of dat pas dan of dan, of eerder, begint. We hebben hem maar een lap stof cadeau gegeven die we voor niet al te veel op de markt hadden gevonden, maar die erg mooi is. Daar gaat hij een ‘Deux-Piece’-kostuum van maken, want hij maakt van vrijwel alles unieke kledingstukken, ook een Lederhosen van een originele Louis Vuitton-tas. Naar aanleiding daarvan kregen we het ook nog kortstondig over zijn ‘nalatenschap’, omdat hij een volstrekt ongeleid individu is; hij bidt soms voor duizenden mensen die bij een ramp zijn omgekomen. Toen ik hem eens vroeg hoe hij dat logistiek, dat bidden dus, organiseerde (en niet cynisch bedoeld) kon hij dat niet echt goed uitleggen. Niemand weet dat hij bestaat en op een dergelijke manier aan het werk is, terwijl hij eigenlijk van een soort Fong-Leng-achtige gekte getuigt.

Zoals je hebt gemerkt ben ik van het éen in het ander gevallen, maar de voorspellingen vallen niet tegen, dus verwachten we dat ook voor Bergen, al heeft het KNMI zojuist de temperatuur net weer met Een graad naar beneden bijgesteld. Dat is de enige conclusie die we kunnen trekken.

Ik hoop voor jou, jullie en de rest van de wereld hetzelfde en verblijf, met lieve groet,
hans

Trouble in Paradise

Lieve Vriend,

Hoe verloopt de eerste helft van deze week? Ik, evenals E, hopen dat je enige gemoedsrust hebt weten te veroveren, want we maakten ons na jullie leuke en goeie bezoek wel wat zorgen.
Behalve dat ik net constateer dat van mijn A- en E-toetsjes de bovenste helft is weggesleten, een proces dat waarschijnlijk al jaren aan de gang is, hebben we geloof ik niets waar we ons zorgen over moeten maken, behalve dat mijn navulbare aansteker dreigt met het opgeven van het aansteken (hij kan natuurlijk altijd nog naar de logeerkamer).

Nou ja, da’s ook niet helemaal waar: vorige week mengde ik me in een Facebook-discussie met P, briljant kunstadviseur en eigenlijk ook oude vriend en kunstcompaan, die ik kende als iemand met gevoel voor humor en talent voor relativering. Hij blijkt de afgelopen jaren terecht te zijn gekomen in het kamp van de klimaatontkenners, anti-vaccers en andere theorieën die zich parallel aan de werkelijkheid hebben ontwikkeld, om het maar netjes te formuleren. De toon van onze eerste schriftelijke discussie liep aardig op (ironie, sarcasme en twijfels waren niet van de lucht) en eindigde met een verwerping door P van mijn argumenten en uiteindelijk ook van mij als mens, persoon, vriend. Daarop bood ik mijn excuses aan voor het misverstand dat ik hem en zijn twee kinderen overboord gekieperd zou hebben en die werden gelukkig door hem geaccepteerd.


Eind goed al goed, zou je kunnen zeggen, maar zondag poostte hij aandacht voor een anti-paracitair medicijn, Ivermectine, dat volgens paralleldenkers zou helpen tegen aspecten van Corona, wat, eufemistisch uitgedrukt, nog helemaal niet bewezen is en dus zelfs uitermate twijfelachtig. Daarop reageerde ik met website-verklaringen namens de Nederlandse overheid, en van de Amerikaanse Food and Drug Administration en van de Nederlandse verenigde apothekers. “Hou nou eens op met die flauwekul,”, was zijn reactie hierop. Het enige argument dat over bleef was dat het maar een paar dubbeltjes kost, maar dat geldt ook voor een blikje tomatenpuree, nietwaar. Net als in de eerdere wisseling van meningen mengde zich ook hier ene Ludger Akkerman in het geheel. Die is uit een ander en veel militanter hout gesneden en hij maakte mij uit voor alle lelijks dat los en vast zit (“Wat ben je toch een walgelijke man!”). Hij is al meerdere malen geblokkeerd op FB, en terecht. Oppegevement verdwenen al zijn reacties van de tijdlijn van P (waar alles zich afspeelde), dus misschien had hij wel weer een straf aan zijn broek. Maar over blokkeren gesproken: dat heeft P mij op maandag geflikt wat jammer is want ik was begonnen om het tamelijk agressieve meningenduet in een document onder te brengen en dat kan ik nu niet afmaken.

Al twee jaar verschijnen in kranten en tijdschriften artikelen over hoe om te gaan met dit soort meningen wanneer die in vrienden- en familiekring opduiken. En dan niet alleen op verjaardagen en tijdens het kerstdiner, maar gewoon, altijd. Daar, zo is me gebleken, is geen eensluidend antwoord op mogelijk (in een eerdere post “adviseert” hij om te stemmen op een partij rechts van de VVD!). Maandag had ik bedacht om P, die me almaar dwingender naar mijn meningen vroeg over overheidsbeleid, standpunten van ‘zogenaamde’ specialisten et cetera, te schrijven dat hij dooie paarden in de lucht gooide en mij vroeg om daarop te schieten, maar dat is nu dus niet meer mogelijk.

Nu heb ik in ieder geval wél zo’n ervaring en dat nog wel met iemand die ik eigenlijk als een soort vriend beschouwde, weldenkend en zo. Het baart me zorgen dat er, op dergelijk niveau, dus niet dat van de Ajax-F-Side, mensen bestaan die zo’n switch maken in hun denken en daarmee een soort influencer worden. En natuurlijk dat ik het nooit meer op een diepgaande manier met P kan hebben over Louise Bourgeois, om maar iemand te noemen, zonder de wetenschap dat hij leeft en denkt in een schemerige Efteling- en/of Lourdeswereld. Dergelijke agressie en wens om onze samenleving hun kant op te sturen schuilt onder een uiterst dun oppervlakje en dat voelt heel bedreigend. Dat wisten we natuurlijk al van mensen als volksmenner Thierry Bouw Deth, maar mijn veronderstelling dat die zichzelf en zijn volgers aan het marginaliseren is blijkt dus onwaar. Op het randje van angstaanjagend, zeg maar.

Zo, dan weet je dat ook weer. Dus veel liefs vanuit een prachtige dag als vandaag (mooi onweer vannacht, trouwens), ook van mijn E en voor jouw E,
Hans

Hoog Bezoek

Hier, boven De Jordaan, vliegt regelmatig nogal wat. Naast gevogelte met wisselend pluimage, bedoel ik. Afhankelijk van onderhoud aan landingsbanen op Schiphol en van de windrichting soms een aanhoudende stroom van vliegtuigen met het gestel reeds uitgeklapt. Daarnaast vaak helicopters van divers allooi: helaas de traumahelicopter, de politie, een donkerblauwe waarvan ik denk dat die van de Kurunklukke Marenzjozee is en soms een Apache, tot de tanden toe gewapend (Why-1?). En dan heb je nog de voor vele honderden Euro’s voor rondvluchten te huren machines: weer van die helicopters, maar ook Cessna-achtige types en, voor als je het echt sjiek wil aanpakken, een Dakota. Die laatste, in vergelijking met de straalgemotoriseerde exemplaren, snort meer. Anderhalf jaar geleden kwamen trouwens ook twee straaljagers aangemarcheerd. Die deden duidelijk een rondje om de Westerkerk (Why-2?). Overlast van hier tot gunter, dus, maar ja: dan moet je op de hei gaan wonen.

Maar gisteren kwam hier, door de ruim openstaande ramen, een van de grootste libellen die ons land rijk is binnenvliegen. Het onverwachte van deze gebeurtenis (we zijn hier toch een eindje van Prinsen-, Brouwers- en Lijnbaansgracht verwijderd, laat staan van Het IJ) verhinderde ons om meteen tot determineren over te gaan. Sowieso vliegen insecten boven mijn expertisegebied. Ik kom nooit verder dan Een Hommel, Een Bij, Een Vlieg (al zijn er uitzonderingen: De Dagpauwoog, De Atalanta). Daarmee huldig ik natuurlijk wel allerlei vormen van genderneutraliteit, maar het blijft me, oudere Jonge Onderzoeker, een onbeholpen gevoel geven.
Maar goed, wij zaten dus met onze ongenode gast die met zijn breedspannige vleugels tegen het plafond bleef stuiteren, af en toe rustend op de bovenste zoom van het gordijn, die zich op vier meter vijfenzestig van de vloer bevindt.

Eén van de eerste dingen die ik deed, als voorbereiding op het vangproces, was me naar de servieskast begeven om daar een grote glazen soepkom van het eenvoudigste model te selecteren met een doorsnede van 10 cm, waarvan ik vermoedde dat dat flink genoeg zou zijn om het dier te huisvesten. Tevens moest ik iets kaartachtigs hebben om die kom mee te kunnen afdekken om hem pas buiten het raam de vrijheid terug te geven.
Omdat onze gevleugelde vriend, want zo waren we hem na tien minuten wel gaan beschouwen (angst of andere emoties behalve mededogen waren afwezig) zich bleef ophouden in de hoogste regionen van de kamer moest ik, wilde ik hem op vreedzame wijze te pakken krijgen, mijn toevlucht zoeken tot de prachtig aangelegde entresol waar zich voornamelijk E.’s bibliotheek bevindt. Daar stoot ik nog precies net niet mijn hoofd, maar zou ik me wel in de onnatuurlijke biotoop van de zich zetelende libelle bevinden. De kaart die ik, naast de soepkom, mee naar boven nam betrof de uitnodiging van Slewe Gallery voor de aanstaande opening van de tentoonstelling van Martina Klein (2 september 2022, 17.00-21.00 uur).
Om hem In Vlucht te houden verzocht ik E. om steeds aan het gordijn te wapperen als het beest daar even rust zocht. En warempel, ten tweede male (bij mijn eerste poging was hij me te snel af geweest) zette hij zich op het verzameld werk van Anton Tsjechov en kon ik rustig en voorzichtig de kom over het tere lichaam en de nog teerdere vleugels plaatsen en de kaart daarachter schuiven. Na wat spartelig gedoe bleek hij daarbinnen, toen ik eenmaal beneden aankwam, voor dood op zijn rug te zijn gaan liggen. Bij het buiten schudden van het glas vloog hij echter opgewekt de toekomst tegemoet.

Maar nú, zojuist, terwijl ik schrijf, een dag later dus, ik zweer het, is hij wéer bij ons naar binnen gevlogen (Why-3?). De rillingen vanwege dit toeval lopen me eventjes over de rug, mede omdat E. gisteren al verklaarde dat het voor het eerst in 46 jaar was (en daarvóor woonde ze ergens anders) dat een libelle hier bij haar op bezoek kwam. We zullen weer aan de slag moeten…

P. S.
Hoewel de libel zichzelf reeds een plek had verschaft toen ik boven aankwam en er dus geen vleugelgeraas meer te horen was, wist ik hem toch te lokaliseren. Deze keer niet op Tsjechov Compleet, maar (zie foto) op J. Krishnamurti’s ‘The Awakening of Intelligence’; niet zozeer mijn kop thee, maar het kan slechter geloof ik.
E. en ik namen nu even de tijd om hem deze keer wel een naam te kunnen geven en kwamen uit op vrijwel zeker de Blauwe Glazenmaker, waarvan ik hierboven reeds een foto inplakte.
Hierbij mijn amateuropname:

Na deze herhaalde ophef, inclusief het verslag doen aan u allen, ga ik aan een rokertje en daarna aan een half ossenworstje van de onvolprezen Jumbo, met mosterd.

In Dreams…

Voor deze tekst werd ik geïnspireerd door de NRC-zomerwedstrijd met de voorgestelde titel ‘Hoe heet kan een zomer zijn?’ (maximaal ongeveer 600 woorden). De prijs was publicatie en daar viel ik buiten en dat kan me niet bommen. Bij nalezing lijkt hij me toch aardig genoeg om er hier wat licht op te doen schijnen. Bovendien was ik de anecdote verschuldigd aan lieve vriend Pieter. Bij deze dus…

o-o-o-o-o-o-o

In Dreams

Het dorp Beaufort ligt in het verre oosten van Frankrijk, in de Savoie. De wind komt er vandaan. En hoe hard die waait en welke kant op wordt daar bepaald. Maar uit welk gehucht of welk stadje komt toch de temperatuur? Ja, uit je bips, je oksel, van onder je tong, wanneer je er een thermometer in steekt: locatie, locatie, locatie. Gek genoeg kan ik nergens Celsius- of Fahrenheit City vinden, idem voor –village, terwijl die best zouden kunnen bestaan.
In de duinen probeerde ik regelmatig mijn verliefdheid kwijt te wandelen, niet tot meer in staat. Onrustige liefde blijkt bij terugkijken vooral een zomers ongemak te zijn geweest. Vrijwel nooit als het regende, maar vooral als het warm was of was geweest. Duinen zijn niet ontworpen voor de herfst of de winter, al vertoeft een goede vriend van me er juist dan het liefst. Duinen zíjn hitte, duindoorns waartegen je je moet kleden, goed schoeisel een noodzaak om je voeten niet te verbranden. Goudhaantjes die van den naar den overwippen zonder dat je zeker weet dat je ze herkent. Verwarring alom dus die ik ornithologisch in de omgeving terugvond.
Gelukkig waren mijn duinen ook een kreek rijk. Badend in een gebied van hoge luchtdruk was het aan de rand daarvan ‘goed toeven’. Ik kon er in goed anderhalf uur omheen lopen, wat ik regelmatig deed. Bergeenden, visdiefjes. Ook andere eenden die ik nog moest inneren omdat ik Zien is Kennen nog niet uit mijn hoofd had geleerd.

Eerder die dag had ik hangend vanuit mijn zolderkamerraam lang naar de gierzwaluwen boven het centrum van de stad gekeken. Door eind april weer terug te keren hadden ze de zomer aangekondigd en onmiskenbaar maakten ze die belofte waar. Boven het duingebied waren ze afwezig en daarmee ontbrak ook hun monotoon hypnotiserende roepen.
Het was rustig rond het water (want anders hadden ze het geen kreek genoemd) en ik zakte door mijn knieën om op hurken te genieten van de drieëntwintig graden die het zeker nog was.
Omdat ik mijn blik op de tegenoverliggende waterkant had gericht ontging me eerst dat zich geruisloos vlak voor me, bij míjn oever zeg maar, een uiterst elegant eendje had neergelaten: een wintertaling, een mannetje, op een meter of twee afstand. Na de ijsvogel en de kluut, die ik toen beide nooit in het echt had waargenomen, mijn absolute nummer drie in mijn top-drie (nummer vier is de eidereend). De wintertaling is eigenlijk de mandarijneend van de lage landen. Vrouwtjes zijn ook erg mooi, maar net als bij de wilde eend een stuk eenvoudiger van uiterlijk. Ik bewoog me, voor zover mogelijk, nauwelijks.
Behalve honden en katten hebben dieren geen namen, al had ik hem Stuiver kunnen noemen, of Sjarèl. De weinige wind die een moment geleden het riet nog enigszins had doen ruisen viel weg en er waren geen andere vogels te horen, op een ver en boos roodborstje na.
Toen kwam Stuiver met z’n borst omhoog en bracht me een aubade. Met hoge tonen zwiepte hij zijn allerliefste snaveltje voor die borst heen en weer. Het leek geen aanval, geen verdediging, eerder een poging tot contact, tot spreken. Maar ik wist niet wat ik terug moest zeggen. En dat was het. Een ontmoeting van nauwelijks een minuut voordat hij zich keerde en ietsje van mij weg zwom om daarna met kleine vleugels in vliegen over te gaan.
Dergelijk gedrag is daarna nooit meer door iemand waargenomen, zelfs niet in dromen.

Ik moest maar naar huis.
De warmte deed zich voelen en ik hoopte te overdenken wat mijn volgende stappen in de hitte van de komende dagen zouden kunnen zijn.

Een mooi, maar nogal abstract portret van de wintertaling (door Mia Moreau).

De zaak ‘Betty’

Gerhard Richter – ‘Betty’, 1988 (663-5 in het Richter-acrchief) – olieverf op doek – 102 x 72 cm

Nadat ik eerder vandaag menig maal probeerde om éen van de vele (elke 2 minuten) laagvliegende vliegtuigen, inclusief de Westertoren, te fotograferen terwijl ze over De Jordaan denderden om daarna over te gaan op het doppen van de Tuinbonen is het nu de hoogste tijd om aandacht te wijden aan De Zaak Betty waarover op mijn Facebook-pagina de meningen over elkaar heen tuimelen.

Een tweede tekst op FB over een mooi portretwerk van Martial Raysse dat mij fascineerde, illustreerde ik onder andere met het schilderij ‘Betty’ van Gerhard Richter uit 1988. Naast vele duimpjes omhoog kwamen er ook iets uitgebreidere reacties, met als hoogtepunt de vraag van Philip Sajet wat er nou zo mooi was aan dit werk, met daaraan geknoopt zijn mening dat hem in algemene zin het werk van Richter als overbodig voorkomt. Onder andere Geert Schriever, Joop Stoop, Harmen Verbrugge en schrijver dezes mengden zich in de discussie, ook over appreciatie of afwijzing in algemenere zin. Maar we zijn er met z’n allen nog niet helemaal uit.

Affiniteiten en hun tegendelen ontstaan denk ik door hoe ons kijken zich heeft ontwikkeld, wat voor gedachtes over het geziene we in de loop van die tijd hebben gevormd en hoe we die gedachtes in ons hoofd als het ware hebben gecatalogiseerd. En onder andere tot wat voor idee, gevoel, eventueel waardering we zijn gekomen over het werk van een individuele kunstena(a)r(es). Dat alles omringd door en verweven met een hopelijk rijk veld vol bloeiende associaties (gekoppeld aan van alles en nog wat), die een ongeorganiseerd en zelfstandig leven kunnen en mogen leiden.

Gerhard Richter is geen ‘one trick pony’. Richter heeft een nogal forse weide vol pony’s die hij meestal te pas en vol overgave berijdt. Zijn voorbeeldige oeuvre-website is daar de uitbundige weerslag van. Ik ben geen kenner van zijn werk, maar heb intussen aardig wat van hem gezien en er zo mijn ideeën over gevormd.
Opvallend aan ‘Betty’ is dat het een schilderij betreft dat ik, al wist ik verder niets van Richter, meteen heel mooi zou vinden als ik het bij een kringloopwinkel aantrof. De voorstelling is, zoals ik op Facebook meldde, enigmatisch. Deze benoeming stoorde Philip Sajet; hij beschouwde mijn visie als eufemisme voor dat ik geen idee had…

Het schilderij heeft overduidelijk een foto van een jonge vrouw als uitgangspunt. Nou heb ik een enorme hekel aan heel veel schilderkunst die op fotografie is gebaseerd. In vrijwel alle gevallen omdat de cameralens niet alleen de voorstelling blijft dicteren, maar vooral de ‘betekenis’ van het ‘kunstwerk’.
Net als bijvoorbeeld Marlene Dumas in haar beste werken (en dat zijn er nogal wat) overstijgt bij ‘Betty’ de voorstelling haar oorsprong. De manier van schilderen is volledig anders dan die van de Amerikaanse fotorealisten, ook al maakten die, net als Dumas en Richter, heel bewust hun keuze voor een specifiek fotografisch uitgangspunt.
‘Betty’ moet als Hema-afdrukje al enigmatisch geweest zijn. Haar weggedraaide torso en het nog verder afgewende hoofd maken de voorstelling tot een non-portret, slechts herkenbaar voor iemand die Betty’s lichaamstaal goed kent (want laten we er maar van uit gaan dat de afgebeelde vrouw net zo heet als het schilderij). De uiterst zorgvuldige manier waarop Richter dit ‘portret’ schilderde mag worden geïnterpreteerd als heel erg liefdevol. En dan niet (alleen) vol liefde voor de geportretteerde, maar vol liefde voor de voorstelling, voor het schilderen en voor de verf zelf.
De foto moet Richter instant hebben meegedeeld: ‘Dit moet een schilderij worden, sterker nog: dit ‘is’ een schilderij! Ik moet het alleen nog maken.’ Dat laatste is natuurlijk het prerogatief van iemand met groot talent die weet dat hij over de gave beschikt om zoiets tot een overtuigend en geheel nieuw en zelfstandig resultaat te brengen. Moet daarom het resultaat meteen de volle honderd procent van de kijkers bekoren? Nee, natuurlijk niet.

Vanaf het mij bekende begin van zijn carrière is Richter geïnteresseerd geweest in het gedrag van- en gedoe met verf: mengen, opbrengen, uitsmeren, poezelen, verschuiven, et cetera, kortom: de handelingen en hun consequenties. Dat laatste wordt zelfs duidelijk in zijn Braun- en Grauvermalungen die op zichzelf, in decoratieve zin, nogal saai zijn, maar onontbeerlijk voor de hard-core collecties (ze zijn gelukkig stukken goedkoper dan menig ander werk).
Daarnaast is Richter denk ik erg geïnteresseerd in vormen van waarneming: licht, beweging, vorm, voorstelling, kleur, illusie. Door hemzelf, maar ook door de waarneming van de beschouwer, al neemt hij bij de op figuratie gebaseerde schilderijen natuurlijk zelf als eerste het onderwerp daarvan waar wanneer hij zijn keuze erop laat vallen.
Op zich zijn beide interesses natuurlijk al basis genoeg voor een mogelijk interessant oeuvre. Maar we hebben het nog niet eens gehad over de soms opmerkelijke onderwerpkeuzes van Richter in zijn figuratieve werk. En dat wil ik graag zo houden want daar zijn al boeken vol over geschreven.

‘Betty’ is nogal dromerig geschilderd, als met een weinig vaseline, alsof de figuur een hamstervachtje heeft. Tegen een lichtdonkere achtergrond is sprake van beperkt kleurgebruik: roze, wit, rood en goudblond. De huidskleur is vrijwel vlak opgebracht. De handen, waarop Betty leunt, zijn buiten beeld gebleven evenals het oppervlak waarop ze die laat rusten.
Van rechts naar links ‘lezen’ we de activiteit van het met de klok mee van de kijker wegdraaien: linkerarm, bovenlichaam, rechterarm, hoofd. Je zou kunnen spreken van een tere dynamiek in het beeld. Maar het komt niet over als een wegdraaien uit afkeer, schaamte of boosheid; het is een zelfbewuste activiteit, krachtig, zonder brutaal te zijn, maar net zo goed in zichzelf gekeerd. Haar kleding onderstreept haar stevige persoonlijkheid.
Waar ze zich naartoe wendt blijft ongewis, ze kijkt in dezelfde richting als waarin wij als kijker kijken, dus het kan in die zin de vraag oproepen waarnaar wíj kijken. Daarmee wordt ook haar beweging een beetje van ons.

Geert Schriever vindt het werk van Richter ‘urgent’, wat ik voor het gemak maar interpreteer als ‘van de hoogste orde’ en ‘belangwekkend om in het denken over beeldende kunst steeds paraat te hebben’. Gezien de plaats die het oeuvre van Richter is gaan innemen in de kunstgeschiedenis van de afgelopen 30, 40 jaar lijkt me dat correct. Evenzogoed hoeft dat niet te betekenen dat Richter over 100 jaar nog steeds die nummer 1 positie bekleedt op de ranglijst van éen van de meest geliefde en hoogst gewaardeerde kunstenaars. Vergeten zal niemand zijn werk, maar het kan net zo goed zijn dat hij in dezelfde schoenen komt te staan als die van, zeg maar, een Lourens Alma Tadema wiens werk ‘slachtoffer’ werd van schuivende interesses in de kunstwereld.
Voor Richter zelf en voor ons is dat al helemaal ongewis, want tegen die tijd is het enige wat wij nog kunnen doen: ons omdraaien in ons graf.