La petite Mort *

Omdat in april 1975 mijn jaren des onderscheids reeds enigszins onderweg waren, maar ik nog wel thuis in Haarlem woonde, was ik, wegens ontstentenis van een fatsoenlijke hi-fi-installatie, voor de informatie over recente ontwikkelingen op muziekgebied vooral afhankelijk van mijn eenogige radio die soms wel, maar soms ook niet, beluisterbare signalen doorgaf. Daarnaast was onze achtertuin een belangrijke bron, want die grensde aan éen van de weinige achterbuurten van Haarlem. Die achtertuin heette bij ons het BB-plein, want de vrijwel volledige betegeling van het buitenplaatsje, waar ik met mijn jongere broers en zussen aan rolschaatsen en trefbal deed, was aangelegd door mijn vader en een oudoom. Beiden heetten Bernard, dus vandaar BB** (en zonder ook maar enige implicatie van de borsten van Bardot, want als die al bij ons bekend waren, dan alleen in gecensureerde vorm).

Volgens mij moet er nog steeds een Place BB worden aangelegd, al zijn haar rechtse sympathieën walgelijk, natuurlijk.

Over onze achtertuin heen werd vanuit de wijde omgeving volop, in tegenstelling tot binnenshuis, rock- en popmuziek gespeeld. En luid ook, want in dat buurtje achter ons trok niemand zich iets van elkaar en van ons aan. Ik had daar, jaren eerder, Tom Jones al leren kennen, Dusty Springfield en The Beatles, om een paar voorbeelden op te sommen die me nog steeds dierbaar zijn. Verder had ik wat schoolvrienden die thuis wèl alles mochten beluisteren en die me, op basis daarvan, regelmatig konden bijpraten en bijspelen. Naast de achterburen heb ik hen veel te danken (Bruce Springsteen, Jackson Brown, Bonnie Raitt, Sam Cooke, & zo voorts).

Ik haat nostalgie omdat ik binnen dat concept steeds aan van alles en nog wat terug moet denken terwijl ik eigenlijk zeker weet dat het beter is om iets anders te overwegen. Maar ik ben dol op zaken die me m’n hele leven bijblijven en die steeds actueel zijn, om het maar eens te zeggen op een manier die de gemiddelde journaalkijker aanspreekt. Stemmen en melodieën die voortdurend een nieuwe waarde of betekenis blijken te krijgen. Alles bij elkaar geen oorspronkelijk idee van mij, maar originaliteit is ook maar zo lang als ze breed is.

In mijn nogal late bloei, of eigenlijk nog steeds behoorlijk in de knop, besefte ik niet dat ik Minnie Riperton’s Loving You in verband behoorde te brengen met het vrouwelijk orgasme. Ik was in 1975 pas 18 en zij al 28 toen ze het nummer ter wereld bracht. En al heb ik intussen wel een behoorlijk paar vrouwen horen klaarkomen, via het web of in de dagelijkse praktijk, nog steeds zie ik het verband niet helemaal (wel een beetje, vanzelfsprekend), al kwam een vorm van extase wel degelijk over.


Extase van de heilige Theresia van Ávila door Gian Lorenzo Bernini. Mooi hè?

Ik vind het ook een volstrekt enkelvoudige interpretatie. Eenieder is natuurlijk gerechtigd om haar of zijn interpretatie van een of ander nummer aan te hangen, maar toen ik ooit eens meemaakte dat de NCRV het lied Walk on the Wild Side van Lou Reed op de radio afspeelde alsof het zijn hit Perfect Day betrof, vielen me toch een paar schellen van de oren. Het is dus kortom wat je met een lied wilt.
Ik ben van mening dat Loving You de véel betere versie is van When I’m 64 van The Beatles/McCartney: “Will you still need me, will you still feed me …”. Liefde wordt hier wel geïmpliceerd, maar schittert in de tekst door afwezige geldigheid. Het gaat bij “64” natuurlijk met name om een toespeling op slechts éen andere leeftijdscategorie, maar die impliceert Riperton net zo goed; liefde inclusief het ouder worden: And we will live each day in springtime. Liefde die jong is en blijft, die klaar komt met een perspectief op de tijd.
Een vergelijking met Wuthering Heights van Kate Bush dreigt ook op de voorgrond te treden. Bush en Riperton hadden beiden een klassieke zangopleiding en waren dus kundige vakvrouwen. Hoe fraai Kate’s compositie en uitvoering ook zijn, er dringt zich een zekere gekunsteldheid, een naar adem zingen, op. De uitvoering van Riperton ademt een overweldigende natuurlijkheid, tot in de verste hoeken van de melodische extremiteiten; het blijft een loflied, een aubade, een ochtend- en een avondzang, een belofte en een verheerlijking.

Wat denken de tv-kijkers bij de recente reclame van de Jumbo-supermarktketen? Het bureau dat de reclames verzorgt moet ermee bij de familie Jumbo zijn aangekomen; ze zullen geen carte blanche hebben. Omdat de rechten op het gebruik ervan niet geheel gratis zullen zijn geweest, zal de familie volledig zijn geïnformeerd over het lied en zijn geschiedenis en interpretaties.
Omdat Minnie Riperton (bijna gemakkelijk) over een enorme tessituur beschikte die ze in Loving You volledig inzette, moet het ontroerend element van deze compositie en uitvoering een overtuigende impact op de familie hebben gehad. En dat het bureau dus met een vette knipoog mag verwijzen (of de kinderen toevallig niet even de hond moeten uitlaten, zodat vader en moeder elkaar in hun liefde voor elkaar nog eens kunnen “verheffen”) naar liefde, ook naar “de liefde” die een gezinsvorming heeft opgeleverd. Dus niet in puber- of twintigersjaren van waaruit Riperton in eerste instantie zong, geeft aan dat de familie een begripsvolle vrijbrief heeft gegeven aan de makers. En heeft het ook bij die familie een besef, en oude en nieuwe gevoelens, wakker gemaakt (ik verzin maar wat)?

Uit “de oude doos” is iets tevoorschijn gekomen, dat de actualiteit actueler maakt. Loving You is voor iedereen te begrijpen, aan te voelen. Ik zou bijna zeggen dat het een lacune, een leeggelopen vijver, vult. En het is, in deze problematische tijden, waarschijnlijk een hartenschreeuw namens veler borst. En in zekere zin een pleister op menige wond.
Dat je van Loving You ook nog eens de godganse dag niet meer af komt en het, zoals E. en ik, luid op straat zingend (en toevallig op weg naar de betreffende supermarkt), aan de wereld ten gehore brengt, is een bijkomend voordeel, waarvoor soms redenen te over zijn …

*
https://www.misssteel.nl/blog/la-petite-mort-uit-emily-in-paris/
Om maar te verwijzen naar een blijkbaar actuele Chiclets-serie op éen of andere aanbieder …

**
P. S.
Mijn goede vriend B. mailt me zojuist, zeer waarschijnlijk na het lezen van mijn tekst, een uitvoering van Je t’aime door BB en Serge Gainsbourg. Luister en beoordeel zelf of het past binnen de context van mijn goeie bedoelingen.

E-mail aan mijn lieve vriend P.: “What am I supposed to do now?!”

Lieve P.,

Zondagmiddag 31 januari 2021, dus nu ben jij weer aan de beurt. Niet dat ik veel hemelbestormends te melden heb, maar ik vind het leuk om iets van me te laten horen. De dag van vandaag maakt zijn naam waar: als ik vanuit het raam, hier bij Edna, de Westertoren wil bekijken moet ik mijn ogen half dichtknijpen, zo fel en mooi schijnt de zon vanuit het Zuiden tegen mijn blik in. Edna en ik zitten hier aan tafel, ieder achter een Lap Top. Zij schrijft aan een kunstenaar over een mogelijke herpublicatie van een tekst van haar hand ter gelegenheid van een te komen overzichtstentoonstelling en ik schrijf aan jou. Het is dus fraai weer, hiero, en dat zal bij jou in Bergen ook wel zo zijn.

Het appartement van Edna is nog een ander uitzicht(je) rijk, namelijk vanuit het entreehalletje middenin het onroerend goed, over een soort binnenplaats waar ik, wegens de afmetingen en mijn hoogte (tweede verdieping van een voormalig schoolgebouw), geen kijk op heb. Daar rook ik, me meestal vervelend (behalve als er een enkele keer een aalscholver, nooit een torenvalk, overvliegt) bij het openstaande raam steeds halve sjekkies.


De Aalscholver (“Scholven” is trouwens geen werkwoord)

Gisterenavond, toen het dus al stikdonker was, deed ik dat ook. Het eerdergenoemde uitzichtje ziet uit op het zijbalkonnetje van de aanpalende woning. Daar had zich, ietwat eerder dan mijn rookaanvang, een liefdesspel ontsponnen. Niet zomaar alleen zoenen, want, hoewel ik de details niet kon waarnemen, bijvoorbeeld van de respectieve geslachten van het stel, was aan de akoestische informatie en de geringheid van de conversatie wel vast te stellen dat ze naar meer bij elkaar op zoek waren en waarschijnlijk al onderweg. Nou moet je weten dat het ook nog eens minimaal éen graad onder nul was, dus van deelse ontkleding was geloof ik nog geen sprake, al speelde ook hier mijn beperkte nachtvisie me parten. Toen ik een meisje (want die stem was onmiskenbaar) hoorde vragen: “And what am I supposed to do now?” heb ik het licht maar aangedaan, niet wachtend op het antwoord, wat resulteerde in een onbedaarlijke lachbui bij de twee. Omdat mijn roken snel daarna ten einde was heb ik hen maar aan hun lot vol intimiteiten overgelaten. Ik ben natuurlijk dolnieuwsgierig naar wat er allemaal op volgde, maar ben toch niet van plan om me daaromtrent verder te informeren door bijvoorbeeld bij hun aan te bellen. Dat zou een verkeerde indruk wekken, ben ik bang, want we spreken elkaar verder nooit.

Tussen de eerste en de tweede alinea van deze mail zit trouwens een paar uur afwezigheid van ons tweeën, want, naast dat het buiten te mooi was om af te zien van onze dagelijkse wandeling, moesten we ook een elektrische decoupeerzaag terugbrengen naar T. Die hadden we geleend, de zaag, niet T., om, door het afzagen van uitstekend hout, genoeg ruimte te maken voor een nieuwe koelkast in Edna’s keuken. T. noodde ons binnen op zijn atelier waar we bij een kopje thee genoeglijk babbelden over de ontwikkeling in zijn recente werk. Dat was leuk, want Edna is al jaren bevriend met hem en tussen mij en T. ging het ook altijd prima, mede omdat hij bij Lumen Travo exposeert en daar ook altijd op openingen was. Dan spraken we elkaar regelmatig.
Hans dus weer sinds jaren en jaren op “atelierbezoek”, ’t is wat …
Zo zie je maar dat het op een zondag in het Jordaanse Ondermaanse helemaal niet saai hoeft te zijn, ook al woont en werkt T. precies tegenover Galerie Onrust aan de Planciusstraat, ten zuid-oosten van Amsterdam-West, dus net buiten Le Jardin.

Nu, tegen vijven, wordt het zo langzamerhand tijd om te gaan afwachten of mijn idioot lage bod, want meer hoefde niet, op de fraaie VOUS ETES ICI-prent van geweldige kunstenaar Han Schuil geaccepteerd zal worden, of dat er een volwaardige tegenstander opstaat tegen wie ik me, met meer geld, zal moeten verzetten. Het gaat om zo’n joekel (zie afbeelding: 160 x 120 cm + lijst, je kent hem wel, in de geringe oplage van 16), waarvan ik er zelf nog best wel 2 of 3 in bezit heb, want ik was per slot de uitgever. Maar deze komt in de oorspronkelijke Profilex-lijst en die kost zonder kunst al een kapitaal om te bestellen, dus het is een win- winsituatie.

Eigenlijk een win-, win-, winsituatie, want Edna vindt hem ook erg mooi, dus als ik hem win, Deo Volente (zie de initialen daarvan door je oogharen), dan geven we hem een plek hier in het pand om te laten zien dat we niet van de straat zijn. Vanaf 20.00 uur vanavond begint de internetveiling af te lopen, dus we gaan gespannen tijden tegemoed, zoals je begrijpt.

P.S.
Ik heb hem. Nu nog even het transport organiseren en kijken of we er eigenlijk wel plek voor hebben …

De jeugd van tegenwoordig

Vanaf de dag dat ik kennismaakte met het werk van Harma Heikens (ergens in 1992, meen ik, op een tentoonstelling in de Amsterdamse kunstenaarssociëteit Arti & Amicitiae), heb ik haar werk gevolgd, werken van haar verworven en haar persoonlijk leren kennen.
Hoewel de grote privé- en institutionele collecties altijd om haar werk zijn blijven heen draaien, verwierf Heikens met haar kunst per direct enthousiaste volgers, kopers en criticasters. Dat overkomt niet elke jonge kunstenaar die esthetische kwaliteiten weet te combineren met een wrange visie op onze wereld. Sterker nog: waardering wordt in de publieksbreedte eerder voor kunstuitingen opgebracht die zouden uitblinken in vakman- en vrouwschap in de vorm van de ‘Oh, wat knap gedaan!’-variant.
Nou blonk het werk van Heikens van begin af aan zeker uit in de categorie Knap Gedaan, maar de reacties erop werden vaak overschaduwd door wat ze met haar vakvrouwschap aan de orde stelde. Op een weergaloos uitgevoerd borstbeeld van Sneeuwwitje met acne zat overduidelijk niet iedereen te wachten, alhoewel het wel meteen een koper vond. En een volwaardige voorloper van Cattelan’s Him (2001) is Heikens’ A Boy van 10 jaar eerder, weliswaar op een andere manier tentakels uitslaand naar interpretatiemogelijkheden, maar inhoudelijk evenwaardig belangwekkend. Beide sculpturen roepen vragen op in het gebied van ‘Wie of wat zijn wij en hoe heeft het zo ver kunnen komen?’.


Maurizio Cattelan – Him, 2001 > Harma Heikens – A Boy, 1991

Het is me in mijn levensloop, die zich grotendeels ontwikkelde langs paden van beeldende kunst, intussen wel duidelijk geworden dat liefhebbers van kunst, zelfs de professionele, zich het liefst laten leiden door eenvoudige, verhalerige lijnen: nature (Heikens in haar Hitler-baby) versus nurture (Cattelan’s om vergeving knielende en biddende Hitler) bijvoorbeeld.
Een enkel kunstwerk (en deze twee zijn exemplarisch) kan zijn vleugels op een verhalende manier uitslaan en de beschouwer in vervoering brengen door die narratieve aspecten, zeker. Maar is het niet veel interessanter om naar thematische overlappingen en gelaagdheden te zoeken in het gehele oeuvre van een kunstenaar? En dan pas te variëren in gedachtes over ethische, intellectuele en esthetische krachten in het individuele werk en er natuurlijk en eventueel van te genieten.

Wat betekent bijvoorbeeld het werk Mother, 1999 van Cattelan in verband met Him en is er een reciproke relatie? En is Welcome to the jungle uit 2007 van Heikens in verband te brengen met haar eerdere Hitler-referentie? Kruisverbanden in de artistieke ontwikkeling worden door kunstbekijkers of historici tegenwoordig zelden actief aangelegd, misschien omdat ze intellectueel te vermoeiend schijnen.


Harma Heikens – Sorry, 2013 > Maurizio Cattelan – Mother, 1999

Behalve door het scherpste deel van de kunstmarkt wordt ook een hoog poëtisch gehalte in de beeldende kunst niet in de breedte gewaardeerd. Daarvan zijn er vele voorbeelden te geven, maar ik wil me hier beperken tot het noemen van het meervoudig uitgevoerd werk Perfect Lovers van Felix Gonzalez Torres: twee ronde, tegen elkaar aan geplaatste, elektronische klokken die, met een seconde verschil, dezelfde tijd aangeven.

Binnen de naoorlogse kunst wordt het oeuvre van Andy Warhol beschouwd als commercieel effectief, technisch maar zozo en inhoudelijk oppervlakkig. Dat het een hoog Eros en Thanathos-gehalte heeft, naast humaan en aards, maar ook met religieuze aspecten (kruisen, hamer & sikkel), wordt gemakshalve over het hoofd gezien want daar verkoop je geen koektrommels mee. De zelfportretten van Warhol gaan over de dood, maar het is beter dat we daar als kippen zonder kop niet naar kraaien (pun intended). Kraaien vliegen boven een korenveld, dat wil men wel begrijpen, als een laatste blik op een wereld vol pijn en eenzaamheid; het Laatste Schilderij van een kunstenaar die met verf op doek demonen probeerde te lijf te gaan.

Wanneer we een woord gebruiken in het dagelijks leven kunnen we ons niet steeds bewust zijn van de geschiedenis van dat woord, van de etymologie en dat hoeft ook niet. We gebruiken het woord om zinnen in orde te krijgen, om die zinnen samen te laten vallen met wat we willen zeggen of ze te laten bedoelen wat we, eerder, wilden gaan zeggen.
Een woord, met al zijn historie, is nooit een kunstwerk. Een zin meestal evenmin, al zijn hier uitzonderingen op. ‘Alles van Waarde is Weerloos’, bijvoorbeeld, net zoals: ‘Alles is Weer Waardeloos!’. Meestal ontstaat taalkunst uit een rangschikking van woorden, zinnen en daarmee een volgorde of een reeks van begrippen die soms zo oorspronkelijk kunnen zijn dat we ze uiteindelijk onderbrengen in het gebied van de kunst, poëzie of proza. Veel mensen zijn zich er nu nog van bewust dat ze Cruyff of Koot & Bie citeren. Gerrie Knetemann (‘De Dood of de Gladiolen’) raakt al op de achtergrond en dat geeft niks.
Een recente Volkskrantreclame maakte omgang met taal in communicatie op een heldere wijze duidelijk: mensen die tijdens een rookpauze (?) met elkaar slechts in krantenkoppen spraken. Of je dat verschijnsel vertrutting moet noemen weet ik niet, maar het snijdt wel aan dat het uitwisselen van informatie kenmerken kan hebben van Het Niet Uitwisselen van Informatie. Een surrogaat van communicatie, dus: we doen alsof we contact met elkaar hebben, dus we volgen de spelregels van de uitwisseling van informatie. Maar de spelregels zijn de inhoud niet.
Op een dergelijke manier speelt men elkaar de afgelopen 30 jaar ook in de beeldende kunst de bal toe. Verdieping ontsnapt steeds meer aan de aandacht; gelaagdheid speelt geen rol meer. Maar waarom?

Gelukkig raakt religie, in Nederland tenminste, steeds meer op de achtergrond als waardensysteem en transportmechanisme van ideeën en normen. Maar waar hebben we onszelf nu mee opgescheept? Ja, normen en waarden die bepaald zijn en worden door de geschiedenissen van het socialisme, humanisme en kapitalisme; geen van alle uitblinkers in het vooropstellen en formuleren van een rol voor de beeldende kunst. Nou wil ik niet zeggen dat dergelijke ideologiën al lang en breed een alternatief hadden kunnen ondersteunen voor Giotto’s beenloze, maar door straalaandrijving voortgestuwde vrouw als engel, dat ook weer niet. Dat God per ongeluk is mee ontploft met de oerknal maakt vrouwenstemrecht nog wel in orde, maar tegelijkertijd kunst overbodig, tenzij het de burger kan verheffen of verbeteren: ‘De visch wordt duur betaald!’.

In de (zogenaamde) Outsiderkunst, vooral in die van scheppers die zich sterk met zichzelf bezighouden, vind je verbeeldingen van wanhoop, eenzaamheid en geïsoleerd zijn. En outsiderkunstenaars hebben altijd gelijk, formuleren dat in hun werk ook en laten zich daarop voorstaan. In de meeste gevallen kunnen we dergelijke oeuvres gerust monomaan noemen, of die nou erotisch, religieus of sociaal zijn aangestuurd. Dus verder niet nieuwsgierig naar wat zich in de wereld afspeelt. In hun geval geheel begrijpelijk natuurlijk en met vaak de mooiste resultaten, want hun prepositie sluit vaardigheid zeker niet uit.
Om terug te komen op de vertrutting: het lijkt wel alsof de kunstwereld (in de breedte) zich heeft ontwikkeld tot een outsiderwereld van kunstliefhebbers. En dat in een wereld die, in principe geen, of in ieder geval weinig, morele beperkingen oplegt.
Waren er nog maar moraalridders! Types die opkwamen voor totaal egocentrische normen en waarden. Ja die zijn er nog wel, maar dan in kringen van zeldzaam ziekelijke geloofsgemeenschappen.
Maar gewoon meegevoerd worden door de verbeelding van een kunstenaar, reflecteren op jezelf om van daaruit een dialoog te voeren of in discussie te gaan met je omgeving, op welk gebied dan ook, kunst als puntenslijper van een IK: dat zou wat zijn!

Amsterdam, september 2017

Een “must” voor hen die soms niet in optimisme geloven … (1): “Better Days”

Oorspronkelijk publiceerde ik dit bericht op 20 juli 2020, maar het heeft aan geldigheid gewonnen. “We” zijn eindelijk van Trump af en “we” krijgen een avondklok. Aanbevolen voor elk moment van de dag, maar zeker tussen 20.30 uur en sogges vroeg.

Dit nummer dient, zoals David Bowie achterop de hoes van Ziggy Stardust schreef, to be played at maximum volume.

Een eigen winkel …

Enige jaren geleden stond ik in een kassarij op mijn beurt te wachten. Voor me was een meisje van een jaar of achttien, een jonge vrouw dus, aan het afrekenen. Ze had zo’n enorme warenhuiskar vol met spullen geladen die ze samen met haar vader op de lopende band plaatste. Omdat ik me altijd overal mee bemoei informeerde ik belangstellend en tamelijk stellig of ze op kamers ging wonen. Ze antwoordde dat dat niet het geval was, maar dat ze thuis haar eigen IKEA begon. Een hilarische variant dus van “Bemoei je met je eigen zaken …”.

Sinds ruwweg drie-en-een-halve maand gaat het op het moment van dit schrijven niet meer om “ik” en “mij”, maar om “wij” en “ons”. We verblijven gezamenlijk de meeste tijd in de Amsterdamse Jordaan, omdat Edna daar nou eenmaal woont. We doen alles met grote inzet: lol maken, praten over van alles en nog wat, lezen en elkaar verwennen op vele fronten. Er blijkt zich in de wereld een rijk netwerk van gedachtenspinsels en details te vertakken waarin we onszelf opmerkelijk vaak bij de ander herkennen. Dat bestrijkt automerken, spontaan opkomende gedachtes en associaties, artisjokken, muziek, scherpe keukenmessen, Henri Matisse, lettertypes en andere vormgeving en chocolade. Deze opsomming moet beslist niet als volledig beschouwd worden, maar beoogt slechts de breedte van het overlappend spectrum te suggereren. Individuele verschillen, die zeker, maar met mate, ook bestaan, houden het boeltje tussen ons levendig en leiden niet tot een verwijdering of rancune, in tegendeel. Edna is er, om maar een idee te schetsen, intussen in geslaagd om mij het aubergineverwerkend vermogen bij te brengen wat een knap staaltje mag heten want ik word binnenkort vierenzestig.

Zo geschiedde het dat we afgelopen zaterdag, wanneer het altijd markt is op de Lindengracht en op de Noordermarkt en de wijde omgeving volgestouwd raakt met bezoekers die van heinde en verre komen om een stukje nagelkaas of een afgeprijsde spijkerbroek aan te schaffen, op onze dagelijkse wandeling door de buurt, waar bijvoorbeeld Jenny Arean woont, maar vaak ook over een deel van de zo fameuze grachtengordel (Connie Palmen, Jos van Merendonk, Thierry Bouw Det), terecht kwamen in de Haarlemmerstraat.

Deze is de laatste jaren enorm “(op)gepimpt” zodat je er heel veel spullen kunt kopen die je eigenlijk al hebt, maar nog niet in het lila of wél in het vierkant, maar nog niet driehoekig. Omdat Edna en ik nou ook weer niet alles kunnen weerstaan houdt dergelijk flaneren zeker bepaalde risico’s in, bijvoorbeeld de aanschaf van een piepklein lepeltje, ontworpen in 1938, om zout mee over je vegetarische biefstuk te strooien à € 58,00 (níet aangeschaft, hoor!). Weliswaar bleven directe aanslagen op de portemonnee uit, mede als consequentie van de heersende lock down die verordonneert dat winkels met een secundair en tertiair aanbod gesloten dienen te blijven. Maar een beetje etalageneuzen, waarin Edna en ik heel goed zijn en waarbij we oogvervuiling effectief weten te vermijden, behoorde ook deze keer tot onze ietwat lijzige tijdbesteding.
Wat ons in het winkelaanbod niet eerder was opgevallen was een filiaal van een Keuls bedrijf dat een geheel eigen en daar bovenop nog eens heel eigenzinnige kledinglijn voert, Das Werkhaus genaamd. In het voorbijlopen spoelden we snel de opname van onze schrijlingse waarneming af en besloten op onze schreden terug te keren om een en ander aan een nadere inspectie te onderwerpen. Later op de middag, maar ook gedurende de daarop volgende dagen zou blijken dat we hiermee een beslissing met consequenties hadden genomen.
Nadat we ons ruime ommetje vervolgde, ik een haring had gegeten op de sluis en we voor ’s avonds boodschappen hadden gedaan in de supermarkt van Max Verstappen kwamen we moegelopen maar verfrist (het was buiten vier graden boven nul) thuis. Het was behaaglijk in de huiskamer en Edna en ik namen, na het opbergen van de proviand, tegenover elkaar plaats aan tafel en openden onze respectievelijke laptops. In zekere zin hadden we dat laatste misschien ook beter niet kunnen doen.

Tijdens ons samenzijn van de afgelopen tijd hebben we nogal wat spul, nuttig en nutteloos, op internet besteld. Denk hierbij aan een nieuwe koelkast, twee vrijwel maar net niet identieke college shawls, een betere televisie, heel veel boeken (George Orwell, Joan Didion, Christopher Hitchens, Simon Schama en Anthony Bourdain, om maar een willekeurige indruk te geven), al hebben we ook de lokale boekhandels gesteund met live-aankopen toen dat nog mogelijk was, een bol van glaskunst, wijn en wat juwelen. Alles in geweldig goed en vrolijk overleg, maar heel soms, van mij uit naar Edna toe, als verrassing. Deze zaterdagmiddag echter zou een aantal dagen van min of meer manisch verkennen van het assortiment van Das Werkhaus en daaropvolgend bestellen inluiden. Het was Edna die de eerste stappen zette, waardoor ik tot drie keer toe om de tafel heen moest lopen om bij haar op het scherm mee te kijken, maar door haar aanzwellende nieuwsgierigheid en enthousiasme werd het mij al snel te gortig en begonnen we elkaar, terwijl onze onderlinge afstand in praktische zin niet meer dan 1,75 meter bedroeg, favoriete stukken over het internet toe te sturen. In eerste instantie leidde dit ook, je moet met goede voornemens ergens beginnen, tot het opmeten van elkaars schouder-, borst en heupomvang en been- en armlengtes. Mondjesmaat begon zich daarna het winkelwagentje te vullen om te resulteren in de verwerving van vier stukken, waaronder een tamelijk ingenieus vormgegeven doek die je, als alternatief voor het mondkapje, achter je hoofd kon strikken met een sierlijk effect tot gevolg, wat in deze gevoelige tijden een prestatie mag heten. Daarnaast hadden we besteld: twee vrijwel gelijke, langere omslagvesten en een gilet. Misschien nog iets meer, maar mijn geheugen wat betreft de opeenvolging van de orders laat me op dit moment even inhoudelijk in de steek al valt het verloop allemaal eenvoudig te reconstrueren aan de hand van de rekeningen, maar daar heb ik nu even geen zin in.

Vrijwel direct werd ons per elektronische post gemeld dat onze bestelling al was afgehaald. Naar later bleek was dit een foutje in hun e-mailprogrammering, maar het deed me toch naar de telefoon grijpen. De bestelling was wel klaargezet, zo vertelde mij een vriendelijke vrouw, maar was beslist nog niet door een namaak-Hans Gieles afgehaald. Na een kort tripartite overleg kon Edna direct met de fiets onze spullen aan het Singel (zoals veel Amsterdammers zeggen terwijl het toch eigenlijk dé Singel zou moeten zijn) in ontvangst gaan nemen, want daar hebben ze hun grote zaak annex showroom slesj outlet.
Dit was, kort samengevat, het begin van het feest.

Los van allerlei andere aspecten is het oeuvre van Das Werkhaus een waar paradijs voor de fourniturenliefhebber. Dat wil zeggen, zum Beispiel, dat wanneer een broek, een vest, een gulpsluiting, een jasje, behoefte heeft aan, zeg maar, drie of vijf knopen, ze er bij voorkeur een stuk of twintig toepassen en indien mogelijk meer. Daarentegen zijn er ook bepaalde stukken waaraan knopen vrijwel geheel ontbreken ook al vallen ze tot over de knie. Nou moet ik niet jokken, want in meerdere van zulke gevallen is er sprake van éen of drie boordknoopjes die waarschijnlijk moeten voorkomen dat het losjes gedragen, meerkleurige gewaad bij onstuimig weer het ruime sop kiest. De gekozen garens om door- of af te stikken of te biezen zijn, bij geconcentreerde beschouwing, ook vaak een lust voor het oog. En net als de stukken stof waaruit veel kleding is samengesteld, lijken specifieke voorkeuren en toepassingen van kleuren volledig op toeval te berusten. Zo zit ik hier te typen in éen van hun broeken en daar is aan de binnenkant van mijn linker bovenbeen over een stuk naad van 35 centimeter een zwart garen gebruikt dat in de gehele broek verder ontbreekt. Mocht bij het snijden van een voorpand er net een stukje te kort schieten, dan schijnen de naast de naaitafel gevallen restjes ter aanvulling vrijwel ogenblikkelijk soelaas te bieden. Opmerkelijk bij dit alles is dat dat toch elke keer tot een smaakvol geheel leidt, wat de optie dat het zou kunnen gaan om (kleuren)blinde coupeurs of coupeuses eigenlijk uitsluit. Die broek van mij is zo ongeveer het meest klassieke kledingstuk, vooral ook wat stof betreft, dat ik bij hen heb aangetroffen, al trekt de gulp helemaal open zodat iedereen vrij uitzicht heeft op de knopenselectie. Vandaar dat ik het andere resterende exemplaar uiteindelijk ook maar heb aangeschaft, maar de éen heeft steekzakken (heel klassiek!) terwijl de andere opgestikte zakken heeft waarin zonder enig probleem de pocketeditie van de verzamelde Sherlock Holmes kan worden meegedragen, mocht ik daar prijs op stellen; iets minder klassiek, dus. Toch is het best leuk om die verhalen van Conan Doyle eens achter elkaar te lezen, en dat heb ik, een paar jaar geleden, dan ook reeds gedaan. Voor de verzamelde essays van Orwell is zo’n zak dan weer te klein, zeker in onze gebonden uitgave, maar die moet je ook meer savoureren dan in éen ruk lezen wanneer je bijvoorbeeld met de trein van Amsterdam naar Barcelona (en terug) reist.

Over hun keuzes gesproken: in een later, maar nog steeds zéer recent stadium van onze Werkhaus-aandoening werd ons verteld dat ze, zoals we reeds vermoedden, een tamelijk eenvoudig aankoopbeleid wat betreft de toe te passen stoffen hebben: in tegenstelling tot ambitieuze en beroemde couturiers ontwerpen ze niets zelf, maar kopen restrollen en coupures bij de kledingbranche op die anders verbrand zouden worden (dit lugubere detail wordt ons verteld door Luis, die ons een paar dagen later, tegen alle Corona-regels in, aan het Singel enorm leuk terzijde staat bij het erweiteren van onze collectie). Dat gebeurt met veel inzicht in het karakter van het eigen merk, al zal het elke keer een uitdaging zijn om de mooiste toevalstreffers met elkaar te combineren. Zo heeft Das Werkhaus een reeks broeken gepubliceerd die elkaar in het clowneske van de troon proberen te stoten. De patronen maken een farce van elke Tartan, dus waar die vandaan komen mag Joost weten. Geheel zoals verwacht springt het knopenbeeld al snel in het oog, maar niet voordat de stofkeuze het opzetten van éen of twee zonnebrillen heeft aangemoedigd. Daarnaast was blijkbaar het beslist niet willekeurige doel om het kruis (m/v) tot even bezuiden de knie te laten reiken. Dat is voor mij absoluut niet comfortabel (ook in mijn vrije tijd rap ik niet), maar ze kunnen er, selbstverständlich, wel veel meer van die knopenvoorraad op kwijt.

Wat m/v aangaat: geslachtelijkheid speelt bij Das Werkhaus geen enkele rol. Vooral vanuit de gedachte dat iedereen alles aan kan en mag. En met genderneutraliteit wordt al helemaal niet gekoketteerd, eerder met iets tegenovergestelds dat ik zou willen noemen: Individu-uitgesprokenheid! Dat wil niet zeggen dat bij elk stuk rekening is gehouden met een boezem, maar in de meeste gevallen wel. Mijn broek en mijn gilet passen Edna zeker niet en gaan bij mij net goed op mijn scharminkelig lichaam. Van alle andere verworven stukken zou je kunnen denken dat ze me staan als weggewaaide lakens om de takken van een half-volgroeide berkenboom, maar dat is niet zo (ceinturen komen trouwens ook nauwelijks voor in het Keulse idioom. Af en toe kan daar op inventieve wijze en stijlgetrouw door de drager (m/v) zelf iets worden gevonden). Niet dat mijn mannelijkheid extra kracht bijgezet krijgt, maar een eigenaardige, uitgesproken elegantie wordt me wel toegevoegd, ook al zal die niet ieders smaak zijn. Maar wat kan mij dat bommen.

Zondag en maandag werd door onze nieuwsgierigheid de collectie weer danig uitgebreid en door Edna in twee papieren tassen opgehaald. De op al die tassen aangebrachte labels met mijn naam en bestelnummer erop functioneren inmiddels als boekenleggers, want daar hebben we een chronisch gebrek aan omdat we, ongeduldig en gretig als we zijn, alle aangeschafte lec- en literatuur dwars door elkaar heen lezen. Maandag aan het eind van de dag besloot ik eerder genoemde broek en gilet te bestellen en dinsdag konden we eindelijk samen de tijd vrijmaken om getweeën naar het Singel af te reizen. Ook dat bleek weer een niet geheel kosteloze exercitie te zijn, want onder begeleiding van de gemoedelijk meebabbelende Luis werden een kleurig (!) T-shirt, een comfortabel gewatteerd gilet en een klassiek ogend driekwart omslagvest aangeschaft. Gelukkig heeft Das Werkhaus geen brede, op mijn lijf geschreven selectie shirtachtige composities, want dan was het leed helemaal niet te overzien geweest. Hans en Edna dus opgewekt wandelend naar huis waar de catwalk al was opgesteld om in verschillende combinaties de Neuerwerbungen aan elkaar te tonen. Het touw, tussen twee balken in de slaapkamer gespannen en normaliter ter wasophanging dienend, is nu voorzien van de complete collectie waaruit elke dag bij het opstaan een verantwoorde keuze kan worden gemaakt.
We zouden natuurlijk zelf, bij wijze van Werkhaus-Web-Winkel, onze collectorsitems voor woekerprijzen weer van de hand kunnen doen, binnenkort, maar daarvoor is alles ons te dierbaar. Vanzelfsprekend niet zo dierbaar en lief als we elkaar zijn, maar dat overstijgt dan ook alles.

P.S.
Edna heeft trouwens ook dezelfde wederwaardigheden in een tekst ondergebracht. Die liet ze me gisteren lezen en het was waarachtig en ontroerend voor ons beiden om mee te maken dat we dezelfde elementen en bewoordingen gebruiken. Enerzijds niet verbazingwekkend omdat we van elkaar gewend zijn dat we elkaar geweldig overlappen in veel zaken des levens, maar toch weer aangrijpend. Ze schrijft heel mooi, maar veel compacter dan ik, dus zonder mijn uitweidingen vol zijwaarts geouwehoer. Mocht haar tekst een keer ergens zichtbaar worden dan stel ik u op de hoogte.

Amsterdam, 15 januari 2021

P. P. S.

Label aan m’n tas met nieuw spul – 17 februari 2021 – Lief hè?

Honderd Dronken Cardiologen

In de bundeling uit 1995 van fraaie gesprekken met cabaretiers over hun vak, spreekt Coen Verbraak ook met Martine Bijl. Martine vond ik, al ontmoette ik haar nooit, éen van de spitsvondigste vrouwen van Nederland en, voor zover mijn kennis reikt, stak ze ook de meeste vrouwen van buiten onze landsgrenzen naar de kroon. Amy Schumer, bijvoorbeeld, is op een onverschrokken manier aanstekelijk, maar als we in een wereld zouden leven waarin het schokken en geschokt zijn afgedaan hadden, zou er weinig talentvols overblijven. Van Martine Bijl daarentegen vrijwel alles. Als haar naam genoemd wordt word ik vrolijk, al realiseer ik me dat zich achter haar hilarische, publieke karakter een serieuze, bedachtzame en zeer intelligente vrouw verborg. Haar humor had voor mijn gevoel, met alle respect, altijd een Januskop: vrolijkheid in het volle besef dat je altijd wel moest blijven oppassen. Ik wil het even niet beter uitdrukken.

In Verbraak’s gesprek met Bijl vertelt zij hem over de lange periode in haar theaterleven voordat ze haar eerste eigen voorstelling durfde te ontwikkelen. Zo meldt ze bijvoorbeeld: “Je leert veel van het spelen voor een zaal met honderd dronken cardiologen tijdens een dinertje.”

– Beslist NIET dronken cardiologen van het Radboud UMC … –

Bijl bedoelt hiermee natuurlijk aspecten van haar leerproces als cabaretière inzichtelijk te maken, maar de zin is zo onbedaarlijk grappig, zo méer dan overdacht scherp geformuleerd. Ik kon, na het lezen hiervan, enkele minuten niet ophouden met luid lachen, terwijl ik toch kort daarvoor gesprekken met Joep en Freek had doorgenomen: nog geen glimlach kon daar bij mij af. Alle minuten gingen bij hen op aan staren, leunen op tafelbladen of zwijgen met gesloten ogen achter brillen.

Het tweevoudige, drievoudige, wonderschone binnenrijm in die “honderd dronken cardiologen” is al geweldig, maar het aantal (een redelijk groepje publiek voor éen beginnend comédienne), de vermelding van de alcoholische intoxicatie en van de door haar gekozen beroepsgroep van specialisten, schuiven deze mededeling ver over de schreef van een aannemelijke anecdote. Het benoemen van de gelegenheid, “het dinertje”, rondt de boel mooi af. Maar de andere kant van de medaille laat ze bewust een rol spelen. Haar stem, haar lichaam, door roodneuzige zatlappen bespot voor een fooi …

Ik ben er vrijwel zeker van dat ze, tijdens deze fase van het interview, zittend aan haar keukentafel, het tafereel ter plekke verzon, maar het zo omschreef omdat het zo fijn was om te zeggen. Ook al zal ze evenredige ervaringen in haar vroege carrière zeker gehad hebben. Gewoon omdat ze wist dat het gaaf uit haar mond kon komen, het lekker klonk, en het  illustreerde wat ze wilde illustreren. Op stoom gekomen schoonheid!
Ik beoog bij dezen niet een hagiografie over Martine Bijl te schrijven. Wat ik bijzonder vind is dat ze op deze manier iets vertelt over het opbouwen van ervaring. Over het je eigen maken van iets waarvan je je nog niet eens bewust kunt zijn waartoe het leiden zal.

Onlangs lag ik, voor iets relatief onbenulligs, een paar dagen in een ziekenhuis. In de loop van die dagen kwam een paar maal per dag een jonge vrouw langs om een aantal wensen van mij en mijn kamergenoten, twee oudere dames zonder ambitie, te vervullen of om onze bloeddruk te meten of ergens iets in te spuiten, een weinig antistollingsmiddel in mijn buik, bijvoorbeeld. Een sportief, nieuwsgierig en vrolijk meisje van voor in de twintig, dat als stagiaire tijdelijk op onze afdeling werkte.
Omdat ik in mijn leven heb geleerd om ook interesse in een ander te tonen vroeg ik haar hoe ver afstuderen nog van haar vandaan lag. Elf jaar, antwoordde ze. Wat word je dan?, was mijn vraag, verbaasd over de door haar genoemde periode. “Neuroloog!”, zei ze opgewekt en trots.
Dit lijkt twee mensen met elkaar te verbinden: Martine Bijl en deze jonge vrouw wier naam ik me niet meer herinner. Annemie?
Die verbinding bestaat ook, maar niet vanwege Annemie’s vooruitzichten. Martine vertelt over haar leerproces, er op terugkijkend, en Annemie reflecteert op haar toekomst in de zekerheid dat als ze voor mij een banaan haalt, een pijnstiller, of mij in de rolstoel helpt, ze als het ware op het podium van haar voorland aan het klauteren is, met het oog gericht op de zekerheid van onzekerheid. Het zelfvertrouwen van Annemie wekte grote indruk, misschien mede omdat neurologen ook best een borrel lusten.

Een mens leert door dingen te doen, daarna soms door dingen na te laten, of doordat er iets verboden wordt of, een enkele keer, geadviseerd. Op school leerde ik zelf iets meer voor de vorm dan vanwege de inhoud, pas daarna het omgekeerde. Vorm en inhoud horen natuurlijk bij elkaar, maar door passen en meten leer je die veel later in elkaar te schuiven. En sommige mensen leren het nooit.
Zaken afleren hoort ook bij het leerproces; het is allemaal wat ingewikkeld. Martine Bijl vertelt in het gesprek over een liedje dat ze onderdeel van haar eerste programma maakte. Een liedje waarvan ze de inhoud helemaal kon bevestigen. Maar de toon van de tekst hoorde helemaal niet bij haar. Zie die tegenstelling maar eens op voorhand te herkennen. Na een paar voorstellingen besloot ze het te schrappen.

Je beweegt je als aankomend performer, maar ook als mens dat zich ontwikkelt, in een biotoop waarvan je de spelregels niet kent, waarin je de wapens van het duel niet eerder hebt gehanteerd, niet eens het en garde-moment. Je omgordt je met een vrolijk gekleurde band om je kamerjas, je niet beseffend dat je een judo-arena betreedt.
Al doende leert men, zeker, maar plakt het geleerde dan ook aan het voorafgaande vast? Of blijven ervaring en gedrag zich nog enige tijd parallel aan elkaar bewegen zonder te convergeren?
Je kan in een café een borrel naast een biertje bestellen. Blijkbaar zijn er voor drinkers dan twee mogelijkheden: je drinkt van het éen en je nipt van het ander. Of je kiept de borrel in het bier, sommigen doen het met glas en al. Ze drinken gulzig, en vragen om een volgende ronde, niet alleen voor zichzelf. Langzamerhand houd het trillen op; dat hebben ze geleerd.

“Ik zoek niet, ik vind”, zei Picasso. Wat betekent dat wanneer we dat op leren projecteren? Bedoelde hij dat dingen hem maar kwamen aanwaaien? Dat hij wat met zijn kwasten zwabberde? Ja!, zouden mijn ouders hebben gezegd, Piet Kassa, zo noemden ze hem, want die waren behoudend, ondermaats nieuwsgierig en nauwelijks sprankelend. “Jawel, Frank Sinatra heeft wel eens een mooi liedje gezongen”, zei mijn moeder dan. En ik maar denken: “Waar komt al die schoonheid dan vandaan?”. Je kunt dus ook iets leren doordat het je onthouden wordt, of dat het tegenbeeld je wordt voorgehouden. Maar daaropvolgend is zoeken een vereiste. Pablo Ruiz, zijn moeders naam was Picasso, wist, evenmin als Annemie en Martine, waar en hoe zich zijn succes zou ontbolsteren. Hij was een trotse man, evenals Martine een trotse vrouw was en zoals Annemie zeker is en zal blijven, dus vormen van zelfvertrouwen bestaan, hoewel je ook moet leren om dat te geloven.

Voor mij was er veel níet te vinden, althans niet volgens Pablo’s adagium. Het tevergeefs zoeken had bij mij de overhand. Maar een enkele keer kon ik ook wel eens ergens tegen aan lopen … Of ze liepen tegen mij aan.
Ik was vroeger, en dat is niet om op te scheppen, een verschrikkelijk mooie jonge jongen, zei men. Ik was de tweelingbroer van Dorian Gray. Hoe kan je zo’n ijdele uitspraak verdedigen? Ik was, als jongetje en dat besef ik nu, die bovengemiddeld fraaie puber, want gelukkig hebben we de foto’s nog. Zeer vele jonge vrouwen, meisjes, soms ook mannen, werden verliefd op mij, maar daar had ik niets over geleerd. Ik had nog niet opgetreden voor honderd dronken cardiologen. Wel een keer pluisje geblazen op een feestje in Hillegom, maar daarmee was ik niet op het weg naar het podium. Ik wist van niets en van elke jonge vrouw die me wilde laten oefenen keek ik weg. Vallen als een dauwdruppel was, als leerschool voor mij te veel, maar uiteindelijk vond zo’n druppel mij (hier ben ik waarschijnlijk ook schatplichtig aan Oscar Wilde). Ik zal haar naam niet noemen, maar ze weet wie ik ben.

Daarna ging het oefenen door, zij en ik, zij aan zij, maar vooral ik.
Wist ik veel. Ik deed maar wat. Sommige dingen kon ik goed en andere deed ik zeer slecht. Maar de grote vraag was wat ik moest leren, wat we moesten, of wat we aan het leren waren. Mijn oudere schoolvriend was enorm in de weer met zijn 16-jarige vriendin, hij kon het ruiken wanneer zij menstrueerde. Dat had ik nog niet geleerd, want daarover zong Bruce Springsteen niet.

Hier in het open raam staat mijn plant met rode bloesems. Die draai ik regelmatig, zodat het groen zich gewent aan het daglicht, en dat er dus voor leert om rondom uit te groeien. Geen Tournesol, gewoon een huiskamerplant, je ziet hem sinds kort gelukkig vaker.

Het is nu twee uur ’s nachts, dus geen zon. Maar door het venster komt geluid binnen. Opmerkelijk genoeg is er nog een klokkentoren die vanwege het tijdstip slaat, ergens, erg onzuiver (geen Hemony-klokken!), ver weg. Het is dat uurwerk niet afgeleerd om zo laat nog te slaan. Het doet z’n best; het oefent de afstand tot mijn oor, per seconde driehonderd meter.
Martine had waarschijnlijk, een ooglid nauwelijks verbaasd optrekkend, iets gezegd in de trant van: “Ach, het kind weet niet beter.”

P. S.
Hieronder een prachtige en toepasselijke tekening van de onovertroffen Hein de Kort.

LEAVING ON A JET PLANE

Door een zwaar katholieke en vermoedelijk impotente apotheker, vrijwel zeker pedofiel van geest, van toen reeds oudere leeftijd (met een eigen, door de bisschop ingewijd kapelletje in een relatief minuscule flat in het Haarlemse Schalkwijk), zijn mijn iets jongere broer en ik eens door hem meegenomen op een vluchtje in een Cessna, of een vergelijkbaar luchtbrommertje met éen of twee motortjes, nee eentje, realiseer ik me nu.

In dat kapelletje heb ik nog wel eens een misje gediend, als een soort aanstellerig, gelovig knaapje. Hoewel ik toen al wilde dat ik dood was in de religie waarin ik was opgevoed, maar nog te weinig toegang had tot mijn eigen wil, vond ik dat misdienen, geloof ik, wel een geschenk aan iemand die verder, voor zover ik begreep, niets anders dan goeds bedoelde. En, uiteindelijk, was dat ook wel zo, behalve dan dat deze voornoemde apotheker enorme hoeveelheden Mormonen uit Amerika bleef importeren en onderhouden. Die liepen dan op Haarlemse braderieën rond om hun onbeholpen geloof te verkondigen, in ongewoon correcte kostuums en met kapsels alsof ze spoedig ter aarde besteld zouden worden. Voor zover ik kon overzien werden er, ten aanzien van de apotheker, geen onnatuurlijke handelingen verwacht of ten uitvoer gebracht (maar je weet het niet, en wat wist ik en wat weet ik nu?).

Het is met de grootst mogelijke, volstrekt onterechte, aarzeling dat ik bij deze hartelijk wil verklaren dat ik een enorme fan ben van John Denver.
De achterkant, de “tuin”, van het huis waarin ik opgroeide sloot naadloos aan op een van de weinige, toen nog in Haarlem bestaande, achterbuurten; de voorkant was beslist gerespecteerd. In de tuin werd ik schallend geconfronteerd met mijn liefde voor muziek: Tom Jones, The Supremes, The Righteous Brothers, Gladys Knight and The Pips, Elvis en The Beatles, terwijl dat alles bij ons in huis verboden was. De asocialen waren dus niet ongenegen om hun geluk te delen. Nirvana, REM, The White Stripes en Ryan Adams bestonden nog niet; Bonnie Raitt, James Taylor en The Boss nauwelijks; al wel een beetje, maar die hoorde ik daar niet. Wel John Denver!

In 1969, ik was 12 jaar oud, schrijft John Denver Leaving on a Jet Plane. Geweldig! In 1971 neemt Frank Sinatra (in de Codex Sinatrae) het voor het eerst op, OMG.

Er waren nog niet zo heel veel Jet Planes, dus als geliefde liep je weinig risico, zal ik maar zeggen. Maar: Already I’m so Lonesome I could die. Kijk, hier gaat het mis, nee, eigenlijk goed. Het lijkt een beetje lullig dat John, iets verderop in het lied, aan zijn lief verklaart dat hij bij hun volgende ontmoeting, mocht de heen- en terugvlucht succesvol verlopen, een trouwring voor haar klaar heeft. Ik vond dat eerst wel een jammermomentje.

Zoals de nauwelijks te overschatten Al Green en, daarna, Talking Heads het met Take Me to the River hebben over Het Concept van het Geloof (de doop), zo heeft John Denver het hier over het concept van afscheid en wederkomst. Ik zie het hele lied en met name de referentie aan a jet plane als een metafoor. Maar een metafoor voor wat? Zijn koffers zijn gepakt, hij is klaar om af te reizen en hij wil nog een laatste kus. Die kus moet de eigenschappen hebben alsof het nauwelijks voorstelbaar is dat hij ooit nog zal terugkeren. Waar gaat de ik-persoon naar toe en welke gevaren zullen hem daar terminaal bedreigen? Hij weet dat hij zal opstijgen naar “de hemel”. Het is duidelijk geen Judaskus, maar wel een zéer noodzakelijke kus.

Thema’s als Pilatus’ uitspraak Ecce Homo (“Zie De Mens!”) en de kruiswoorden “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U me verlaten?” (I hate to go) duiken op in mijn nadenken, hoewel een letterlijke verwijzing naar een religieuze context in Denver’s tekst ontbreekt. Behoorlijk hoogdravend, geef ik toe, maar zonder dat kom ik het doolhofje dat dit lied kan zijn niet uit.

Already I’m so lonesome I could die verwijst expliciet naar de eerder genoemde kruiswoorden, naar de eenzaamheid van Christus aan het kruis (en naar Hank Williams). Denver spreekt duidelijk uit dat hij (ook maar) een mens is en fouten heeft gemaakt die menselijk zijn en die de relatie op losse schroeven hebben gezet. Impliciet vraagt hij aan zijn geliefde, Maria Magdalena misschien, daarvoor vergiffenis. Hij smeekt haar om te wachten op zijn terugkeer, op hun hernieuwde vereniging (met ringen). Ik denk hier dus natuurlijk aan de terugkeer van De Verlosser, waarna alles, maar dan ook totaal, in orde zal komen. “Wacht op me, alsjeblieft”, tot in het oneindige.

Daarnaast suggereert hij, ook weer impliciet, te verwachten dat zijn reis ergens zal eindigen. Ergens van waaruit hij niet meer zal kunnen terugkeren. Het is dus ook een verzoek om vergeven te worden voor alles wat mis is gelopen tussen haar en hem, vooral door zijn eigen onbeholpen menselijkheid. Een soort laatste sacrament. Hij vraagt haar uiteindelijk ook om te glimlachen óm hem (smile for me), niet naar hem. Hij neemt geen Polaroid van haar mee op reis; hij laat een beeld van zichzelf bij haar achter, voor altijd. Niet voor niets noemen nonnen in een kloostergemeenschap zich ook wel Bruiden van Christus.

Sinatra adapteerde het lied overduidelijk als een verwijzing naar zijn, uit haar voegen barstende, verhouding met Ava Gardner. Een geweldige uitvoering, maar door het jazzy karakter, van iets minder diepgang dan die van Denver zelf, al druipt er het verdriet wegens het vaarwel en de (toekomstige) melancholie vanaf; dat is nou eenmaal eerder regel dan uitzondering bij The Voice.

Leaving on a jet plane is heel vaak opgenomen door “artiesten”. Het hoort thuis in de categorie van songs die Niet Kapot Te Krijgen zijn, al moet ik wel zeggen dat heel veel uitvoerders alles op alles hebben gezet om dat toch voor elkaar te krijgen. Maar het lukt eigenlijk nooit.

Vroeger dacht ik altijd dat John Denver een enorme slijmbal was, als schrijver en zanger tenminste, want ik heb nooit persoonlijk thee of bier met hem gedronken. Pas de laatste jaren, filmpjes kijkend, kom ik er achter dat hij een serieus componist en uitvoerder was, met humor ook en zelfrelativering. Van een ander kaliber dan Elvis, natuurlijk, maar wel van een vergelijkbare klasse. Over John gaan geen verhalen dat hij Cadillacs weggaf, maar dat vind ik ook niet noodzakelijk voor groot kunstenaarschap.

Denver had elk jaar van zijn leven zijn verjaardag op 31 december.

Elke keer is het vieren van oud en nieuw een afscheid en een nieuw begin. Laten we Leaving on a jet plane, als voorstel mijnerzijds, opdragen aan een liefdevol “tot ziens”, maar ook aan een vernieuwend “hallo”, wanneer de gelegenheid zich maar voordoet. En laten we daarom zo min mogelijk neerstorten of, voor altijd, zo veel als mogelijk opstijgen.

P. S.
Natuurlijk zijn boerderijen in de sneeuw van Monet nog mooier, maar dat is ook geen vergelijk.

Bij Gebrek aan Beter

Judith …

Kijk
Hier is een bundel van Herzberg,
Niet alles aait je en soms
Kan ik met meer of minder toe

Maar
In het begin toen het begon
Is wel een mooie zin
Evenals de hunkering naar Au

Waarom
Kan Angst niet later opstaan
Of vroeger naar bed gaan
Wanneer kraait een middaghaan?

PST V

o… aan .oor iemand
liever want
misstaat niemand
misligt, hapert?
o aan oor iemand
desnoods doof.

[Het laatste kwart is, naast de gestolen regels, regelrecht een gedicht van Judith Herzberg uit de bundel Dagrest, pagina 31 (Van Oorschot, 1984, tweede druk)]

E-mail aan lieve vriend P. – “Een wel heel oud, maar wonderbaarlijk mooi lied”.

Ik kom erop dankzij éen van mijn favorietste muziekmakers: Jack White (van The White Stripes, je weet wel, die eigenlijk Gieles heet, maar dan Gilles, dus maar éen letter verschil) en ik ben er erg door geroerd.
Het gesprek tussen Jack White en Conan O’Brien, al begint het een beetje stug, is ook erg de moeite waard.
Hartje,
Hans

Over het Openen van Ramen

(Long as I can see the light)

Het is eind maart en ik zit op een terrasbank op een rustiek pleintje in Amsterdam-Zuid; in De Pijp, eigenlijk. Het cafeetje waar mijn terras bij hoort is onderdeel van een fraai Amsterdamse Schoolcomplex van zo’n vijftig bij twintig meter, opgeleverd in 1920 en ontworpen door de onvermijdelijke architect Piet Kramer. Dit complex neemt het gehele deel van de langere, oostelijke zijde van het pleintje in beslag.
Ik zit op een plek waarvan ik weet dat de nog jonge voorjaarszon me tussen vier en vijf uur op m’n leuke toetje zal schijnen. De eigenares van het café, geïnteresseerd in cultuur en zo, is erg mooi, maar wel spichtig. Bij de vorige vroege lentedag stiftte ze, kort nadat ik arriveerde, haar lippen vuurrood. Voor mij, nam ik voor het gemak maar aan, hoewel een voorspoedige verhouding, onder andere door ons leeftijdsverschil, me vooralsnog niet in het verschiet lijkt te liggen en ik eigenlijk ook spichtig ben.
Ik lees een mooi boek, maar pauzeer bij tijd en wijle en kijk dan om me heen of luister naar naburige gesprekken. Naast me op de bank vergelijken twee jongere vrouwen hun mislukte en tijdelijk geslaagde relaties; twee tafeltjes verder op het terras praten twee mannen over vrouwen. Ik drink daarbij een Italiaans biertje.
Volgende week wordt het weer een stuk frisser.

In de noordelijke, kortere, gevelrij (laat 19de-eeuws, maar verder best in orde) lapt een vrouw haar uitzicht en schuift daarna een raam omhoog en steekt een sigaret op. Klaarblijkelijk rookt ze binnen liever niet. Halverwege de sigaret verdwijnt ze, maar prompt daarop gaan de dubbele deuren naar haar Franse balkonnetje open en zet ze zichzelf neer op een klapstoeltje in de zon.
Hoe oud, mooi, of lelijk ze is, kan ik, vanwege de afstand en het gebrek aan mijn verrekijker niet duiden, maar dat speelt nu ook even geen rol. Vanaf haar tweede etage heeft ze een vergelijkbaar zicht op het plein met platanen als ik, maar dan in vogelperspectief.
Ik vind dat het opendraaien, openklappen of openschuiven van een raam iets magisch heeft. De amorfe eigenschappen van glas, die me altijd enige angst inboezemen, dragen er zorg voor dat je “binnen” zit, terwijl je toch informatie krijgt over “buiten”. Ik vind dat een geweldige uitvinding. Vroeger, toen vensterglas nog niet kon worden gefabriceerd, kwamen buiten en binnen op hetzelfde neer, behalve dat je buiten natregende en binnen niet. En toen vensterglas nog heel duur was nam de adel, wanneer ze naar hun zomerkasteel verhuisde, het glas mee om, al was het prachtig weer, toch ook af en toe “binnen” te kunnen zitten.

In het huis waar ik opgroeide hadden we ramen die je naar boven opentilde. Die zijn, per definitie, zwaar en daarom waren ze ook, met onzichtbare ophanging aan touwen, voorzien van contragewichten, zodat ook mijn moeder bijvoorbeeld, die handeling zonder problemen kon verrichten. Niet dat dat vaak gebeurde, want ons huis stond aan een drukke straat vol autogassen en lawaai. Uiteindelijk konden de ramen helemaal niet meer open omdat voornoemd touw vergaan en daardoor gebroken was.
Vanuit de woonkamer, die zich tegen alle regels in op éen hoog bevond, hadden we natuurlijk zicht op de overkant van de straat. Naast de kunstschilder Kees Verwey, die mij nog eens zou portretteren, kwam daar menig ander karakteristiek type voorbij. De Trompetter, die was blijven hangen in een drugspsychose, waardoor hij, in het openbaar, ellenlange speeches over niets hield, maar hij speelde nog wel zijn instrument. Of De Blote Voetenman, zijn epitheton beschrijft zijn markantste aspect, die zich, ook nog eens, altijd in pyjama kleedde maar zonder gêne stevig doorstapte. Beiden gaven echter geen sjoege op ons bestaan achter het bovenraam. Maar er was wel degelijk De Turk Met Het Been, die dagelijks passeerde en ons zwaaiend groette, evenals wij hem. Tot een nadere kennismaking kwam het nooit en niemand voelde daar een noodzaak toe.
Tevens trof het enorm dat zich tegenover ons de hoofdvestiging van de stedelijke brandweer bevond. Naast het enorme voordeel dat het mijn vader enige procenten in de kosten van een vrijwel kosteloze brandverzekering scheelde, leverde het ook onophoudelijk sociaal contact met de mannen op, want de kazerne was natuurlijk dag en nacht bezet.
Kortom: het kijken en zwaaien, van binnen naar buiten, en vice versa, werd mij met de paplepel ingegoten. Ook doordat we vader, die een eind verderop in de stad zijn baan had, elke dag, ’s ochtends en na het middageten, uitzwaaiden tot hij onzichtbaar was geworden.

Een raam is dus wel iets bijzonders: je kunt je er achter verschuilen, eventueel met de gordijnen dicht, of je kunt het open doen wanneer je de buitenwereld durft in te ademen. Kunstenares Yoko opent ostentatief de luiken wanneer John Imagine zingt.

De kunstenaar Tim Ayres, die met grote regelmaat tekst tot beeldend onderwerp van zijn schilderijen maakt, heeft ooit een werk gemaakt dat voorstelde: Finally I’ve opened all the windows. Het geluk dat uit deze voorstelling straalt weerspiegelt tevens een wanhoop die aan de uitspraak vooraf ging.
Om even binnen de wereld van de beeldende kunst te blijven (op muziek kom ik zo dadelijk): Picasso, Matisse, Vermeer, De Hoogh, Bonnard en vele anderen hebben het venster, als beeldend onderdeel, regelmatig in hun schilderijen opgenomen. En niet alleen als licht brengend element in het afgebeelde interieur.

Wandelend door stedelijke straten en grachten kijk ik ook altijd door ramen naar binnen om te zien wat men zoal aan wanddecoratie heeft hangen. Een enkele keer heb ik wel eens aangebeld om te vragen of ik een schilderij nader mocht bekijken. Dat mocht meestal. Toon mij uw venster en ik vertel u wie u bent, als het ware.
Als ik nu uit mijn eigen raam, op een tweede verdieping, kijk zie ik in metselstructuren gevatte vensters aan de overkant. Nou ben ik ook geïnteresseerd, want niets menselijks is mij vreemd, in metselwerk en voegen, maar in dit geval zijn die niet erg boeiend want ze komen uit een wat minder sterke periode, wat architectuur betreft. Mijn straat is, relatief, aan de nauwe kant dus onlangs zwaaide een overbuurman naar me terwijl ik de lucht bestudeerde en stak zelfs zijn duim omhoog; waarom mag Joost weten, maar ik groette natuurlijk van harte terug. In een ander raam zit vaak een jong stel naar een televisie te kijken, met hun ruggen naar mij toe. Serieuze redenen om hiervoor m’n verrekijker uit zijn huls te halen heb ik dus nog niet kunnen verzinnen.

John Fogerty schreef voor zijn band Creedence Clearwater Revival het lied Long as I can see the light. Het begint met de zin Put a candle in the window. De tekst lijkt in eerste instantie uit elkaar te vallen, want de ik-persoon maakt duidelijk dat hij weg wil, op een reis móet. Het kwartje valt echter wanneer hij aangeeft om zeker ook terug te willen komen. En dat de brandende kaars in het raam zijn anker is. “Wacht op mij, wees er voor mij als ik terug kom”. Het raam als een soort worm hole waardoor je naar het licht kunt gaan, maar er ook weer door kan terugkeren.

Twee kunstenaars, John Cage en Neil Diamond, ervaren muziek wanneer ze het raam openen. Cage, een nogal esoterisch typje, maar zeer invloedrijk en bekend van zijn pianocompositie Vier Minuten en Drieëndertig Seconden Stilte, heeft ook een tamelijk kaal werk geschreven dat bestaat uit het openen van een venster in New York City. Het lawaai van sirenes, auto’s, een blaffende hond, kan het muzikaal resultaat zijn, als een brute maar eerlijke melodie. Mogelijk in navolging hiervan schrijft Neil Diamond, een nogal Middle-of-the-Road typje (maar ik ben een groot fan), het lied Beautiful Noise (coming down from the street). Hierin benoemt hij de stadsgeluiden die door een geopend raam naar binnen komen als een op zichzelf staande schoonheid. Hij zingt er dus over als een wederzijdse liefdesverklaring: van de stad aan hem terwijl hij de grote stad bezingt.
Nee, dan heb je ook nog Van Morisson met zijn lied Cleaning Windows over het zeer zinnige beroep van ramenwasser, waarin hij uitspreekt dat hij een gelukkig man is, op de toppen van zijn kunnen.
En Frank Sinatra zingt in Out beyond the window, dat hij elk jaar een etage hoger gaat wonen en, intussen, de hemel bijna kan aanraken en dat hij de wolken kan verschuiven. Maar er zijn bijna geen wolken meer en komt er niemand meer bij hem langs.

Het openen van een raam en het daarna, later, weer sluiten, is als een zeer trage knipoog. En wat je, tijdens die knipoog,  gezien of gemist hebt kan wel een tijdje een raadsel blijven. Door een voordeur stap je naar buiten, de wereld in. Door een raam ben je waarnemer, of wordt je, eventueel, waargenomen, in voor- en tegenspoed. Een open raam is als een liefde op de lagere school (hierbij moet ik zelf denken aan Ellie Dekker): er gebeurt niks, je weet van niks, maar je voelt van alles. Een flakkerend vuur halverwege iets of niets worden, om het maar eens weinig dynamisch uit te drukken.
Na dit alles grondig te hebben overdacht, waardoor mijn bierglas leeg is, zie ik, tachtig meter van me vandaan, door de nog kale platanen heen, de vrouw haar balkondeuren sluiten, het vensterglas kussen, en zich terugtrekken in een wereld waar ik geen donder mee te maken heb.

Voor Han!

Amsterdam, 29 maart 2019

Hans Gieles