Vrienden, mezelf en mijn lief …, voor de vorm

Een paar jaar geleden kwam ik er achter dat ik al op dertienjarige leeftijd bezig was was met lettertypes en logo’s; “weird” zou Jody Foster gezegd hebben in mijn favoriete film Alice doesn’t Live Here Anymore, die tegenswoordig nergens op die fijnse moderne websites en bij insgelijke filmaanbieders te vinden is. Die interesse heb ik nog steeds. Nou heb ik gekend en ken ik nog steeds een paar grafisch vormgevers: Geert Schriever, Jan Middendorp, Rutger Fuchs, Linda van Deursen, Gerard Unger, Wim Crouwel en Anton Beeke. Het is een raar volkje, die ontwerpers, maar deze zijn of waren toevallig allemaal heel sympathiek en goed. Het is ook zo een mooi vak, al accepteert eenieder, bij het geconfronteerd worden met hun resultaten, het veelal voor gangbaar en zomaar, intertijd Beeke uitgezonderd, want die veroorzaakte nog wel eens een schandaaltje.

Vijftig jaar later pruts ik nog steeds, terwijl ik op alle oppervlaktes of dieptes van het leven een autodidact ben. ’t Is me wat …
De letter die ik gebruik heet Felix Titling (die kan je gratis downloaden), de streepjes, stippen en kleuren heb ik zelf verzonnen.
Op verzoek beitel ik wel iets in elkaar; laat maar horen.

Hierbij wat resultaten van mijn recente gefrummel:





Met droge ogen …

Omdat we wegens Corona nergens meer op uit of naar binnen mogen, behalve om eten, drank en een nieuwe bril aan te schaffen of een boek af te halen, én omdat we al bijna een half jaar verliefd zijn, missen we een hoop die we anders óok nog eens samen zouden hebben kunnen delen. Nou valt er binnenshuis en op het web meer dan genoeg te doen, morning, noon & night, maar we willen eindelijk wel eens een keer samen naar Het Museum. Want dat zijn we nooit geweest terwijl we allebei driekwart van ons leven aan de kunst hebben gegeven en met haar gedeeld.
Op zich hebben de collecties van bijvoorbeeld Het Rijks, Het Stedelijk, Het Van Abbe of Het Boijmans niet heel veel geheimen meer voor ieder van ons en om het eerste gezamenlijke bezoek aan Het Laatste te brengen moeten we natuurlijk wachten op een moment na de viering van ons eerste lustrum, want dat is voorlopig nogal tamelijk zeer buitengemeen gesloten wegens verbouwing, vernieuwing en ruzie. Op dit moment zijn we dus aan het droogzwemmen, of eigenlijk aan het kijken met droge ogen, al hebben we wel net 2, 3, 3½ nieuwe kunstwerken in huis waarvoor we proberen een respectabele plek te vinden.

Kunst op basis van je geheugen voor je schimmenoog visualiseren is, met enige ervaring, niet enorm moeilijk, al wordt de samenstelling van zo’n herinnering vooral bepaald door vroegere constateringen aan het werk en door de emoties die het geheel en bepaalde details “toentertijd” opriepen. In het museum kan ik, als het een beetje meezit, de mussen van het dak lullen over wat me beroert en E. is ook niet bepaald op haar artistieke mondje gevallen. Om een gesprek over kunst gaande te houden terwijl er net een persconferentie over het virus begint is conversatie van een andere orde. Dat kan nieuwe inzichten opleveren, niet alleen vanwege de gevoelens en ervaring van de ander, maar ook omdat je met je eigen ideeën kaatst. Wat je blijft missen is “de hitte” die van het originele kunstwerk afstraalt. Als het goed is tenminste.

Heb het maar eens over het werk van Robert Ryman dat, sinds enkele dagen na zijn dood in 2019, “op zaal” gehangen is in die afzichtelijke “Base”-opstelling. Offensichtlich vonden de laatste twee directeuren van het Stedelijk (en ook de huidige) het niet opportuun om Ryman’s werk eerder te tonen, terwijl het museum, dankzij Edy de Wilde, een brede collectie van zijn hand rijk is. En zoals ook het werk van Ellsworth Kelly al jaren wordt verdonkeremaand.

Robert Ryman – Untitled, 1972

Het formaat vermeldt het Stedelijk stompzinnig genoeg niet (nergens, nooit en het sterfjaar van de kunstenaar, zoals vermeld op hunnie z’n wep saait, zit er iets meer dan een decennium naast), maar ik schat 1,2 meter in het vierkant.
De meeste van Ryman’s schilderijen zijn ontzettend fris, wat geen wonder is omdat een waaier aan gradaties wit vaak een hoofdrol speelt. De keuze voor het in memoriam-werk lijkt echter gevallen te zijn op een schilderij, en niet klein ook, dat meerdere jaren bij een nogal veel sigaren rokende suppoost, of bij Rudi zelf thuis, heeft gehangen. Dus de lezer moet er zelf, bij bovenstaande afbeelding, een laag nicotine overheen denken. Maar E. kan het zich even niet voor de geest halen en ik kan zo’n schilderij ook niet goed uitleggen of mimen.

Waar we het wél over kunnen hebben is As I Opened Fire, het geweldige drieluik van Roy Lichtenstein uit 1964 dat in de presentatie prominent opduikt.

Bij dit schilderij is het zeker van belang om het van nabij te kunnen bekijken, om de finesses van het schilderkunstig ontstaan na te voelen, maar het laat zich op internet en in offset óok heel goed vermenigvuldigen, wat blijkt uit de prijzen die de eerste reproducties, uitgegeven door het museum, intussen opbrengen (laat staan wat het werk bij veiling zou opleveren, zoals éen of andere drop-wethouder onlangs voorstelde; ik vermoed tussen de € 80.000.000,00 en € 100.000.00,00 en het hangt er gewoon zonder glas ervoor!).
Het werk dat dan ontbreekt in de kelder-boot sale is het magistrale Flowers-schilderij van Warhol.

In het begin, net na de aankoop door Wim Beeren, was ik er een beetje pissig over, omdat het nogal wat craquelures in zich droeg, ondanks zijn jonge leeftijd, omdat Andy het waarschijnlijk ergens, middelmatig opgerold, weggelegd had tot zich een museumdirecteur uit Amsterdam zou aandienen.
Het is zo groot, zo prachtig, zo droevig, zo hard, zo gevoelig, dat het tot de kerncollectie behoort en niet zou mogen ontbreken in deze tijden. E. kent het en houdt er van en ik ook. Nu hangt er van Warhol slechts éen zeefdruk van 101 cm in het vierkant met het portret van Mao, een werk dat ik aan de muur had kunnen hebben als ik net iets alerter was geweest. Mijn werkgeefster Barbara Farber, begin jaren tachtig, had er thuis een exemplaar van op de wc hangen. Waarschijnlijk had Rem Koolhaas een enorme minachting voor Warhol toen hij, samen met Beatrix Ruf, de presentatie samenstelde. Hield hij zich maar bij zijn megahutjes, of eigenlijk ook liever dat niet.

Natuurlijk wil ik graag samen met E. langs de Vermeers in het Rijks wandelen, of eigenlijk: ervoor stilstaan, langdurig. Nou krijg ik sowieso van veel schilderijen van Vermeer al instant een halve erectie, maar die wil ik graag met E. delen al kent ze het werk net zo goed en houdt ze er evenveel van als ik.
Het zou ook (te) gek zijn om bijvoorbeeld samen de deelverzameling surrealistische kunst in Rotterdam te zien; voor geen van ons beiden een preferent gebied in de geschiedenis van de beeldende kunst. Of om daar om het eigenwijze werk van Maurizio Cattelan heen te draaien.

Voor ons is, zelfs voor ons geestesoog, veel kunst visueel tactiel, dus het lukt af en toe wel om elkaar ook in die liefde te vinden. Maar om vloekend en dansend van enthousiasme door een museumzaal te dwalen, ja, dat wordt wel gemist.
Het is een beetje vergelijkbaar met wat John Baldessari onder andere probeerde uit te drukken in zijn 12-delige werk waarin hij ballen in de lucht gooit in een poging om ze, als drie op een rechte lijn, te fotograferen. Een enkele keer lukt het, maar meestal faalt hij.

Joepie! Niet echt!

Dat je, alleen of samen, je best doet brengt niet altijd succes. Gelukkig is het proberen zélf vaker de moeite waard. En zonder dat je de fiets, een taxi of de trein nodig hebt.

Onder de Microscoop

Vóor het snijden

Omdat ik vanmiddag rode kool met de hand stond fijn te snijden en E. me net vraagt of ik daarbij niet de mandoline heb gebruikt, herdenk ik het feit dat ik bij éen biologieleraar, die me twee jaar in mijn middelbaar onderwijs begeleidde, altijd de beste microscoop van de school ter beschikking gesteld kreeg. Het kan goed zijn dat dat het geval was omdat ik een klas doubleerde en hem dus, als docent, in de herhaling kreeg en hij me beter kende, maar voor hem was de reden dat ik blijkbaar spectaculair dunne preparaten van groente en fruit kon snijden, bijvoorbeeld van de ui met van die fijn grote cellen. Dat, na het inkleuren van de betreffende plakjes, bij het natekenen van wat ik in de vergrotingen waarnam geheel niet bleek te corresponderen met wat elders reeds in laboratoria was onderzocht, was voor mij enerzijds een teleurstelling. Aan de andere kant bevestigde het mijn nog niet geheel compleet geformuleerd gevoel dat ik dingen anders waarnam dan anderen en dat dat verder geen enkel probleem opleverde. Niet voor mijn kijk op het leven en niet voor degenen die daarmee te maken kregen.

Het was zo’n beetje dezelfde periode dat ik met van alles en nog wat kennis leerde maken. Zo kregen we een schooluur of wat later onze leraar maatschappijleer die ons vertelde dat hij tijdens de oorlog in Papoea Nieuw Guinea tevergeefs de slagader van het voorheen aanwezige been van een vriend had geprobeerd af te knijpen. Hij probeerde ons leerlingen op de katholieke school op meerdere manieren veel wijs te maken, maar zijn persoonlijke en klaarblijkelijk traumatische verhaal vormde onderdeel van zijn jaarlijks repertoire en wie kon hem dat kwalijk nemen. Thuis werd er nauwelijks over de oorlog gesproken, op z’n hoogst over de vrolijke rafelrandjes. Mijn moeder was wat opener dan mijn vader, zeker over haar uiteindelijk opgepakte, afgevoerde en vermoorde broer, maar we komen op dit moment meer te weten over de gevolgen, praktisch en psychisch, van Corona dan over de schilfers van het leven van mijn ouders in die periode.
Van de muziekleraar leerden we Amerikaanse volksliedjes die vanwege onze jaren zestig weer in de belangstelling waren geraakt. En mijn schoolvriendjes leerden me songs kennen die op de distributieradio thuis nooit aan de orde kwamen. Een paar jaar eerder ging ik al met mijn moeder naar de Beethoven-cyclus in het Haarlems Concertgebouw, het orkest vaak onder leiding van André van der Noot, die ooit bij De Vijfde (die begint met een kwart tel pauze!!) eens, in zijn enthousiasme, de gehele partituur van de symfonie van het dirigeertafeltje sloeg, maar de boel toch tot een goed einde wist te brengen.

Ik vind snijden, fileren ook, een fijne bezigheid. Het uiterst scherpe mes, dat met enige regelmaat geslepen wordt, maar zonder uitzondering altijd even langs het aanzetstaal gehaald, en dat zich vrijwel moeiteloos door de groente, vlees of vis beweegt, gestuurd door mijn hand en door mijn concentratie om in volstrekt gelijke plakjes of fliebertjes te resulteren. Als je, zoals gisteren, de rode kool op een heel laag vuurtje urenlang wilt laten stoven, terwijl ze niet papperig mag worden (met nog een beetje beet, bedoel ik), moeten de sliertjes heel dun zijn. Niet zo cel-dun als de ui op school, natuurlijk, al zou het me niets verbazen als Ferran Adrià (networth $ 5.000,000,00) in zijn laboratorium (dat van zijn broer Albert, vooral, zagen E. en ik laatst in een documentaire) ook daarvoor een recept heeft ontwikkeld. Maar meer dan twee millimeter breed mogen ze bij mij in ieder geval niet worden.

Net als een dirigent moet elke kok vooral de gedachte in het hoofd houden: “Wat komt  er zo dadelijk voor taakje?”. Met de vraag “wat zullen we nu weer eens doen?” gaat, zeker in de professionele keuken, veel te veel tijd verloren. Net als met een partituur dien je, vóor het betreden van de keuken, jezelf het recept eigen te maken, te inneren, om een door verder niemand gebruikt, maar voor mij reeds aftands neologisme toe te passen.
Eigenlijk snij je met taal ook aspecten van het leven, van je bedoelingen, in plakjes om die, na ampele overweging, in een mooie compositie aan de oren van een goed verstaander op te dienen. Tenzij je je met iemand op wie je verliefd bent erotisch verwikkelt of in een ongecontroleerde woedeaanval. Tijdens een gesprek met een gelijkwaardige en geïnteresseerde partner kunnen die schijfjes taal best heel dun zijn, waarbij die van de woorden en hun volgorde nog fijner mogen zijn. Steeds diepergaand kleur je langzamerhand cellen in en komen de chromosomen van jezelf en de ander bovendrijven. Soms lukt het met elkaar om DNA te delen.
Zo sprak ik gisterenavond en vanmorgen met E. over het lezen van literaire teksten in de oorspronkelijke taal waarbij je de taal van de schrijfster of schrijver kunt savoureren en eventueel fileren. Bij een vertaling, hoe goed ook, worden die mogelijkheden beduidend ingeperkt; de keuzes van de verteller, worden dan voor een belangrijk deel in alternatieven opgediend, die in het beste geval een nieuw idioom opleveren, maar nooit gelijkwaardig zullen zijn aan de kruidigheid, het mondgevoel, het pittige of romige van de oorsprong. In het Engels bestaat het fraaie begrip word salad, waarbij de ingrediënten van een tekstgerecht zonder begrip, smaak en gevoel bij elkaar zijn gegooid op een verwarrende en weinig intelligente wijze. Julienne of brunoise gekozen woorden zijn precies en effectief wanneer ze in de juiste menging worden opgediend en in correcte relatie tot het formaat van de andere elementen van de zinnen. Sommige schrijvers zijn tovenaars met taal waarbij alliteratie, binnenrijm, juiste synoniemen en de volgorde van woorden en mededelingen de helderheid, de jus of de poëzie van het geheel bepalen. In die zin kunnen woorden, als bakkende reepjes spek in een koekenpan, dansen, huppelen, maar dat is geloof ik een open deur. Maar net zoals iemands motoriek op grote afstand te identificeren is, zo lezen de teksten van een persoonlijk formulerend schrijver als handschriftelijk onmiskenbaar. Of dat de eerste helft van het oeuvre van The Beatles niet te verwisselen valt met welke andere popgroep dan ook. Of neem de laatste, 32ste, pianosonate van Van Beethoven waarin elke noot, na meerdere keren beluisteren, als een blokje wortel zijn toon speelt in een transparante groentebouillon.

Voorgaande millefiori van overwegingen en associaties, teweeg gebracht door het snijden van rode kool en de door E. gestelde vraag die daarmee verband hield, kregen vanochtend een vervolg in het overwegen van de aanschaf van de Nederlandse vertaling van de korte verhalen van Truman Capote (die een verzamelaar was van millefiori en andere presse-papiers).

Ik ben een parmantig pleitbezorger van het lezen in de oorspronkelijke taal al kan ik niet meer dan me beperken tot het Engels, want al lukt me enig Duits een beetje, ik beheers, wat talen betreft dan, verder helemaal niks, al volg ik de Tour de France op de tv in Frankrijk vrijwel probleemloos.

Capote is, in het Engelstalige gebied, mijn grote held en ik herlees dan ook op permanente basis zo’n beetje alles wat hij ooit schreef, elke keer weer zijn vilein, zijn teerheid, zijn formuleringen, proevend op mijn tong, met mijn oren en mijn hoofd, zelfs hardop lezend, af en toe. En soms denkend: Hoe zou ik dit fragment in godsnaam en met behoud van waarachtigheid in het Nederlands over kunnen zetten (wat op deze manier gezegd net geen germanisme is, meen ik)?
Gisteren kocht E. de vertaling van In Cold Blood, In koelen Bloede, dus, door Thérèse Cornips, vooral bekend als vertaalster van A là Recherche du Temps Perdue dat ik las toen ik 18, 19, 20 was. Capote, die ook een groot liefhebber van het werk van Marcel Proust was, al las hij het nooit in het Frans, verkeert dus in prachtig gezelschap. Omdat E. meteen begon te lezen, om de hoek van de boekhandel waar we het mochten afhalen en gezamenlijk gezeten op een wild bankje aan de Brouwersgracht, kon ik, naast Truman’s eigen inleiding, slechts een paar zinnen op voornoemde waarachtigheid toetsen. Nou, geweldig! En ik ken het boek bijna uit m’n hoofd, al durf ik het zo goed als niet meer te lezen vanwege de spanning en de ontroering. En vandaag kreeg ik van E. de eerste roman van Capote, in vertaling van Clare Lennart, cadeau, de eerste druk, die driekwart jaar, in 1949, na het Amerikaanse debuut uit 1948 al kon verschijnen: Other Voices Other Rooms, later in het Nederlands in letterlijke vertaling gepubliceerd, maar mijn exemplaar is nog door De Blauwe Distel tevoorschijn getoverd als “De Herfst van een Jeugd”.

Omdat ik de hele rooie kool meteen opsneed is de helft van het uiteindelijke product de vriezer ingegaan. Dat zal de kwaliteit alleen maar bevorderen omdat de celstructuur nog verder aan gort raakt dan door het stoofproces alleen. Zoiets moet onder de microscoop ook zichtbaar zijn, maar mijn laat-19de-eeuwse exemplaar bevindt zich in mijn opslag. Ik herinner me dat hij, bij het openen van de kist waarin deze zich bevindt, een ingedikte rijkdom aan geuren prijsgeeft, iets kamferachtigs, maar ook een ander exotisch scala aan neuservaringen. Versneden kruiden en conserveermiddelen, waarvan de laatste al lang verboden zijn. Een amalgaam dat mijn grootvader, of zijn vader, waarschijnlijk nog wel in zijn samenstellende onderdelen uit elkaar had weten te ruiken, maar nu een ratatouille is geworden. Daarnaast de preparaten met stukjes bijenvleugel, een vlo en onbestemde plantenresten. De extra oculairs verhelderen intussen weinig meer. Hij zou eens opgepoetst moeten worden.
… zoiets

Als je gaat snijden in dingen wordt alles kleiner; dat is in ieder geval in de keuken zo. Als je gaat snijden in het vlees van je eigen ervaringen worden zaken soms groter. Het adagium dat groter altijd beter is gaat hier niet op, in ieder geval bij mij niet. Nou ben ik niet nostalgisch aangelegd, in positieve noch negatieve zin, dus heel erg kwetsbaar voel ik me niet, al was het in mijn verleden soms anders. Een julienne gesneden winterwortel wordt nooit meer een geheel en kan alleen maar bijdragen aan de mirepoix die we van ons leven maken. Naast ui en bleekselderij voeg ik graag, maar tegen de regels door, ook wat venkel toe.

Een combinatie van verse kruiden, bij elkaar gebonden met een keukentouwtje, definieert en complementeert dat alles tot wie ik ben, tot hoe ik schrijf, met welke woorden, en wat ik zeg en hoe. De vertaalslag zal de lezer mogen maken.
En liefde is ook een kruid al valt ze met geen microscoop waar te nemen of aan te tonen. Maar als alles loopt als Daphne Schippers proef je het door elke bereiding heen. En als alle woorden broers en zussen worden en in een mooie volgorde geboren, ontstaat een signatuur, een vingerafdruk, een genenpatroon.

Appropriatie – Over Kawara, Sturtevant en Airco Caravan

Het was ooit eens 2005 óf 2007, vermoedelijk het laatst genoemde jaar. Maar sinds zeker eind jaren negentig was ik al via e-mail en soms telefonisch in contact met On Kawara, de in Japan geboren, maar in New York werkende kunstenaar. De eerste keer dat ik hem ontmoette was in levende lijve in New York in 1998 op het terras van het helaas niet meer bestaande café The Liquorstore (niet zo lang geleden nog nummer 1 op de New York Times-lijst van meest gemiste drinkgelegenheden). Ik was in New York om vrienden te bezoeken, allen kunstenaars, en om voor het eerst de stad te leren kennen. Maar een ander voornemen was om On Kawara te ontmoeten en hem uit te nodigen om een werk in kleine oplage met me te maken en dat ik dan zou “uitgeven” en vermarkten (een Duits woord dat eigenlijk ook in het Nederlands, al accepteert de spellingcontrole het niet, precies bedoelt wat het beoogt). Ter ondersteuning van éen en ander had ik een aanbeveling op zak van de grote Duitse kunstorganisator en museumdirecteur Kaspar König die veel met Kawara had gewerkt en nog steeds een vriendschappelijke relatie met hem onderhield. Het moge duidelijk zijn dat me er heel wat aan gelegen was om Kawara te spreken te krijgen.

Het was lekker weer, de terrassfeer was gemoedelijk, we dronken Guinness en Alan Uglow (naast fantastisch kunstenaar ook de bedenker van de uitroep O-fucking-lé) becommentarieerde het passerend volk. Bijvoorbeeld “There is Dan Graham, there, yes, that dirty man…”, niet lang daarna gevolgd door “Oh, and there’s On Kawara …”. Omdat ik met Kawara nog geen contact had kunnen leggen kon het toeval me geen groter geluk toespelen, want hij ging, vergezeld van twee jongere mensen, ook nog eens op “ons” terras zitten, dus ik hoefde hem niet te volgen om hem zomaar op straat, bijvoorbeeld vlak voor een kruispunt, aan te spreken.
Het geval wil dat On Kawara wereldberoemd is door een aantal reeksen van kunstwerken die hij zijn hele leven heeft voortgezet. Het bekendst zijn zijn zogenaamde datumschilderijen, waarbij hij een datum schilderde of uitspaarde op een monochroom geschilderd vlak. Deze schilderijen kregen als toevoeging een precies passende kartonnen doos, gevoerd met een locale krant van de dag, die zowel als verpakking diende alsook ter identificatie van datum en plek waar het betreffende schilderij was ontstaan. Beide samen, werk en doos, vormen het gehele kunstwerk, al worden vaak alleen de doeken getoond.

On Kawara – 22 JUNI 2007 “Vrijdag” – acrylverf op linnen – 25,5 x 33 cm

Daarnaast heeft hij telegrammen (met als boodschap de enkelvoudige mededeling “I am still alive”) en prentbriefkaarten (waarop gestempeld “I got up at … hrs”) aan vrienden en kennissen over de hele wereld verstuurd. Wie er om vroeg kreeg nooit iets toegestuurd; helaas ik ook niet, hoewel ik niks had gevraagd, al kreeg ik wel een keer post van Kawara in relatie tot een ander project van hem waar niet veel mensen van op de hoogte zijn: kinderspeelplaatsen over de hele wereld. Tijd en plaats speelden in zijn oeuvre dus een belangrijke rol.


Ik onderbreek deze herinnering, die nog niet is afgerond, om haar in het licht te plaatsen van recente gebeurtenissen, want ik wil spreken van gisteren, toen E. en ik tijdens de benefietveiling voor het Amsterdamse kunstinstituut W139 een mooi klein schilderij wisten te verwerven. Alle kunstwerken op de veiling werden anoniem aangeboden en, zeker omdat kort na afloop de website die alles organiseerde compleet implodeerde, duurde het tot vanochtend voordat we mochten ontdekken wie de maakster of maker was
Welnu: we kochten een schilderij van Maria Koning die zich als kunstenaar presenteert onder haar pseudoniem Airco Caravan. Waar die vervangnaam precies voor nodig is ontgaat me eigenlijk, want haar voor- en achternaam zijn voortreffelijk uit te spreken in een scala aan talen. Haar keuze hiervoor, zo kwam in onze korte correspondentie aan het licht, blijkt echter reeds enige tijd geleden genomen te zijn en om je bekendheid, want die heeft ze zeker, ineens 180 graden te keren ten gunste van je geboortenaam, zou bijna een carrière-switch genoemd kunnen worden.
Affijn, ik vond haar e-mailadres en berichtte haar over ons geluk betreffende de Neuerwerbung en bedankte haar voor haar veilingbijdrage ten gunste van W139. Pas daarna bezochten E. en ik Airco Caravan’s website en dat was een geweldig genoegen. Ik bedoel: gewoon in the blind een leuk doekje aanschaffen stuitert helemaal tegen mijn kunstgebruik in, want ik ben een liefhebber van sterke oeuvres, niet van een stukje decoratie aan de muur. Het oeuvre van Maria is echt overweldigend met elementen van grote menselijke betrokkenheid, activisme, schoonheid, kundigheid en een besef van wat er allemaal in de wereld én in de kunstgeschiedenis gebeurt en is gebeurd. Door onze aankoop zijn E. en ik nu deelgenoot van een groter en zich prachtig ontwikkelend geheel.

Airco Caravan (Maria Koning) – LOVE – 35 x 30 cm
olieverf op ongeprepareerd linnen (privécollectie Amsterdam)

Ons schilderij van bescheiden formaat blijkt deel uit te maken van Maria’s serie Associates waarin ze als hommages aan favoriete kunstenaars voorstellingen van werken naschildert. Dit doet ze geheel in haar schilderkunstig handschrift, zonder de ambitie om dat van de betreffende kunstenaar te benaderen. Het is haar eigen, enigszins poëtische visie die ze op de, voor de kenner snel te herleiden, voorstellingen loslaat zonder “de oorsprong” geweld aan te doen. In een triptiek toont ze haar waardering voor het werk van On Kawara, voor mij reden genoeg om mijn herinnering van zojuist van stal te halen, al haalt haar werk net niet mijn verjaardag (17 april).
In “LOVE” schildert Maria slechts de restvormen tussen de letters waardoor het woord, het begrip, Liefde, schittert door afwezigheid. Wel traceerbaar, waarneembaar, natuurlijk, als naakt (bloot, mag dat nog?) canvas, maar door onszelf, als kijkertjes thuis, in te vullen. Niet door de kunstenaar geschilderd, want die is er vanaf gebleven, en ze laat ons een taakje (dat E. en ik dan maar, noodgedwongen, zelf op ons nemen).

Een andere belangwekkende kunstenares die, in tegenstelling tot Maria (Airco), alléen maar appropriatie (het overnemen van een voorstelling als dragend beeld van een nieuw kunstwerk) als stijlmiddel hanteerde was Elaine Sturtevant, Amerikaanse van geboorte, maar ze bracht het grootste deel van haar leven in Parijs door.

Elaine Sturtevant – Warhol Flowers – 1969-1970

Op vrijdag 24 september 2004 was ik te gast bij de opening van Sturtevant’s overzichtstentoonstelling in het MMK, het Museum voor Moderne Kunst in Frankfurt. Bovendien mocht ik, op uitnodiging van toenmalig directeur Udo Kittelmann, aan het diner aanzitten. Ik was schuintjes tegenover Elaine aan tafel geplaatst (een eer en een luxe waarvan me de oorzaak tot op de dag van vandaag geheel ontgaat) en dat leverde een genoeglijke avond op. De opening zelf, met de in Duitsland gebruikelijke stortvloed aan speeches van dien (waar ik helemaal niet van houd, en vanwaar ik wegsloop en daardoor de alle zalen en kabinetten omvattende presentatie in alle rust kon bekijken), was voor haar bijzonder vermoeiend geweest, dus heel veel vuurwerk leverde de dinergesprekken ook weer niet op. Maar wat duidelijk werd was dat Elaine een geopinieerde vrouw was die in haar leven veel had meegemaakt en precies wist waar ze zich in haar werk mee bezighield. Ze “herhaalde” alleen werk van kunstenaars die ze persoonlijk had leren kennen: Andy Warhol, Jasper Johns, Roy Lichtenstein, Felix Gonzàlez Torres, Keith Haring, Joseph Beuys. Velen reeds overleden toen deze overweldigende expositie openging; eigenlijk leefde alleen Johns nog … Je waande je als bezoeker, want niets was wat het eigenlijk was, in een soort Second Life-museum, in een namaak-Nirwana. Net als Airco Caravan raakte Sturtevant kunstenaars aan die me na aan het hart liggen, geen enkele uitgesloten.
Sturtevant’s omvangrijke oeuvre stelt als eerste de vraag waar eigenlijk het begrip identiteit zich zoal weet te verschuilen. Is dat werkelijk alleen maar het geval in éen persoon, of kun je een identiteit delen, of, volgens Elaine’s benadering, herhalen. Daarnaast stelde ze ook de dagelijkse artistieke praktijk aan de orde, zich verdiepend in het creatieve-, maar ook in het praktische maakproces. Hoe kómt iemand tot iets en hoe máakt zij/hij het. Handelen is ook een vorm van denken, al is het éen vaak een uitkomst van het ander, zo lijkt het althans op het eerste gezicht. Aangezien alle kunst voor een deel conceptueel is, is het de vraag of je Sturtevant een specifiek conceptueel kunstenaar moet of mag noemen. Net als in het werk van Warhol schuilt ook in haar werk een sterk poëtische onderlaag die zich klaarblijkelijk bezighoudt met mededogen en betrokkenheid op vele fronten, eigenlijk met Liefde, dus.

Het schilderij dat we van Airco Caravan kochten betreft een appropriatie van de iconische voorstelling van de Amerikaanse kunstenaar Robert Indiana (eigenlijk met achternaam Clark, maar hij werd in de staat Indiana geboren, dus dat werd zíjn vervangnaam) die het woord LOVE weergeeft.

Robert Indiana – Love

Robert Indiana groeide op in éen van die vele Christelijke gemeenschappen die Amerika rijk is en waarin god het equivalent was van liefde (een visie die ook Reve in zijn geloofsvariant aanhing, al hield Gerard de mogelijkheid open dat god Dé Liefde was (zie hiervoor zijn correspondentie met bijbelvertaler Grossouw)). Die “beperkte” oorsprong heeft Indiana het vaak doen betreuren dat zijn logo van de liefde zulk gemeengoed is geworden, losgezongen van zijn religieuze connotatie. Ten onrechte, vind ik, en hij heeft er zich zijn hele verdere leven mee bezig gehouden (in het Frans en in het Hebreeuws, bijvoorbeeld) en dat heeft hem veel geld en voordelen opgeleverd.
Nu hebben we dus Maria’s interpretatie die zowel intiem van formaat als van verftoets verfijnd is. Stomtoevallig heb ik in mijn collectie ook een appropriatie van Indiana’s voorstelling door de Britse kunstenaar Gavin Turk, die, in een deel van zijn oeuvre, ook een “herhaler” van de eerste orde is, vaak met een knipoog en regelmatig met zichzelf als onderwerp (Warhol, Manzoni, Duschamp).

Gavin Turk – “Turk”

Op de website van het galerieconglomeraat van David Zwirner vind ik het datumschilderij van On Kawara uit 2007 dat als subtitel draagt: “Vrijdag” (zie boven). Kawara liet regelmatig een titel vergezeld gaan van een vernoeming van de dag waarop het werk ontstond. En dat in de taal van het land waarin hij het schilderde. Helaas ontbreekt op de website van Zwirner de doos.
Mede op basis van “Vrijdag” vermoed ik dat Kawara dat jaar weer eens van zich liet horen aan mij en wel met de mededeling dat hij in Amsterdam zou komen schilderen (naast onder andere Parijs, in ieder geval in Europa). En of we elkaar zouden kunnen zien en misschien iets drinken, verzocht hij me. Dat leek me wel wat, want mijn pogingen om hem tot een kunsteditie te verleiden hadden nog tot helemaal niets geleid. Toentertijd in New York had hij op mijn uitnodiging reeds geantwoord: “Maybe”, wat voor Japanners een nogal hard maar beleefd “Nee” betekent. Toen ik hem op dat terras daar had aangesproken stelde hij voor om de volgende dag een kop koffie samen te drinken, ook in The Liquorstore. Dat werd een leuke middag, maar leverde voor mij geen bevredigend resultaat op, ondanks zijn grappige anecdotes uit zijn leven; over zijn huwelijksreis door Mexico, bijvoorbeeld, die hem uiteindelijk in NYC zou doen belanden.
Die middag in 2007 kwam hij langs bij de galerie die ik met mijn toenmalige vrouw in Amsterdam runde. Ik stelde hem voor aan mijn beste en naburige collega B. en Kawara en ik besloten om samen wat te eten in een geweldig Indonesisch restaurant in de Utrechtsestraat; een uitnodiging die hij graag accepteerde, al had hij de avond tevoren iets gegeten dat verkeerd gevallen was. Dat werd bijzonder en mooi.
Omdat ik nou eenmaal graag tutoyeer was een van mijn eerste vragen hoe zijn vrienden hem eigenlijk noemden. Omdat zijn voornaam identiek was aan het Engelse woord “op” vond ik die vraag waarschijnlijk opportuun. Totaal ridicuul, natuurlijk, en On antwoordde dus ook: “Well, On of course”. Het nadeel van mijn stomme vraag had het voordeel dat ik hem vanaf dat moment ook bij zijn voornaam kon aanspreken, met alle respect. Daarna vertelde hij over zijn kunstenaarschap: zijn wens om, vanaf het begin eigenlijk, “gewoon” een schilder van monochrome doeken te zijn. En in de jaren ’60 was dat nog geen usance, al had al je wel Manzoni en Yves Klein. Maar monochrome kunst was niet echt bon ton, dus besloot Kawara de datum dan maar tot voorstelling te verheffen.
En waarom was hij eigenlijk in Amsterdam? Nou, hij vond het politiek niet verantwoord om er in je eigen stad de luxe op na te houden van een atelier. Hij combineerde dus trips met het maken van nieuw werk, eenvoudigweg op de hotelkamer: de reis als studio. En als een werk niet binnen éen dag kon worden afgerond dan bestond het niet en werd het vernietigd. Op zijn vraag met welke Nederlandse krant hij de dozen voor de in Amsterdam ontstane schilderijen (misschien maar éen) het beste kon voeren adviseerde ik hem vanzelfsprekend Het Parool. Ik zal dus maar eens een mailtje sturen naar de On Kawara-chef bij Zwirner Gallery om afbeeldingen van de doos van het Vrijdag-schilderij te vragen; het zou een bevestiging van mijn geheugen kunnen zijn. Het zou niet het eerste kunstwerk zijn waar ik een bescheiden bijdrage aan leverde. On at uiteindelijk weinig al was het lekker en ging sneller dan ik had gehoopt terug naar zijn hotel. Eigenlijk had ik met hem nog wel een kopje koffie willen drinken in De Pels, maar het was alles bij elkaar toch een speciale ontmoeting. Tot een editie zou het niet leiden, die heeft hij nooit gemaakt, net zo min als dat er tekeningen van hem bekend zijn, of dat hij ooit op zijn eigen openingen was.
Het schiet me ineens te binnen dat we in het restaurant ook rookten, want dat deed On graag en het mocht toen nog. In de permante installatie van een grote groep werken van hem in (weer) het MMK te Frankfurt is ook een asbak ondergebracht (dat was althans zo, over nú vraag ik het me af) en niet dat men verondersteld wordt er te roken, maar het mócht wel en dat heb ik ook gedaan: On’s kont tegen de kribbe, dus.

E., die ik de tekst tot hier laat lezen, zegt terecht dat er, wil die een geheel worden, beslist nog een afronding nodig is, of een vervolg en een afronding. Daar ben ik het helemaal mee eens, maar ik ben al blij dat ik so weit gekommen bin. Voor mij is het alleen maar mogelijk om te schrijven als ik puzzelstukken in handen krijg, bij mezelf opwek, of dat ze van ander komen aanwaaien in een gesprek of door willekeurige vormen van communicatie. Die springerige activiteit van E. en mij, gisterenavond, veroorzaakt door de veiling, maakte dat ik later gisteren en ook vandaag, ervaringen, herinneringen op het gebied van denken, kijken en voelen met elkaar in verband begon te brengen.
Elaine Sturtevant had blijkbaar niet de wens om On Kawara te “herhalen”, en waarom ook. En ik weet ook niet of ze elkaar kenden. Elaine was beslist geen gemakzuchtige kunstenares; het herhalen van een werk van Jasper Johns of van Warhol was geen vanzelfsprekende zaak. De werkwijze, het denken en het oogmerk van een kunstenaar zijn hyperpersoonlijk en worden uitgedrukt langs wegen die, soms ook voor die kunstenaar zelf, ondoorgrondelijk zijn. Voor On was elk telegram dat hij verstuurde een keuze, een beslissing, die voorafgaand aan de activiteit waarvan hij op een gegeven moment wel wist wat de afwikkeling ervan zou zijn, tot het moment dat hij tot daden moest overgaan: naar het postkantoor! Uiteindelijk zijn die telegrammen in het publiek domein terecht gekomen, na eerst deel uit te maken van een particuliere correspondentie, als verheven teken van leven. Dat laatste omschrijft precies wat elk kunstwerk is, of beoogt te zijn: een verheven teken van leven. En een teken van verheviging van het leven, in al zijn lusten en lasten. Dat is ook waar Maria Airco Koning Caravan zich mee bezig houdt. Geen doekjes voor het bloeden, geen gelul van “Ik wist het niet”: je bewust zijn van alles wat je aanraakt en van alles waardoor je aangeraakt kunt worden.
En dan komt alles op ons af, deze zomer!

P. S.
Vandaag (zestien februari tweeduizend eenentwintig) hebben E. en ik de Airco Caravan-collectie aangevuld met een citaat door haar van een datumschilderij van On Kawara. Geen herhaling dus, maar een appropriatie: een omslagkalender op (ongeveer) A4-formaat die alleen de datum 14 april 2019 beslaat. Werkelijke een prachtige editie in een oplage van 4, die blijkbaar, ook in twee andere kleurstellingen (1 voor 12 en 1 voor 13 april 2019), nog verkrijgbaar is via Airco’s website. Doen Joh!!

La petite Mort *

Omdat in april 1975 mijn jaren des onderscheids reeds enigszins onderweg waren, maar ik nog wel thuis in Haarlem woonde, was ik, wegens ontstentenis van een fatsoenlijke hi-fi-installatie, voor de informatie over recente ontwikkelingen op muziekgebied vooral afhankelijk van mijn eenogige radio die soms wel, maar soms ook niet, beluisterbare signalen doorgaf. Daarnaast was onze achtertuin een belangrijke bron, want die grensde aan éen van de weinige achterbuurten van Haarlem. Die achtertuin heette bij ons het BB-plein, want de vrijwel volledige betegeling van het buitenplaatsje, waar ik met mijn jongere broers en zussen aan rolschaatsen en trefbal deed, was aangelegd door mijn vader en een oudoom. Beiden heetten Bernard, dus vandaar BB** (en zonder ook maar enige implicatie van de borsten van Bardot, want als die al bij ons bekend waren, dan alleen in gecensureerde vorm).

Volgens mij moet er nog steeds een Place BB worden aangelegd, al zijn haar rechtse sympathieën walgelijk, natuurlijk.

Over onze achtertuin heen werd vanuit de wijde omgeving volop, in tegenstelling tot binnenshuis, rock- en popmuziek gespeeld. En luid ook, want in dat buurtje achter ons trok niemand zich iets van elkaar en van ons aan. Ik had daar, jaren eerder, Tom Jones al leren kennen, Dusty Springfield en The Beatles, om een paar voorbeelden op te sommen die me nog steeds dierbaar zijn. Verder had ik wat schoolvrienden die thuis wèl alles mochten beluisteren en die me, op basis daarvan, regelmatig konden bijpraten en bijspelen. Naast de achterburen heb ik hen veel te danken (Bruce Springsteen, Jackson Brown, Bonnie Raitt, Sam Cooke, & zo voorts).

Ik haat nostalgie omdat ik binnen dat concept steeds aan van alles en nog wat terug moet denken terwijl ik eigenlijk zeker weet dat het beter is om iets anders te overwegen. Maar ik ben dol op zaken die me m’n hele leven bijblijven en die steeds actueel zijn, om het maar eens te zeggen op een manier die de gemiddelde journaalkijker aanspreekt. Stemmen en melodieën die voortdurend een nieuwe waarde of betekenis blijken te krijgen. Alles bij elkaar geen oorspronkelijk idee van mij, maar originaliteit is ook maar zo lang als ze breed is.

In mijn nogal late bloei, of eigenlijk nog steeds behoorlijk in de knop, besefte ik niet dat ik Minnie Riperton’s Loving You in verband behoorde te brengen met het vrouwelijk orgasme. Ik was in 1975 pas 18 en zij al 28 toen ze het nummer ter wereld bracht. En al heb ik intussen wel een behoorlijk paar vrouwen horen klaarkomen, via het web of in de dagelijkse praktijk, nog steeds zie ik het verband niet helemaal (wel een beetje, vanzelfsprekend), al kwam een vorm van extase wel degelijk over.


Extase van de heilige Theresia van Ávila door Gian Lorenzo Bernini. Mooi hè?

Ik vind het ook een volstrekt enkelvoudige interpretatie. Eenieder is natuurlijk gerechtigd om haar of zijn interpretatie van een of ander nummer aan te hangen, maar toen ik ooit eens meemaakte dat de NCRV het lied Walk on the Wild Side van Lou Reed op de radio afspeelde alsof het zijn hit Perfect Day betrof, vielen me toch een paar schellen van de oren. Het is dus kortom wat je met een lied wilt.
Ik ben van mening dat Loving You de véel betere versie is van When I’m 64 van The Beatles/McCartney: “Will you still need me, will you still feed me …”. Liefde wordt hier wel geïmpliceerd, maar schittert in de tekst door afwezige geldigheid. Het gaat bij “64” natuurlijk met name om een toespeling op slechts éen andere leeftijdscategorie, maar die impliceert Riperton net zo goed; liefde inclusief het ouder worden: And we will live each day in springtime. Liefde die jong is en blijft, die klaar komt met een perspectief op de tijd.
Een vergelijking met Wuthering Heights van Kate Bush dreigt ook op de voorgrond te treden. Bush en Riperton hadden beiden een klassieke zangopleiding en waren dus kundige vakvrouwen. Hoe fraai Kate’s compositie en uitvoering ook zijn, er dringt zich een zekere gekunsteldheid, een naar adem zingen, op. De uitvoering van Riperton ademt een overweldigende natuurlijkheid, tot in de verste hoeken van de melodische extremiteiten; het blijft een loflied, een aubade, een ochtend- en een avondzang, een belofte en een verheerlijking.

Wat denken de tv-kijkers bij de recente reclame van de Jumbo-supermarktketen? Het bureau dat de reclames verzorgt moet ermee bij de familie Jumbo zijn aangekomen; ze zullen geen carte blanche hebben. Omdat de rechten op het gebruik ervan niet geheel gratis zullen zijn geweest, zal de familie volledig zijn geïnformeerd over het lied en zijn geschiedenis en interpretaties.
Omdat Minnie Riperton (bijna gemakkelijk) over een enorme tessituur beschikte die ze in Loving You volledig inzette, moet het ontroerend element van deze compositie en uitvoering een overtuigende impact op de familie hebben gehad. En dat het bureau dus met een vette knipoog mag verwijzen (of de kinderen toevallig niet even de hond moeten uitlaten, zodat vader en moeder elkaar in hun liefde voor elkaar nog eens kunnen “verheffen”) naar liefde, ook naar “de liefde” die een gezinsvorming heeft opgeleverd. Dus niet in puber- of twintigersjaren van waaruit Riperton in eerste instantie zong, geeft aan dat de familie een begripsvolle vrijbrief heeft gegeven aan de makers. En heeft het ook bij die familie een besef, en oude en nieuwe gevoelens, wakker gemaakt (ik verzin maar wat)?

Uit “de oude doos” is iets tevoorschijn gekomen, dat de actualiteit actueler maakt. Loving You is voor iedereen te begrijpen, aan te voelen. Ik zou bijna zeggen dat het een lacune, een leeggelopen vijver, vult. En het is, in deze problematische tijden, waarschijnlijk een hartenschreeuw namens veler borst. En in zekere zin een pleister op menige wond.
Dat je van Loving You ook nog eens de godganse dag niet meer af komt en het, zoals E. en ik, luid op straat zingend (en toevallig op weg naar de betreffende supermarkt), aan de wereld ten gehore brengt, is een bijkomend voordeel, waarvoor soms redenen te over zijn …

*
https://www.misssteel.nl/blog/la-petite-mort-uit-emily-in-paris/
Om maar te verwijzen naar een blijkbaar actuele Chiclets-serie op éen of andere aanbieder …

**
P. S.
Mijn goede vriend B. mailt me zojuist, zeer waarschijnlijk na het lezen van mijn tekst, een uitvoering van Je t’aime door BB en Serge Gainsbourg. Luister en beoordeel zelf of het past binnen de context van mijn goeie bedoelingen.

E-mail aan mijn lieve vriend P.: “What am I supposed to do now?!”

Lieve P.,

Zondagmiddag 31 januari 2021, dus nu ben jij weer aan de beurt. Niet dat ik veel hemelbestormends te melden heb, maar ik vind het leuk om iets van me te laten horen. De dag van vandaag maakt zijn naam waar: als ik vanuit het raam, hier bij Edna, de Westertoren wil bekijken moet ik mijn ogen half dichtknijpen, zo fel en mooi schijnt de zon vanuit het Zuiden tegen mijn blik in. Edna en ik zitten hier aan tafel, ieder achter een Lap Top. Zij schrijft aan een kunstenaar over een mogelijke herpublicatie van een tekst van haar hand ter gelegenheid van een te komen overzichtstentoonstelling en ik schrijf aan jou. Het is dus fraai weer, hiero, en dat zal bij jou in Bergen ook wel zo zijn.

Het appartement van Edna is nog een ander uitzicht(je) rijk, namelijk vanuit het entreehalletje middenin het onroerend goed, over een soort binnenplaats waar ik, wegens de afmetingen en mijn hoogte (tweede verdieping van een voormalig schoolgebouw), geen kijk op heb. Daar rook ik, me meestal vervelend (behalve als er een enkele keer een aalscholver, nooit een torenvalk, overvliegt) bij het openstaande raam steeds halve sjekkies.


De Aalscholver (“Scholven” is trouwens geen werkwoord)

Gisterenavond, toen het dus al stikdonker was, deed ik dat ook. Het eerdergenoemde uitzichtje ziet uit op het zijbalkonnetje van de aanpalende woning. Daar had zich, ietwat eerder dan mijn rookaanvang, een liefdesspel ontsponnen. Niet zomaar alleen zoenen, want, hoewel ik de details niet kon waarnemen, bijvoorbeeld van de respectieve geslachten van het stel, was aan de akoestische informatie en de geringheid van de conversatie wel vast te stellen dat ze naar meer bij elkaar op zoek waren en waarschijnlijk al onderweg. Nou moet je weten dat het ook nog eens minimaal éen graad onder nul was, dus van deelse ontkleding was geloof ik nog geen sprake, al speelde ook hier mijn beperkte nachtvisie me parten. Toen ik een meisje (want die stem was onmiskenbaar) hoorde vragen: “And what am I supposed to do now?” heb ik het licht maar aangedaan, niet wachtend op het antwoord, wat resulteerde in een onbedaarlijke lachbui bij de twee. Omdat mijn roken snel daarna ten einde was heb ik hen maar aan hun lot vol intimiteiten overgelaten. Ik ben natuurlijk dolnieuwsgierig naar wat er allemaal op volgde, maar ben toch niet van plan om me daaromtrent verder te informeren door bijvoorbeeld bij hun aan te bellen. Dat zou een verkeerde indruk wekken, ben ik bang, want we spreken elkaar verder nooit.

Tussen de eerste en de tweede alinea van deze mail zit trouwens een paar uur afwezigheid van ons tweeën, want, naast dat het buiten te mooi was om af te zien van onze dagelijkse wandeling, moesten we ook een elektrische decoupeerzaag terugbrengen naar T. Die hadden we geleend, de zaag, niet T., om, door het afzagen van uitstekend hout, genoeg ruimte te maken voor een nieuwe koelkast in Edna’s keuken. T. noodde ons binnen op zijn atelier waar we bij een kopje thee genoeglijk babbelden over de ontwikkeling in zijn recente werk. Dat was leuk, want Edna is al jaren bevriend met hem en tussen mij en T. ging het ook altijd prima, mede omdat hij bij Lumen Travo exposeert en daar ook altijd op openingen was. Dan spraken we elkaar regelmatig.
Hans dus weer sinds jaren en jaren op “atelierbezoek”, ’t is wat …
Zo zie je maar dat het op een zondag in het Jordaanse Ondermaanse helemaal niet saai hoeft te zijn, ook al woont en werkt T. precies tegenover Galerie Onrust aan de Planciusstraat, ten zuid-oosten van Amsterdam-West, dus net buiten Le Jardin.

Nu, tegen vijven, wordt het zo langzamerhand tijd om te gaan afwachten of mijn idioot lage bod, want meer hoefde niet, op de fraaie VOUS ETES ICI-prent van geweldige kunstenaar Han Schuil geaccepteerd zal worden, of dat er een volwaardige tegenstander opstaat tegen wie ik me, met meer geld, zal moeten verzetten. Het gaat om zo’n joekel (zie afbeelding: 160 x 120 cm + lijst, je kent hem wel, in de geringe oplage van 16), waarvan ik er zelf nog best wel 2 of 3 in bezit heb, want ik was per slot de uitgever. Maar deze komt in de oorspronkelijke Profilex-lijst en die kost zonder kunst al een kapitaal om te bestellen, dus het is een win- winsituatie.

Eigenlijk een win-, win-, winsituatie, want Edna vindt hem ook erg mooi, dus als ik hem win, Deo Volente (zie de initialen daarvan door je oogharen), dan geven we hem een plek hier in het pand om te laten zien dat we niet van de straat zijn. Vanaf 20.00 uur vanavond begint de internetveiling af te lopen, dus we gaan gespannen tijden tegemoed, zoals je begrijpt.

P.S.
Ik heb hem. Nu nog even het transport organiseren en kijken of we er eigenlijk wel plek voor hebben …

De jeugd van tegenwoordig

Vanaf de dag dat ik kennismaakte met het werk van Harma Heikens (ergens in 1992, meen ik, op een tentoonstelling in de Amsterdamse kunstenaarssociëteit Arti & Amicitiae), heb ik haar werk gevolgd, werken van haar verworven en haar persoonlijk leren kennen.
Hoewel de grote privé- en institutionele collecties altijd om haar werk zijn blijven heen draaien, verwierf Heikens met haar kunst per direct enthousiaste volgers, kopers en criticasters. Dat overkomt niet elke jonge kunstenaar die esthetische kwaliteiten weet te combineren met een wrange visie op onze wereld. Sterker nog: waardering wordt in de publieksbreedte eerder voor kunstuitingen opgebracht die zouden uitblinken in vakman- en vrouwschap in de vorm van de ‘Oh, wat knap gedaan!’-variant.
Nou blonk het werk van Heikens van begin af aan zeker uit in de categorie Knap Gedaan, maar de reacties erop werden vaak overschaduwd door wat ze met haar vakvrouwschap aan de orde stelde. Op een weergaloos uitgevoerd borstbeeld van Sneeuwwitje met acne zat overduidelijk niet iedereen te wachten, alhoewel het wel meteen een koper vond. En een volwaardige voorloper van Cattelan’s Him (2001) is Heikens’ A Boy van 10 jaar eerder, weliswaar op een andere manier tentakels uitslaand naar interpretatiemogelijkheden, maar inhoudelijk evenwaardig belangwekkend. Beide sculpturen roepen vragen op in het gebied van ‘Wie of wat zijn wij en hoe heeft het zo ver kunnen komen?’.


Maurizio Cattelan – Him, 2001 > Harma Heikens – A Boy, 1991

Het is me in mijn levensloop, die zich grotendeels ontwikkelde langs paden van beeldende kunst, intussen wel duidelijk geworden dat liefhebbers van kunst, zelfs de professionele, zich het liefst laten leiden door eenvoudige, verhalerige lijnen: nature (Heikens in haar Hitler-baby) versus nurture (Cattelan’s om vergeving knielende en biddende Hitler) bijvoorbeeld.
Een enkel kunstwerk (en deze twee zijn exemplarisch) kan zijn vleugels op een verhalende manier uitslaan en de beschouwer in vervoering brengen door die narratieve aspecten, zeker. Maar is het niet veel interessanter om naar thematische overlappingen en gelaagdheden te zoeken in het gehele oeuvre van een kunstenaar? En dan pas te variëren in gedachtes over ethische, intellectuele en esthetische krachten in het individuele werk en er natuurlijk en eventueel van te genieten.

Wat betekent bijvoorbeeld het werk Mother, 1999 van Cattelan in verband met Him en is er een reciproke relatie? En is Welcome to the jungle uit 2007 van Heikens in verband te brengen met haar eerdere Hitler-referentie? Kruisverbanden in de artistieke ontwikkeling worden door kunstbekijkers of historici tegenwoordig zelden actief aangelegd, misschien omdat ze intellectueel te vermoeiend schijnen.


Harma Heikens – Sorry, 2013 > Maurizio Cattelan – Mother, 1999

Behalve door het scherpste deel van de kunstmarkt wordt ook een hoog poëtisch gehalte in de beeldende kunst niet in de breedte gewaardeerd. Daarvan zijn er vele voorbeelden te geven, maar ik wil me hier beperken tot het noemen van het meervoudig uitgevoerd werk Perfect Lovers van Felix Gonzalez Torres: twee ronde, tegen elkaar aan geplaatste, elektronische klokken die, met een seconde verschil, dezelfde tijd aangeven.

Binnen de naoorlogse kunst wordt het oeuvre van Andy Warhol beschouwd als commercieel effectief, technisch maar zozo en inhoudelijk oppervlakkig. Dat het een hoog Eros en Thanathos-gehalte heeft, naast humaan en aards, maar ook met religieuze aspecten (kruisen, hamer & sikkel), wordt gemakshalve over het hoofd gezien want daar verkoop je geen koektrommels mee. De zelfportretten van Warhol gaan over de dood, maar het is beter dat we daar als kippen zonder kop niet naar kraaien (pun intended). Kraaien vliegen boven een korenveld, dat wil men wel begrijpen, als een laatste blik op een wereld vol pijn en eenzaamheid; het Laatste Schilderij van een kunstenaar die met verf op doek demonen probeerde te lijf te gaan.

Wanneer we een woord gebruiken in het dagelijks leven kunnen we ons niet steeds bewust zijn van de geschiedenis van dat woord, van de etymologie en dat hoeft ook niet. We gebruiken het woord om zinnen in orde te krijgen, om die zinnen samen te laten vallen met wat we willen zeggen of ze te laten bedoelen wat we, eerder, wilden gaan zeggen.
Een woord, met al zijn historie, is nooit een kunstwerk. Een zin meestal evenmin, al zijn hier uitzonderingen op. ‘Alles van Waarde is Weerloos’, bijvoorbeeld, net zoals: ‘Alles is Weer Waardeloos!’. Meestal ontstaat taalkunst uit een rangschikking van woorden, zinnen en daarmee een volgorde of een reeks van begrippen die soms zo oorspronkelijk kunnen zijn dat we ze uiteindelijk onderbrengen in het gebied van de kunst, poëzie of proza. Veel mensen zijn zich er nu nog van bewust dat ze Cruyff of Koot & Bie citeren. Gerrie Knetemann (‘De Dood of de Gladiolen’) raakt al op de achtergrond en dat geeft niks.
Een recente Volkskrantreclame maakte omgang met taal in communicatie op een heldere wijze duidelijk: mensen die tijdens een rookpauze (?) met elkaar slechts in krantenkoppen spraken. Of je dat verschijnsel vertrutting moet noemen weet ik niet, maar het snijdt wel aan dat het uitwisselen van informatie kenmerken kan hebben van Het Niet Uitwisselen van Informatie. Een surrogaat van communicatie, dus: we doen alsof we contact met elkaar hebben, dus we volgen de spelregels van de uitwisseling van informatie. Maar de spelregels zijn de inhoud niet.
Op een dergelijke manier speelt men elkaar de afgelopen 30 jaar ook in de beeldende kunst de bal toe. Verdieping ontsnapt steeds meer aan de aandacht; gelaagdheid speelt geen rol meer. Maar waarom?

Gelukkig raakt religie, in Nederland tenminste, steeds meer op de achtergrond als waardensysteem en transportmechanisme van ideeën en normen. Maar waar hebben we onszelf nu mee opgescheept? Ja, normen en waarden die bepaald zijn en worden door de geschiedenissen van het socialisme, humanisme en kapitalisme; geen van alle uitblinkers in het vooropstellen en formuleren van een rol voor de beeldende kunst. Nou wil ik niet zeggen dat dergelijke ideologiën al lang en breed een alternatief hadden kunnen ondersteunen voor Giotto’s beenloze, maar door straalaandrijving voortgestuwde vrouw als engel, dat ook weer niet. Dat God per ongeluk is mee ontploft met de oerknal maakt vrouwenstemrecht nog wel in orde, maar tegelijkertijd kunst overbodig, tenzij het de burger kan verheffen of verbeteren: ‘De visch wordt duur betaald!’.

In de (zogenaamde) Outsiderkunst, vooral in die van scheppers die zich sterk met zichzelf bezighouden, vind je verbeeldingen van wanhoop, eenzaamheid en geïsoleerd zijn. En outsiderkunstenaars hebben altijd gelijk, formuleren dat in hun werk ook en laten zich daarop voorstaan. In de meeste gevallen kunnen we dergelijke oeuvres gerust monomaan noemen, of die nou erotisch, religieus of sociaal zijn aangestuurd. Dus verder niet nieuwsgierig naar wat zich in de wereld afspeelt. In hun geval geheel begrijpelijk natuurlijk en met vaak de mooiste resultaten, want hun prepositie sluit vaardigheid zeker niet uit.
Om terug te komen op de vertrutting: het lijkt wel alsof de kunstwereld (in de breedte) zich heeft ontwikkeld tot een outsiderwereld van kunstliefhebbers. En dat in een wereld die, in principe geen, of in ieder geval weinig, morele beperkingen oplegt.
Waren er nog maar moraalridders! Types die opkwamen voor totaal egocentrische normen en waarden. Ja die zijn er nog wel, maar dan in kringen van zeldzaam ziekelijke geloofsgemeenschappen.
Maar gewoon meegevoerd worden door de verbeelding van een kunstenaar, reflecteren op jezelf om van daaruit een dialoog te voeren of in discussie te gaan met je omgeving, op welk gebied dan ook, kunst als puntenslijper van een IK: dat zou wat zijn!

Amsterdam, september 2017

Een “must” voor hen die soms niet in optimisme geloven … (1): “Better Days”

Oorspronkelijk publiceerde ik dit bericht op 20 juli 2020, maar het heeft aan geldigheid gewonnen. “We” zijn eindelijk van Trump af en “we” krijgen een avondklok. Aanbevolen voor elk moment van de dag, maar zeker tussen 20.30 uur en sogges vroeg.

Dit nummer dient, zoals David Bowie achterop de hoes van Ziggy Stardust schreef, to be played at maximum volume.

Een eigen winkel …

Enige jaren geleden stond ik in een kassarij op mijn beurt te wachten. Voor me was een meisje van een jaar of achttien, een jonge vrouw dus, aan het afrekenen. Ze had zo’n enorme warenhuiskar vol met spullen geladen die ze samen met haar vader op de lopende band plaatste. Omdat ik me altijd overal mee bemoei informeerde ik belangstellend en tamelijk stellig of ze op kamers ging wonen. Ze antwoordde dat dat niet het geval was, maar dat ze thuis haar eigen IKEA begon. Een hilarische variant dus van “Bemoei je met je eigen zaken …”.

Sinds ruwweg drie-en-een-halve maand gaat het op het moment van dit schrijven niet meer om “ik” en “mij”, maar om “wij” en “ons”. We verblijven gezamenlijk de meeste tijd in de Amsterdamse Jordaan, omdat Edna daar nou eenmaal woont. We doen alles met grote inzet: lol maken, praten over van alles en nog wat, lezen en elkaar verwennen op vele fronten. Er blijkt zich in de wereld een rijk netwerk van gedachtenspinsels en details te vertakken waarin we onszelf opmerkelijk vaak bij de ander herkennen. Dat bestrijkt automerken, spontaan opkomende gedachtes en associaties, artisjokken, muziek, scherpe keukenmessen, Henri Matisse, lettertypes en andere vormgeving en chocolade. Deze opsomming moet beslist niet als volledig beschouwd worden, maar beoogt slechts de breedte van het overlappend spectrum te suggereren. Individuele verschillen, die zeker, maar met mate, ook bestaan, houden het boeltje tussen ons levendig en leiden niet tot een verwijdering of rancune, in tegendeel. Edna is er, om maar een idee te schetsen, intussen in geslaagd om mij het aubergineverwerkend vermogen bij te brengen wat een knap staaltje mag heten want ik word binnenkort vierenzestig.

Zo geschiedde het dat we afgelopen zaterdag, wanneer het altijd markt is op de Lindengracht en op de Noordermarkt en de wijde omgeving volgestouwd raakt met bezoekers die van heinde en verre komen om een stukje nagelkaas of een afgeprijsde spijkerbroek aan te schaffen, op onze dagelijkse wandeling door de buurt, waar bijvoorbeeld Jenny Arean woont, maar vaak ook over een deel van de zo fameuze grachtengordel (Connie Palmen, Jos van Merendonk, Thierry Bouw Det), terecht kwamen in de Haarlemmerstraat.

Deze is de laatste jaren enorm “(op)gepimpt” zodat je er heel veel spullen kunt kopen die je eigenlijk al hebt, maar nog niet in het lila of wél in het vierkant, maar nog niet driehoekig. Omdat Edna en ik nou ook weer niet alles kunnen weerstaan houdt dergelijk flaneren zeker bepaalde risico’s in, bijvoorbeeld de aanschaf van een piepklein lepeltje, ontworpen in 1938, om zout mee over je vegetarische biefstuk te strooien à € 58,00 (níet aangeschaft, hoor!). Weliswaar bleven directe aanslagen op de portemonnee uit, mede als consequentie van de heersende lock down die verordonneert dat winkels met een secundair en tertiair aanbod gesloten dienen te blijven. Maar een beetje etalageneuzen, waarin Edna en ik heel goed zijn en waarbij we oogvervuiling effectief weten te vermijden, behoorde ook deze keer tot onze ietwat lijzige tijdbesteding.
Wat ons in het winkelaanbod niet eerder was opgevallen was een filiaal van een Keuls bedrijf dat een geheel eigen en daar bovenop nog eens heel eigenzinnige kledinglijn voert, Das Werkhaus genaamd. In het voorbijlopen spoelden we snel de opname van onze schrijlingse waarneming af en besloten op onze schreden terug te keren om een en ander aan een nadere inspectie te onderwerpen. Later op de middag, maar ook gedurende de daarop volgende dagen zou blijken dat we hiermee een beslissing met consequenties hadden genomen.
Nadat we ons ruime ommetje vervolgde, ik een haring had gegeten op de sluis en we voor ’s avonds boodschappen hadden gedaan in de supermarkt van Max Verstappen kwamen we moegelopen maar verfrist (het was buiten vier graden boven nul) thuis. Het was behaaglijk in de huiskamer en Edna en ik namen, na het opbergen van de proviand, tegenover elkaar plaats aan tafel en openden onze respectievelijke laptops. In zekere zin hadden we dat laatste misschien ook beter niet kunnen doen.

Tijdens ons samenzijn van de afgelopen tijd hebben we nogal wat spul, nuttig en nutteloos, op internet besteld. Denk hierbij aan een nieuwe koelkast, twee vrijwel maar net niet identieke college shawls, een betere televisie, heel veel boeken (George Orwell, Joan Didion, Christopher Hitchens, Simon Schama en Anthony Bourdain, om maar een willekeurige indruk te geven), al hebben we ook de lokale boekhandels gesteund met live-aankopen toen dat nog mogelijk was, een bol van glaskunst, wijn en wat juwelen. Alles in geweldig goed en vrolijk overleg, maar heel soms, van mij uit naar Edna toe, als verrassing. Deze zaterdagmiddag echter zou een aantal dagen van min of meer manisch verkennen van het assortiment van Das Werkhaus en daaropvolgend bestellen inluiden. Het was Edna die de eerste stappen zette, waardoor ik tot drie keer toe om de tafel heen moest lopen om bij haar op het scherm mee te kijken, maar door haar aanzwellende nieuwsgierigheid en enthousiasme werd het mij al snel te gortig en begonnen we elkaar, terwijl onze onderlinge afstand in praktische zin niet meer dan 1,75 meter bedroeg, favoriete stukken over het internet toe te sturen. In eerste instantie leidde dit ook, je moet met goede voornemens ergens beginnen, tot het opmeten van elkaars schouder-, borst en heupomvang en been- en armlengtes. Mondjesmaat begon zich daarna het winkelwagentje te vullen om te resulteren in de verwerving van vier stukken, waaronder een tamelijk ingenieus vormgegeven doek die je, als alternatief voor het mondkapje, achter je hoofd kon strikken met een sierlijk effect tot gevolg, wat in deze gevoelige tijden een prestatie mag heten. Daarnaast hadden we besteld: twee vrijwel gelijke, langere omslagvesten en een gilet. Misschien nog iets meer, maar mijn geheugen wat betreft de opeenvolging van de orders laat me op dit moment even inhoudelijk in de steek al valt het verloop allemaal eenvoudig te reconstrueren aan de hand van de rekeningen, maar daar heb ik nu even geen zin in.

Vrijwel direct werd ons per elektronische post gemeld dat onze bestelling al was afgehaald. Naar later bleek was dit een foutje in hun e-mailprogrammering, maar het deed me toch naar de telefoon grijpen. De bestelling was wel klaargezet, zo vertelde mij een vriendelijke vrouw, maar was beslist nog niet door een namaak-Hans Gieles afgehaald. Na een kort tripartite overleg kon Edna direct met de fiets onze spullen aan het Singel (zoals veel Amsterdammers zeggen terwijl het toch eigenlijk dé Singel zou moeten zijn) in ontvangst gaan nemen, want daar hebben ze hun grote zaak annex showroom slesj outlet.
Dit was, kort samengevat, het begin van het feest.

Los van allerlei andere aspecten is het oeuvre van Das Werkhaus een waar paradijs voor de fourniturenliefhebber. Dat wil zeggen, zum Beispiel, dat wanneer een broek, een vest, een gulpsluiting, een jasje, behoefte heeft aan, zeg maar, drie of vijf knopen, ze er bij voorkeur een stuk of twintig toepassen en indien mogelijk meer. Daarentegen zijn er ook bepaalde stukken waaraan knopen vrijwel geheel ontbreken ook al vallen ze tot over de knie. Nou moet ik niet jokken, want in meerdere van zulke gevallen is er sprake van éen of drie boordknoopjes die waarschijnlijk moeten voorkomen dat het losjes gedragen, meerkleurige gewaad bij onstuimig weer het ruime sop kiest. De gekozen garens om door- of af te stikken of te biezen zijn, bij geconcentreerde beschouwing, ook vaak een lust voor het oog. En net als de stukken stof waaruit veel kleding is samengesteld, lijken specifieke voorkeuren en toepassingen van kleuren volledig op toeval te berusten. Zo zit ik hier te typen in éen van hun broeken en daar is aan de binnenkant van mijn linker bovenbeen over een stuk naad van 35 centimeter een zwart garen gebruikt dat in de gehele broek verder ontbreekt. Mocht bij het snijden van een voorpand er net een stukje te kort schieten, dan schijnen de naast de naaitafel gevallen restjes ter aanvulling vrijwel ogenblikkelijk soelaas te bieden. Opmerkelijk bij dit alles is dat dat toch elke keer tot een smaakvol geheel leidt, wat de optie dat het zou kunnen gaan om (kleuren)blinde coupeurs of coupeuses eigenlijk uitsluit. Die broek van mij is zo ongeveer het meest klassieke kledingstuk, vooral ook wat stof betreft, dat ik bij hen heb aangetroffen, al trekt de gulp helemaal open zodat iedereen vrij uitzicht heeft op de knopenselectie. Vandaar dat ik het andere resterende exemplaar uiteindelijk ook maar heb aangeschaft, maar de éen heeft steekzakken (heel klassiek!) terwijl de andere opgestikte zakken heeft waarin zonder enig probleem de pocketeditie van de verzamelde Sherlock Holmes kan worden meegedragen, mocht ik daar prijs op stellen; iets minder klassiek, dus. Toch is het best leuk om die verhalen van Conan Doyle eens achter elkaar te lezen, en dat heb ik, een paar jaar geleden, dan ook reeds gedaan. Voor de verzamelde essays van Orwell is zo’n zak dan weer te klein, zeker in onze gebonden uitgave, maar die moet je ook meer savoureren dan in éen ruk lezen wanneer je bijvoorbeeld met de trein van Amsterdam naar Barcelona (en terug) reist.

Over hun keuzes gesproken: in een later, maar nog steeds zéer recent stadium van onze Werkhaus-aandoening werd ons verteld dat ze, zoals we reeds vermoedden, een tamelijk eenvoudig aankoopbeleid wat betreft de toe te passen stoffen hebben: in tegenstelling tot ambitieuze en beroemde couturiers ontwerpen ze niets zelf, maar kopen restrollen en coupures bij de kledingbranche op die anders verbrand zouden worden (dit lugubere detail wordt ons verteld door Luis, die ons een paar dagen later, tegen alle Corona-regels in, aan het Singel enorm leuk terzijde staat bij het erweiteren van onze collectie). Dat gebeurt met veel inzicht in het karakter van het eigen merk, al zal het elke keer een uitdaging zijn om de mooiste toevalstreffers met elkaar te combineren. Zo heeft Das Werkhaus een reeks broeken gepubliceerd die elkaar in het clowneske van de troon proberen te stoten. De patronen maken een farce van elke Tartan, dus waar die vandaan komen mag Joost weten. Geheel zoals verwacht springt het knopenbeeld al snel in het oog, maar niet voordat de stofkeuze het opzetten van éen of twee zonnebrillen heeft aangemoedigd. Daarnaast was blijkbaar het beslist niet willekeurige doel om het kruis (m/v) tot even bezuiden de knie te laten reiken. Dat is voor mij absoluut niet comfortabel (ook in mijn vrije tijd rap ik niet), maar ze kunnen er, selbstverständlich, wel veel meer van die knopenvoorraad op kwijt.

Wat m/v aangaat: geslachtelijkheid speelt bij Das Werkhaus geen enkele rol. Vooral vanuit de gedachte dat iedereen alles aan kan en mag. En met genderneutraliteit wordt al helemaal niet gekoketteerd, eerder met iets tegenovergestelds dat ik zou willen noemen: Individu-uitgesprokenheid! Dat wil niet zeggen dat bij elk stuk rekening is gehouden met een boezem, maar in de meeste gevallen wel. Mijn broek en mijn gilet passen Edna zeker niet en gaan bij mij net goed op mijn scharminkelig lichaam. Van alle andere verworven stukken zou je kunnen denken dat ze me staan als weggewaaide lakens om de takken van een half-volgroeide berkenboom, maar dat is niet zo (ceinturen komen trouwens ook nauwelijks voor in het Keulse idioom. Af en toe kan daar op inventieve wijze en stijlgetrouw door de drager (m/v) zelf iets worden gevonden). Niet dat mijn mannelijkheid extra kracht bijgezet krijgt, maar een eigenaardige, uitgesproken elegantie wordt me wel toegevoegd, ook al zal die niet ieders smaak zijn. Maar wat kan mij dat bommen.

Zondag en maandag werd door onze nieuwsgierigheid de collectie weer danig uitgebreid en door Edna in twee papieren tassen opgehaald. De op al die tassen aangebrachte labels met mijn naam en bestelnummer erop functioneren inmiddels als boekenleggers, want daar hebben we een chronisch gebrek aan omdat we, ongeduldig en gretig als we zijn, alle aangeschafte lec- en literatuur dwars door elkaar heen lezen. Maandag aan het eind van de dag besloot ik eerder genoemde broek en gilet te bestellen en dinsdag konden we eindelijk samen de tijd vrijmaken om getweeën naar het Singel af te reizen. Ook dat bleek weer een niet geheel kosteloze exercitie te zijn, want onder begeleiding van de gemoedelijk meebabbelende Luis werden een kleurig (!) T-shirt, een comfortabel gewatteerd gilet en een klassiek ogend driekwart omslagvest aangeschaft. Gelukkig heeft Das Werkhaus geen brede, op mijn lijf geschreven selectie shirtachtige composities, want dan was het leed helemaal niet te overzien geweest. Hans en Edna dus opgewekt wandelend naar huis waar de catwalk al was opgesteld om in verschillende combinaties de Neuerwerbungen aan elkaar te tonen. Het touw, tussen twee balken in de slaapkamer gespannen en normaliter ter wasophanging dienend, is nu voorzien van de complete collectie waaruit elke dag bij het opstaan een verantwoorde keuze kan worden gemaakt.
We zouden natuurlijk zelf, bij wijze van Werkhaus-Web-Winkel, onze collectorsitems voor woekerprijzen weer van de hand kunnen doen, binnenkort, maar daarvoor is alles ons te dierbaar. Vanzelfsprekend niet zo dierbaar en lief als we elkaar zijn, maar dat overstijgt dan ook alles.

P.S.
Edna heeft trouwens ook dezelfde wederwaardigheden in een tekst ondergebracht. Die liet ze me gisteren lezen en het was waarachtig en ontroerend voor ons beiden om mee te maken dat we dezelfde elementen en bewoordingen gebruiken. Enerzijds niet verbazingwekkend omdat we van elkaar gewend zijn dat we elkaar geweldig overlappen in veel zaken des levens, maar toch weer aangrijpend. Ze schrijft heel mooi, maar veel compacter dan ik, dus zonder mijn uitweidingen vol zijwaarts geouwehoer. Mocht haar tekst een keer ergens zichtbaar worden dan stel ik u op de hoogte.

Amsterdam, 15 januari 2021

P. P. S.

Label aan m’n tas met nieuw spul – 17 februari 2021 – Lief hè?

Honderd Dronken Cardiologen

In de bundeling uit 1995 van fraaie gesprekken met cabaretiers over hun vak, spreekt Coen Verbraak ook met Martine Bijl. Martine vond ik, al ontmoette ik haar nooit, éen van de spitsvondigste vrouwen van Nederland en, voor zover mijn kennis reikt, stak ze ook de meeste vrouwen van buiten onze landsgrenzen naar de kroon. Amy Schumer, bijvoorbeeld, is op een onverschrokken manier aanstekelijk, maar als we in een wereld zouden leven waarin het schokken en geschokt zijn afgedaan hadden, zou er weinig talentvols overblijven. Van Martine Bijl daarentegen vrijwel alles. Als haar naam genoemd wordt word ik vrolijk, al realiseer ik me dat zich achter haar hilarische, publieke karakter een serieuze, bedachtzame en zeer intelligente vrouw verborg. Haar humor had voor mijn gevoel, met alle respect, altijd een Januskop: vrolijkheid in het volle besef dat je altijd wel moest blijven oppassen. Ik wil het even niet beter uitdrukken.

In Verbraak’s gesprek met Bijl vertelt zij hem over de lange periode in haar theaterleven voordat ze haar eerste eigen voorstelling durfde te ontwikkelen. Zo meldt ze bijvoorbeeld: “Je leert veel van het spelen voor een zaal met honderd dronken cardiologen tijdens een dinertje.”

– Beslist NIET dronken cardiologen van het Radboud UMC … –

Bijl bedoelt hiermee natuurlijk aspecten van haar leerproces als cabaretière inzichtelijk te maken, maar de zin is zo onbedaarlijk grappig, zo méer dan overdacht scherp geformuleerd. Ik kon, na het lezen hiervan, enkele minuten niet ophouden met luid lachen, terwijl ik toch kort daarvoor gesprekken met Joep en Freek had doorgenomen: nog geen glimlach kon daar bij mij af. Alle minuten gingen bij hen op aan staren, leunen op tafelbladen of zwijgen met gesloten ogen achter brillen.

Het tweevoudige, drievoudige, wonderschone binnenrijm in die “honderd dronken cardiologen” is al geweldig, maar het aantal (een redelijk groepje publiek voor éen beginnend comédienne), de vermelding van de alcoholische intoxicatie en van de door haar gekozen beroepsgroep van specialisten, schuiven deze mededeling ver over de schreef van een aannemelijke anecdote. Het benoemen van de gelegenheid, “het dinertje”, rondt de boel mooi af. Maar de andere kant van de medaille laat ze bewust een rol spelen. Haar stem, haar lichaam, door roodneuzige zatlappen bespot voor een fooi …

Ik ben er vrijwel zeker van dat ze, tijdens deze fase van het interview, zittend aan haar keukentafel, het tafereel ter plekke verzon, maar het zo omschreef omdat het zo fijn was om te zeggen. Ook al zal ze evenredige ervaringen in haar vroege carrière zeker gehad hebben. Gewoon omdat ze wist dat het gaaf uit haar mond kon komen, het lekker klonk, en het  illustreerde wat ze wilde illustreren. Op stoom gekomen schoonheid!
Ik beoog bij dezen niet een hagiografie over Martine Bijl te schrijven. Wat ik bijzonder vind is dat ze op deze manier iets vertelt over het opbouwen van ervaring. Over het je eigen maken van iets waarvan je je nog niet eens bewust kunt zijn waartoe het leiden zal.

Onlangs lag ik, voor iets relatief onbenulligs, een paar dagen in een ziekenhuis. In de loop van die dagen kwam een paar maal per dag een jonge vrouw langs om een aantal wensen van mij en mijn kamergenoten, twee oudere dames zonder ambitie, te vervullen of om onze bloeddruk te meten of ergens iets in te spuiten, een weinig antistollingsmiddel in mijn buik, bijvoorbeeld. Een sportief, nieuwsgierig en vrolijk meisje van voor in de twintig, dat als stagiaire tijdelijk op onze afdeling werkte.
Omdat ik in mijn leven heb geleerd om ook interesse in een ander te tonen vroeg ik haar hoe ver afstuderen nog van haar vandaan lag. Elf jaar, antwoordde ze. Wat word je dan?, was mijn vraag, verbaasd over de door haar genoemde periode. “Neuroloog!”, zei ze opgewekt en trots.
Dit lijkt twee mensen met elkaar te verbinden: Martine Bijl en deze jonge vrouw wier naam ik me niet meer herinner. Annemie?
Die verbinding bestaat ook, maar niet vanwege Annemie’s vooruitzichten. Martine vertelt over haar leerproces, er op terugkijkend, en Annemie reflecteert op haar toekomst in de zekerheid dat als ze voor mij een banaan haalt, een pijnstiller, of mij in de rolstoel helpt, ze als het ware op het podium van haar voorland aan het klauteren is, met het oog gericht op de zekerheid van onzekerheid. Het zelfvertrouwen van Annemie wekte grote indruk, misschien mede omdat neurologen ook best een borrel lusten.

Een mens leert door dingen te doen, daarna soms door dingen na te laten, of doordat er iets verboden wordt of, een enkele keer, geadviseerd. Op school leerde ik zelf iets meer voor de vorm dan vanwege de inhoud, pas daarna het omgekeerde. Vorm en inhoud horen natuurlijk bij elkaar, maar door passen en meten leer je die veel later in elkaar te schuiven. En sommige mensen leren het nooit.
Zaken afleren hoort ook bij het leerproces; het is allemaal wat ingewikkeld. Martine Bijl vertelt in het gesprek over een liedje dat ze onderdeel van haar eerste programma maakte. Een liedje waarvan ze de inhoud helemaal kon bevestigen. Maar de toon van de tekst hoorde helemaal niet bij haar. Zie die tegenstelling maar eens op voorhand te herkennen. Na een paar voorstellingen besloot ze het te schrappen.

Je beweegt je als aankomend performer, maar ook als mens dat zich ontwikkelt, in een biotoop waarvan je de spelregels niet kent, waarin je de wapens van het duel niet eerder hebt gehanteerd, niet eens het en garde-moment. Je omgordt je met een vrolijk gekleurde band om je kamerjas, je niet beseffend dat je een judo-arena betreedt.
Al doende leert men, zeker, maar plakt het geleerde dan ook aan het voorafgaande vast? Of blijven ervaring en gedrag zich nog enige tijd parallel aan elkaar bewegen zonder te convergeren?
Je kan in een café een borrel naast een biertje bestellen. Blijkbaar zijn er voor drinkers dan twee mogelijkheden: je drinkt van het éen en je nipt van het ander. Of je kiept de borrel in het bier, sommigen doen het met glas en al. Ze drinken gulzig, en vragen om een volgende ronde, niet alleen voor zichzelf. Langzamerhand houd het trillen op; dat hebben ze geleerd.

“Ik zoek niet, ik vind”, zei Picasso. Wat betekent dat wanneer we dat op leren projecteren? Bedoelde hij dat dingen hem maar kwamen aanwaaien? Dat hij wat met zijn kwasten zwabberde? Ja!, zouden mijn ouders hebben gezegd, Piet Kassa, zo noemden ze hem, want die waren behoudend, ondermaats nieuwsgierig en nauwelijks sprankelend. “Jawel, Frank Sinatra heeft wel eens een mooi liedje gezongen”, zei mijn moeder dan. En ik maar denken: “Waar komt al die schoonheid dan vandaan?”. Je kunt dus ook iets leren doordat het je onthouden wordt, of dat het tegenbeeld je wordt voorgehouden. Maar daaropvolgend is zoeken een vereiste. Pablo Ruiz, zijn moeders naam was Picasso, wist, evenmin als Annemie en Martine, waar en hoe zich zijn succes zou ontbolsteren. Hij was een trotse man, evenals Martine een trotse vrouw was en zoals Annemie zeker is en zal blijven, dus vormen van zelfvertrouwen bestaan, hoewel je ook moet leren om dat te geloven.

Voor mij was er veel níet te vinden, althans niet volgens Pablo’s adagium. Het tevergeefs zoeken had bij mij de overhand. Maar een enkele keer kon ik ook wel eens ergens tegen aan lopen … Of ze liepen tegen mij aan.
Ik was vroeger, en dat is niet om op te scheppen, een verschrikkelijk mooie jonge jongen, zei men. Ik was de tweelingbroer van Dorian Gray. Hoe kan je zo’n ijdele uitspraak verdedigen? Ik was, als jongetje en dat besef ik nu, die bovengemiddeld fraaie puber, want gelukkig hebben we de foto’s nog. Zeer vele jonge vrouwen, meisjes, soms ook mannen, werden verliefd op mij, maar daar had ik niets over geleerd. Ik had nog niet opgetreden voor honderd dronken cardiologen. Wel een keer pluisje geblazen op een feestje in Hillegom, maar daarmee was ik niet op het weg naar het podium. Ik wist van niets en van elke jonge vrouw die me wilde laten oefenen keek ik weg. Vallen als een dauwdruppel was, als leerschool voor mij te veel, maar uiteindelijk vond zo’n druppel mij (hier ben ik waarschijnlijk ook schatplichtig aan Oscar Wilde). Ik zal haar naam niet noemen, maar ze weet wie ik ben.

Daarna ging het oefenen door, zij en ik, zij aan zij, maar vooral ik.
Wist ik veel. Ik deed maar wat. Sommige dingen kon ik goed en andere deed ik zeer slecht. Maar de grote vraag was wat ik moest leren, wat we moesten, of wat we aan het leren waren. Mijn oudere schoolvriend was enorm in de weer met zijn 16-jarige vriendin, hij kon het ruiken wanneer zij menstrueerde. Dat had ik nog niet geleerd, want daarover zong Bruce Springsteen niet.

Hier in het open raam staat mijn plant met rode bloesems. Die draai ik regelmatig, zodat het groen zich gewent aan het daglicht, en dat er dus voor leert om rondom uit te groeien. Geen Tournesol, gewoon een huiskamerplant, je ziet hem sinds kort gelukkig vaker.

Het is nu twee uur ’s nachts, dus geen zon. Maar door het venster komt geluid binnen. Opmerkelijk genoeg is er nog een klokkentoren die vanwege het tijdstip slaat, ergens, erg onzuiver (geen Hemony-klokken!), ver weg. Het is dat uurwerk niet afgeleerd om zo laat nog te slaan. Het doet z’n best; het oefent de afstand tot mijn oor, per seconde driehonderd meter.
Martine had waarschijnlijk, een ooglid nauwelijks verbaasd optrekkend, iets gezegd in de trant van: “Ach, het kind weet niet beter.”

P. S.
Hieronder een prachtige en toepasselijke tekening van de onovertroffen Hein de Kort.