
Een paar schetsen vooraf:
Wanneer ik vraag om een wat kleinere portie avondeten merkt ze, tegen niemand in het bijzonder, op: ‘Ik weet niet wie u bent’ en negeert mijn verzoek. Het zal me ook later opvallen dat ‘nurse’ E’s talenten vooral bestaan uit onpersoonlijkheid en nalatigheid. In ieder geval schiet op dat moment het karakter van onze relatie uit de startblokken. Wanneer ik vanaf dan haar naam op het middag- of avondrooster zie verschijnen, keert die basisergernis terug en verheug ik me op het voortgaand vormgeven daarvan. Geen enkel aspect van haar gedrag zal me dat blijken te belemmeren. Haar instelling staat in schril contrast tot die van ál haar collega-verpleegkundigen die uitblinken in liefdevolle, opmerkzame en kundige betrokkenheid bij mij en mijn mederevalidanten.
Elke vier à vijf kwartier rook ik een shagje. Binnen is dat natuurlijk niet toegestaan, dus zoek ik mijn heil daarvoor op het voor de ingang gelegen cirkelvormige terrein (die ingang ligt een meter of vijfentwintig uit de rooilijn). Ik beweeg me daar elke dag vanaf een uur of zes ’s ochtends naartoe, verpoos daar een minuut of tien, bel aan (de receptie wordt pas vanaf acht uur bemenst, dus de automatische deuren werken nog niet), en beweeg me per rolstoel door de hal naar de liften, stijg op naar éen hoog, en rijd terug naar ‘mijn afdeling’ waar ik mezelf van koffie voorzie, en sluit me weer op in mijn kamer. Eén en ander brengt me mijn verblijf in dit instituut van zeseneenhalf jaar geleden in herinnering, toen ik hier, eveneens voor een gevalletje heupfractuur, verbleef. Ook toen was het éen van de vele rituelen die, na verloop van tijd vrijwel onmerkbaar, het dagelijks leven bepaalden. Maar het plezier dat ik ondervind van het rijden in een rolstoel is me nog steeds niet vergaan.
Uit de paar openbare boekenkasten binnenshuis selecteer ik, om elke dag door te komen, exemplaren uit het thrillersegment. Normaliter niet mijn voorkeurgenre, maar ik heb geen zin in ‘Het verdriet van België’, Stijn Streuvels (wat doet die hier nou?) of Chaim Potok. Onder deze omstandigheden liever Patricia Highsmith, John Grisham en hun soortgenoten, al maak ik hierop de uitzondering van Oliver Sachs zijn ‘Een been om op te staan’: een verslag van een periode waarin hij langdurig moet herstellen van alle afgescheurde kruisbanden rond zijn linker knie. Hij staat hierdoor eens aan de andere kant, dus niet als arts maar als patiënt; een positie waarin hij zich tot dan toe nooit verdiept had.
Enkele dagen na mijn thuiskomst op 24 oktober – terwijl ik eigenlijk op de 29ste uitgerekend was -, nu een kleine twee weken geleden, realiseer ik me dat ik tijdens mijn gedwongen afwezigheid geen seconde in heimwee, of met welke zucht dan ook, aan mijn heerlijke appartement heb gedacht. Wie noodgedwongen in vergelijkbare omstandigheden komt te verkeren kan ik een dergelijke, tijdelijke amnesie van harte aanbevelen. Klaarblijkelijk heb ik me vanaf het eerste moment bij de gegeven situatie neergelegd en de consequenties ervan geaccepteerd. Weliswaar voel ik me intussen weer heerlijk op m’n plek (al moet ik toegeven dat mijn eigen omgeving me in eerste instantie enigszins bevreemde), maar achteraf constateer ik dat het hier wel om een vorm van overlevingsmechanisme moet zijn gegaan. Mogelijk kunnen psychologen hier nadere toelichting op verschaffen.
Oorzaak en Gevolg
Net zoals in 2019 beland ik ook deze keer op mijn bipsen en breek mijn rechter heup. Dat speelt zich nu af op straat en niet, zoals eerder, op twee hoog. Ik hoef dus niet door de brandweer uit een huis te worden getakeld, terwijl me dat toen eigenlijk, als avontuurtje, best beviel. Dus word ik opgeschept door ambulancepersoneel en verscheept naar het BovenIJ-ziekenhuis in Amsterdam-Noord waar ik een dag later word geopereerd door dezelfde chirurg, Christian, die me eerder succesvol van zijn diensten had voorzien. Drie dagen daarna moet ik ophoepelen, en op mijn verzoek word een beschikbare plek gevonden bij herstellingsoord De Die, dat zich op een flinke steenworp afstand, in hetzelfde stadsdeel, bevindt; rolstoeltaxikosten € 76,50. Ik krijg een éenpersoonskamer toegewezen, nogal ruim, maar met een kenmerkende aftandse inrichting. Ik heb uitzicht op een rij berkenbomen en, schuins, op het voorplein.
Het pand waarin De Die is gehuisvest is bepaald niet op een koopje neergezet; het is waarschijnlijk een meter of honderd breed, ik schat het iets van vijfentwintig diep en mogelijk twintig meter hoog (alles bij benadering omdat ik het zo-even niet kan afpassen). Bovenop de begane grond liggen drie etages. Zoals eerder gemeld staat het een eind van de straat en wanneer je aan de overkant daarvan gaat staan kun je overzien welk liefdeloos architectonisch monster het betreft. Het vertoont alle kenmerken van eind jaren zeventig, begin tachtig, die, met het oog op de toekomst, een zinvolle aanvulling op het stadsbeeld werden geacht. Dat valt dus vies tegen. Om het volume op te trekken is gebruik gemaakt van een laffe, lichtgele baksteen die, afgewisseld met soms zandkleurige misbaksels en her en der wat structureel beton, bij zon en bewolking, mist of regen, een troosteloze indruk garandeert. De ‘speelse’ voorkant, met armzalige en petieterige Paleis Soestdijk-ambities, is veelal voorzien van vierkante vensters, toepassing waarvan ik reeds jaren mijn ogen in weerzin afwend. Na ampele afwegingen en met veel verdriet gok ik het bouwjaar rond 1980.
Als je binnen, vanuit de entreehal, rechtsaf een lange gang inloopt of –rolt zie je al snel de maquette van onderhavige ellende links tegen een vale muur staan, overkapt door een verstofte plexiglas doos. Veelal doen maquettes van lelijke gebouwen het, zo op Madurodam-formaat, nog best aardig en vergroot dat je begrip voor de opdrachtverstrekking door de bouwcommissie. Hier is daar geen sprake van: ook op deze schaal is het zeer teleurstellend. Op het tableau rondom de miniatuurversie wordt vermeld: ‘Verzorgingstehuis Amsterdam-Noord’ en ‘Architectenbureau Wiegerinck’, geen jaartal, dus dat blijft voorlopig giswerk.
Alle ellende overziend is de afdeling waar ik revalideer, Fuut genaamd, zonder twijfel de meest optimistische waar het de vooruitzichten voor een doorgaand leven betreft, al moet gezegd dat enkele lotgenoten waarschijnlijk geen plek thuis meer in het verschiet hebben omdat volledig herstel tot zelfstandigheid niet meer tot de mogelijkheden behoort. Over het algemeen heerst er een sfeer van aangepaste monterheid. Ik (1957) ben zo’n beetje de jongste van het stel. De afdeling is opgedeeld in drie secties die verder, uitzonderingen daargelaten, niet veel contact met elkaar hebben. Toch groet men wie men tegenkomt en wordt af en toe de voortuitgang van een ander gerecenseerd. Oorzaken van de diverse aandoeningen worden gelukkig slechts zelden besproken. Elke sectie heeft haar eigen eetkamer, en in mijn geval zitten we daar, morgen, middag en avond, met z’n elven, ieder op een vaste plek. Gesprekken beperken zich over het algemeen tot de eigen eettafel en ik heb het geluk dat ik steeds in acceptabel gezelschap verkeer. Hoewel 91,7% van de elf aanwezigen een uitgesproken voorkeur voor het Amsterdamse Levenslied heeft, laat ik me daar verder niets door in de weg leggen.
Ontbijt en lunch kennen -ik zou bijna zeggen: vanzelfsprekend- een grote mate van eenvormigheid. ’s Middags is er altijd soep en daarom zou je kunnen spreken van een verrassingsmomentje (éen keer zelfs aspergesoep!), maar ’s avonds is er meestal sprake van geharrewar. In het weekend krijgt eenieder een uitgeprinte, in te leveren lijst met het weekmenu waarbij er steeds een te omcirkelen keuze is uit twee gerechten: AGV, iets Indisch, of éen of andere stamppot; vrijdag ook vis. Maar vanaf maandag weet niemand meer wat de keuzes waren en waar die voor haar of hem op gevallen zijn. De Die beschikt over een reusachtige keuken die een middelgroot Van der Valk-restaurant niet zou misstaan en daar wordt naar omstandigheden best redelijk gekookt. Eén kok heet ook Hans, dus da’s makkelijk, en de andere is een heel mooie vrouw van in de veertig die qua lichaamslengte wel boven iedereen in het gehele personeelsbestand van het huis moet uittornen. Met genoegen herinner ik me de keer dat we schorseneren voorgeschoteld kregen; die waren geweldig, ook al vond G (rechts van mij, complexe breuken in linker schouder en bijna 90) er niets aan ‘omdat ze ook niet van asperges houdt’ en ze dus liet staan terwijl ik, bovenop mijn kleine portie, nog wat bijbestelde. Tevens speelde ik voor de kamer het doelgerichte lied van Drs. P met groentenrefrein op mijn telefoon af. Tot mijn verbazing kende vrijwel niemand dat, maar het is geen levenslied, natuurlijk.
Kort hierop volgt ‘De Eetkameropstand’, die zich zo ongeveer aan het begin mijn vijfde verblijfsweek afspeelt. Naast dat de kok zelf het avondmaal opschept uit een enorm au bain-marie-gevaarte, wordt hij in het uitserveren daarvan bijgestaan door huishoudelijk en verpleegkundig personeel waaraan ik, buiten hun gehoorsafstand, over het algemeen refereer als ‘ons personeel’. Terwijl deze procedure z’n beslag krijgt informeert mijn linker tafeldame (M, net iets ouder dan ik, multipele breuken in beide enkels, Portugese, maar in uiterst rap Nederlands enorm van de tongriem gesneden) bij M, van oorsprong een sacherijnige maar ook lieve Russische, ‘of we vandaag geen toetje krijgen’. Zo’n toetje wordt altijd op aanvraag, reeds voorafgaand aan het bord voor ons neus, verstrekt door ‘ons personeel’. Nou, meldt M-de-Russin, daar kan geen sprake van zijn, en dat was ons vorige week reeds meegedeeld terwijl de maatregel, uitgevaardigd door het paraplu-orgaan van De Die, al twee jaar geleden was afgekondigd. Eén en ander, zo licht M ons toe: het zelf pakken van éen van de vier soorten vla, maakte onderdeel uit van ons revalidatieproces. Hoewel natuurlijk niemand te beroerd is om haar of zijn eigen toetje te verzorgen, of om dat eventueel voor een ander te doen, verbazen M’s argumenten iedereen. We hebben hierover nooit iets te horen gekregen; alles ging altijd vanzelf. Hierna komen, met tussenpozen van vijf minuten, daaropvolgend nog eens drie verpleegkundigen binnen die op identieke wijze en met alle goeie bedoelingen van dien het desertregime toelichten. Op een gegeven moment acht ik het opportuun om op te merken, tamelijk luid, maar zonder enige irritatie, dat we nooit van deze maatregel op de hoogte zijn geweest, vorige week nooit een dergelijke mededeling hebben gehoord ‘terwijl er niemand zo doof is als G’. Die laatste moet er zelf erg om lachen. Er helpt allemaal geen moedertje lief aan, maar de verhoudingen tussen staf en patiënten herstellen zich desondanks spoedig weer, al is er onder de ‘slachtoffers’ stof genoeg tot vrolijke napraat, voor dagen.
In de verslaglegging van mijn vorige verblijf in De Die maak ik melding van een mij toen opvallend gegeven: een opmerkelijk deel van de verzorgende staf blonk uit in een stevige mate van overgewicht. Dat gegeven heeft zich uitmuntend bijgesteld, al moet ik, het spijt me dat ik het hier zo moet zeggen, dat overgewicht nog wel waarneembaar is bij een paar dames met een Moslim-achtergrond. Die zijn overigens even lief, kundig en toegewijd als ieder ander, op E na, en worden door ons dan ook in dankbaarheid op handen gedragen; ook al dragen zij vaak, noodzakelijkerwijs, een aantal van ons in letterlijke zin.
Trouwens, over E gesproken nog wat toelichting op haar weinig toegewijde manier van handelen: Op een gegeven moment wordt ons patiëntengezelschap verrijkt met G die alras tegenover mij aan tafel komt te zitten. G, een intelligente, vrolijke vrouw, heeft geloof ik iets met haar knieën en is vooralsnog rolstoelgebonden en afhankelijk bij bed-in, bed-uit, douchen, et cetera. Ook ter toilet gaan gaat haar in haar eentje niet goed af, is daarbij eveneens hulpbehoevend, en wordt vaak door E terzijde gestaan. Omdat G niet goed laag kan zitten heeft ze een zitverhoging op de WC nodig en die laat E altijd rustig liggen terwijl daar verder niemand behoefte aan heeft, in tegendeel. De eerste keer ruk ik dat ding zelf van de pot, maar krijg daarbij urine en dergelijke aan mijn handen. G neem ik dit natuurlijk in het geheel niet kwalijk en die heeft er ook nooit iets over gehoord. Ik meld dit voorval aan E met het verzoek er de volgende keer op te letten. Dat doet ze de twee keer erna, na niet onvriendelijke opmerkingen mijnerzijds, echter nog niet, waarop ik, na haar derde laksheid, de verpleegpost binnen rijd om haar (ze zit toevallig aan een tafel tegenover de deur te midden van collega’s) haar vet te geven, op een haar na van vloeken en schelden. Niemand springt voor haar in het krijt; reden waarom ik de stille overtuiging heb dat haar collega’s begrip voor mijn boosheid hebben, zeker omdat ik me voor de rest gedraag als een lief en aardig en vrolijk jongetje van een jaar of acht.
In De Die is het niet alleen maar jolijt, in tegendeel. Waar op de begane grond, naast de ontvangstbalie (die ook bier, wijn, fris en versnaperingen verkoopt), vooral administratieve, ‘culinaire’, en facilitaire taken worden gehuisvest, zijn daar dus nog drie etages boven. De derde herbergt de palliatieve sectie, dus daar zie je vrijwel nooit iemand van, behalve bezoekers van de stervenden en het zorg-verlenend personeel. In de hal weet je nooit om wie het zal gaan, maar wanneer ik in de lift omhoog ga heb ik te doen met de mensen die knopje drie indrukken. Degenen die er werken zijn meestal eenvoudig te determineren omdat ze minder bedrukt ogen. ‘Is het niet zwaar daarboven?’, informeer ik een keer bij een goedlachse jonge vrouw. ‘Nee hoor, helemaal niet.’ Ze wenst me een fijne dag. Sommige bezoekers komen vrijwel dagelijks, om bij de laatste resten leven van man, vrouw of vriend aanwezig te zijn. Een enkele keer wordt zij of hij voor korte tijd naar buiten gerold voor wat frisse lucht of een blik op de hemel. Drie keer ben ik er vanuit mijn kamerraam getuige van, dat voor de ingang begrafenisondernemers het eerste deel van hun taak vervullen, en twee keer moet ik halt en afstand houden als op een brancard een afgedekt lichaam, vergezeld van enkele familieleden, op mijn verdieping bij de liften staat te wachten. Ook mijn goede vriend B is hier gestorven, bijna twee jaar geleden; ik gedenk hem nog regelmatig.
Ik weet dat het revalideren plaatsvindt in de rechtervleugel van de eerste etage omdat ik daar zelf onderdeel van uitmaak, maar wat er zich afspeelt in de linker helft, die meteen na het bordje ‘Psychologen om de hoek’ begint, is me een raadsel. In deze afdeling, ‘Zwaan’ genaamd, verblijven mensen, dat is een ding dat zeker is; in welke conditie die verkeren en waarom of waardoor blijft onbekend, al komt daar in de loop van de tijd éen uitzondering op, te weten H, waarover verderop meer. In het laatste stadium van mijn verblijf in De Die, wanneer ik, aangewezen op éen kruk, grotere afstanden mag en moet afleggen, tippel ik nog wel eens die sectie binnen: genummerde kamers, jawel, gezellige zitjes in de hoeken van de gangen, een Lodewijk de 14de klok met zonnestralen aan de wand. Op éen uitzondering na tref ik er nooit een levend wezen aan. In dat ene geval betreft het vermoedelijk, hoewel anders gekleed dan ons personeel, een verpleger die tevergeefs een kamerdeur poogt te openen, dan vloekt, en daarna min of meer, mij totaal negerend, in het niets oplost. Alle eigenschappen van een spookafdeling lijken dus voorradig, al heb ik nooit bloed uit het plafond zien druipen.
En dan, nu eindelijk, etage twee, met de naam ‘Merel’ vernoemd naar onze olijke ochtend- en avondfluiter. Hier verblijven mensen in permanentie wegens een verscheidenheid aan aandoeningen waar je een kwartetspel mee zou kunnen vullen, al ben ik slechts van een gering aantal oorzaken op de hoogte. Niemand van hen kan ooit nog lopen. Slechts éen of twee maken gebruik van een rollator, maar zij zijn daarnaast ook op zoveel andere manieren zodanig van het padje dat van vrijlating nooit sprake zal zijn. Al dan niet gemotoriseerd zijn de meesten dus aan rollend materieel gekluisterd, waarbij zij die zich tot handmatige voortbeweging daarvan beperken in de meeste gevallen niet veel verder dan een centimeter of vijf, zes per wielslag komen. Bij lift- en uitgangsdeuren dwingt dat regelmatig, als men zich per ongeluk achter een dergelijk slachtoffer bevindt, tot oefeningen van geduld. Geduld is in De Die echter in overmaat voorradig, vooral omdat nooit iemand ergens op een bepaald tijdstip aanwezig hoeft te zijn, tenzij het natuurlijk het eten, de bingo, of een optreden van een volkszanger uit de D-categorie in de grote, vrij anonieme, maar ruim bemeten eetzaal betreft. En iedereen, op twee uitzonderingen na, rookt. Tot groot ongenoegen van de directie groeperen die rokers zich pal rechts van de ingang. Daar ontrolt zich dan ook elke dag in korte tijd, op of omstreeks tien vierkante meter, een tapijt aan peuken, vooral van filtersigaretten van het merk Marlboro Gold. In het raam van het aangrenzend restaurant leunt aan de binnenkant een lichtmetalen plaat tegen het glas waarop in reliëf een omfloerste mededeling staat die aanmoedigt tot het roken elders; tevergeefs dus. Omdat onze revalidatie-afdeling zich graag van haar beste kant laat zien heb ik een paar keer enorm op mijn lazer gekregen van een verpleegkundig leidinggevende omdat ik daar in alle vroegte mijn eerste sigaret opstak, waarna ik dan maar, voor de lieve vrede, voor altijd naar het voorplein verkaste.
Over voornoemd sigarettenmerk het volgende: net als iedereen woont ook K, een Turkse jongen van eind dertig, of voorin de veertig, die met grote regelmaat zijn kunstgebit op zijn plankje voorop zijn elektrische rolstoel deponeert, al enige tijd in De Die. Negentig procent van die tijd verdeelt hij zijn aanwezigheid tussen de hal en buiten; hij rookt, met een interval van vier à vijf minuten, een sigaret. In tegenstelling tot alle anderen heeft hij van deze hobby zijn beroep gemaakt. Eén keer in de week komt er een autootje langs dat hem zijn bestelling in sloffen aflevert, vermoedelijk uit een goedkoop buitenland en waarschijnlijk voor € 3,50 per pakje, dat hij dan, met anderhalve Euro winst, aan zijn medebewoners doorverkoopt. Wat hij met de verdiensten uitspookt weet ik niet. We spreken elkaar, op een halve groet na, nooit, maar op kostbare liefhebberijen heb ik hem niet kunnen betrappen. Deze monocultuur, wat merkvastheid betreft, leidt er helaas niet toe dat er in de groep een waarneembare, desnoods kortdurende eenheid in gespreksonderwerp ontstaat. ‘Wat een leuk vest, zeg’, ‘Heb je dit of dat gisterenavond op tv gezien?’, ‘Vond je de kroepoek ook zo lekker?’, ‘Ben je eigenlijk getrouwd, Hans?’, en zo eindeloos voort. Ik vermijd dit gezelschap dus altijd, maar kan me soms aan toenadering niet onttrekken. LE (dubbele voornaam) vertrouwt me op een bepaald moment toe dat ze eigenlijk van Indonesische adel is, een prinses nog wel. Iedereen neemt waar dat ik altijd vergezeld ben van een boek, dus zo ook LE.
‘Vroeger las ik ook veel, vooral kasteelromans.’
‘Zal ik een boek voor je proberen te vinden?’
‘Oh ja, dat zou leuk zijn!’
Hoewel de boekenvoorraad soms langs de ondergrens van kwaliteit scheert is er geen kasteelroman te vinden, dus ik kies een boek vol eenvoudige liefde. ‘Dank je wel, Hans’, maar de volgende dag is ze mijn naam weer vergeten.
Op zo’n vroege ochtend bel ik na het roken aan, het is mogelijk kwart over zes, en de deur wordt voor me opengedaan. Ik rol de hal in en van rechts hoor ik een afgrijselijk schreeuwen. Ik denk, ik denk nog, wat kan mij dat schelen. Maar misschien is er iemand met zijn of haar rolstoel omgeslagen of anderszins in paniek, dus mijn menselijkheid wint het van mijn onverschilligheid. Ik rijd de gang in, langs die verdomde maquette, en vrijwel aan het eind zit een man in zijn scoot-mobiel die ik van zijn verdwaasde uitstraling wel ken, maar verder niet, al weet ik dat hij een Merel-klant is.
‘Gaat het je wel goed, kan ik helpen?’
‘Ik word gestalkt’, roept hij, ‘toen ik vanmorgen uit bed stapte draaide mijn hoofd drie keer rond, ik moet er een eind aan maken!’
Ik vraag hoe hij heet en beloof hem om bij Merel (‘Daar woon je toch?’) hulp te halen. Hij heet W, heeft een benig, onaangenaam gezicht al kan hij ontwapenend glimlachen, lang en altijd ongekamd haar, enorme gouden ringen in zijn oren, een uiterst matig gebit, felrood gelakte nagels en vrijwel altijd blote voeten. Ik spoed me naar de liften, druk in éen daarvan op twee en begeef me Merel binnen; het is er uitgestorven. Ik ben er voor het eerst en ken de weg niet, maar vermoed dezelfde plattegrond als op Fuut. En inderdaad: de verpleegpost hier bevindt zich precies boven de mijne. Slechts éen vrouw is aanwezig en ik vertel haar dat haar W nogal uit zijn doen is. ‘Ik stuur wel iemand naar beneden’, zegt ze nuchter, al krijg ik geen indicatie waar ‘iemand’ vandaan zou moeten komen. Terug bij de liften rolt W, mij opgewekt groetend, net zijn afdeling op, terwijl ik denk: Ach, een mens doet soms z’n best…
Soms zijn er dus, vóor de krantenjongen en het gepiep van de koolmezen, al anderen buiten. Deze keer een soort dronken, blonde, lelijke zeeman. Hij kan nauwelijks uit zijn woorden komen, sloft altijd op open sandalen, deze keer met blote benen daarboven en, van heup tot op zijn knieën een papieren luier. Hoewel het al weken achter elkaar windstil is kan het rond dit tijdstip toch behoorlijk fris zijn, reden waarom ik een thermo-T-shirt onder mijn overhemd draag. Om de haverklap komt hij naar me toe en vraagt: ‘Hebt u misschien nog een vuurtje?’. Het wordt me gewaar dat hij peuken van de grond raapt. Maar, ook soms, duwt hij overdag een lotgenoot in een rolstoel vooruit, blijkbaar als plaatsvervanging van zijn eigen rollator, ze moeten dan natuurlijk wel weer samen naar boven, maar er schuilt toch waarschijnlijk geen kwaad in hem.
Over een lelijke vrouw van, vermoedelijk, een jaar of vijftig, die zich eveneens, maar uiterst langzaam, op eigen kracht in een rolstoel voortbeweegt heb ik het liever niet. Vooral omdat het leeuwendeel van haar conversatie bestaat uit het ononderbroken, lijzig formuleren van de vraag: ‘Wat moet ik nu doen?’
En wat doet een mens op een revalidatie-afdeling? Inderdaad: revalideren. Bij mij liep dat zo’n vaart niet, want de eerste vier weken na de operatie mocht ik mijn verkeerde been, waarmee ik overigens vanaf het begin prima in- en uit bed stapte, slechts voor 50% belasten. Dat betekent dat ik die periode in De Die eigenlijk doorbracht voor Petrus Neusvocht; wat licht gewapper met mijn been en wat weerstandloos gefiets daargelaten. Na de eerste ziekenhuiscontrole mag het belastingpercentage ‘op geleide van pijn’ toenemen. Wat een mooie uitdrukking is dat, zeg: op geleide van pijn. In de lekenwereld heeft daar nooit iemand van gehoord, in de literatuur waarschijnlijk ook niet, laat staan in de religie. Maar onder medische gelijken begrijpt iedereen het meteen.
Het verpleegkundig team houdt je natuurlijk verdomd goed in de gaten: nemen elk van je bewegingen waar, registreren elk woord dat je zegt. En ze vertrouwen dat je, ‘op geleide van intelligentie en zelfstandigheid’, je medicijnen gedisciplineerd inneemt. Maar fysiotherapie verstrekken ze je niet, dus daarvoor is Fuut uitgerust met een permanent team van specialisten. Die hebben een eigen forse kantoorruimte die is dicht gebouwd met rollators en rolstoelen, alle in diverse staten van functioneren. Af en toe rol ik daar wel, met een vraag of opmerking over dit of dat, naar binnen, terwijl het geloof ik niet de bedoeling is dat cliënten zich daar manifesteren. Dat geeft allemaal niets, omdat het allemaal zulke leuke mensen zijn, en ook omdat ik met zoveel plezier het precisie-rolstoelen beheers. De eerste vraag die GJ mij stelt als hij me voor de eerste afspraak ophaalt is: ‘U of jij?’. Nou stel ik me, naast andere dingen, mijn hele leven sinds mijn twintigste al ten doel om het hele ambtenarij-, zorg-, juridisch- en bedrijfsapparaat te bewegen om mij te tutoyeren, maar een geslaagd project kan ik dat niet noemen. GJ steelt dus mijn hart. Hij legt me uit dat bepaalde bewegingen die ik, in tegenstelling tot zes jaar geleden, eigenlijk van begin af aan beheers, in een Duits onderzoek beoordeeld worden als uitermate belastend voor de recent gerepareerde breuk. Niet doen dus! Eén van de weinige dingen die het monotone ritme van de week afwisselend houden is de fysio-begeleiding, mede omdat GJ’s behandelingen worden afgewisseld met die van G, een jonge, vrolijke en kundige vrouw, al kan ook zij in eerste instantie weinig meer dan met mij het reguliere ultralichte program afwerken. Een andere leuke collega van hun is M (die me onlangs nog zelfs thuis bezocht) met wie ik ook de verdomde geschiedenis van het De Die-gebouw doorneem terwijl ze me niet eens behandelt. Zij is indertijd met inboedel en al naar dit pand, vanuit Osdorp, meeverhuisd. Na de eerste maand mag ik dus allengs meer, meteen al met krukken, al is me tot het laatste uur het behoud van ‘mijn’ rolstoel vergund.
Op een bepaald moment sta ik in de deuropening van mijn kamer, klaar om een grote ronde met (nog) twee krukken te lopen. In de kamer schuin tegenover me hoor ik GJ in gesprek met mevrouw V, natuurlijk in het kader van een behandeling. Mevrouw V is niet alleen stokoud (92), maar ook stokdoof, in beide aspecten alles erger dan mijn tafelgenote G. Ik hoor GJ haar de vraag stellen: ‘Heeft u wel eens aan headbangen gedaan?’. Het enige resultaat is dat GJ de vraag luider moet stellen: ‘HEEFT U WEL EENS AAN HEADBANGEN GEDAAN?’. Stevig grinnikend begin ik aan mijn zelfopgelegde opdracht, maar ik kan niet nalaten om op de terugweg nog even bij het fysio-kantoor langs te gaan. Daar zit GJ z’n laatste aantekeningen te maken en een stuk fruit te eten. Ik complimenteer hem met zijn leutigheid en vraag of betreffende vraag tot zijn standaardprotocol hoort. ‘Nee’, zegt hij, ‘maar het is wel bijna weekend. En soms moet je eens wat anders proberen’.
Ik zit een dag of tien in De Die en manoeuvreer me net terug uit de tuin waar ik in de najaarszon nog wat kleur probeerde op te doen. Ik rol binnen iemand tegemoet die ik al eerder gezien had, maar nog niet gesproken. Ook zij drijft haar rolstoel handmatig aan, maar dat gaat niet, zoals bij mij, vanzelf. Op een afstandje lijkt ze me een aardige en verstandige vrouw en die indruk wordt in ons gesprek bevestigd. Ze vraagt me of de drempel van tuin naar binnen nog steeds lastig is om te nemen en dat moet ik helaas bevestigen; te lastig voor haar. A, zoals ze later blijkt te heten, lijdt aan een vergevorderd stadium van MS en woont daarom ook al langere tijd in Merel. Haar benen functioneren in het geheel niet meer en klachten in andere ledematen nemen alleen maar toe. Ze klaagt over het geringe begrip en begeleiding die ze op de afdeling ondervindt, en ze meldt dat ze eigenlijk behoefte heeft aan vormen van psychologische ondersteuning. Dan vertelt ze over haar leven van voordat de ziekte toesloeg: grafisch ontwerpen, redactiewerk, interesse in beeldende kunst, vormgeving en literatuur. We delen enkele bekende namen. Haar intelligentie overstijgt verre die van de andere bewoners die ik heb leren kennen, maar ze maakt daarnaast melding van woorduitval en van paranoia. ‘Ik vertrouw niemand meer, ook jou niet’, zegt ze. Het duurt even voordat ik me realiseer dat ik niet weet hoe hiermee om te gaan. Begrip voor haar situatie is er zeker, maar haar machteloosheid in de strijd die ze met haar lichaam en haar geest voert overstijgt alles waartoe ik mezelf in staat acht. Tijdens de ontmoetingen die daarop volgen spreken we elkaar slechts kort, al blijft ons wederzijds contact van sympathieke bedoelingen voorzien, geloof ik.
Ik wil niet zeggen dat De Die van binnen een naargeestig gebouw is. Ook zeker niet opwekkend, al hangt dat in hoge mate af van de situatie waarin je leven en je gezondheid verkeren en bovendien verhogen systeemplafonds een algemeen gevoel van geluk nooit. Zoals eerder gezegd zijn er veel aftandse elementen te noemen. Zo vallen de kleding- en wasgoedkasten in mijn kamer, wat vormgeving betreft, zo ongeveer te dateren in de jaren vijftig. Overbuurvrouw aan mijn eettafel G klaagde op een gegeven moment dat de gordijnen die haar bed bedoelde te omsluiten gescheurd waren waardoor bij verschoning ‘iedereen in haar kruis keek’. Ik kon niet anders dan repliceren dat bij haar de gordijnrails in ieder geval nog aan het plafond vastzaten en bij mij niet, waarop we beiden moesten lachen. Echter: G was ook wel eens opgenomen geweest in een ander huis waar alle architectuur en vormgeving tiptop in orde waren. Maar daar was de verzorging zo beneden elk peil geweest, op het verwaarlozen af, dus zijn we, alles bij elkaar opgeteld en van elkaar afgetrokken, erg gelukkig dat we hier zijn, want over aandacht en verzorging niets dan lof.
Van het gebouw zelf valt eigenlijk niet zoveel meer te melden. Behalve dan dat ik op een gegeven moment de stoute schoenen heb aangetrokken en, ook omdat ik fysiotherapeute M had gesproken, het architectenbureau belde, want dat bestaat nog steeds en zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Omdat de telefoniste niet verder komt in haar doorverbinding belooft ze me hardgrondig dat ik de volgende dag zal worden teruggebeld door iemand die toegang heeft tot het archief. Een dag of wat geleden heb ik gekeken op de website van Wiegerinck, om onder ‘Projecten’ zeker veertig recentere opdrachten terug te vinden, alle uitgevoerd op het gebied van de zorg, en niet alleen in Nederland, maar ook in België en Duitsland. De Die is wijselijk weggelaten. Maar verdomd, ik word teruggebeld en vriendelijk te woord gestaan. Neen, er valt vrijwel niets over het pand terug te vinden, maar jawel: het is opgeleverd in 1993. Hoewel ik er in het gesprek geen melding van maak sta ik paf. Het maakt het allemaal nog vele malen erger. M had natuurlijk gelijk, maar in dat jaar een dergelijke gruwel aan het straatbeeld overdragen, inclusief alle bedroevende stijlkenmerken van minstens anderhalf decennium daarvoor, blijft een schandvlek op hun palmares. Overigens is het bureau al in 1948 opgericht, zo meldde mij mijn attente contactpersoon, en is de naamgever in 1978 overleden, dus de familienaam treft waarschijnlijk geen blaam. En ik moet eerlijk toegeven dat het in het straatbeeld geen wezenlijke dissonant is gezien de reeks tamelijk macabere ‘knikflats’ van architect Leo de Jonge die, als een veel te lang collier, mijn tijdelijk onderkomen flankeren. Dat er af en toe een buizerdpaar, waarvan ik later een staartveer op de oprit vind, boven het onroerend goed cirkelt, is misschien wel het enige positieve dat ik erover wil opmerken.
Terwijl ik dit allemaal neerschrijf realiseer ik me dat mijn adoratie van goede architectuur, net als waar het beeldende kunst aangaat, soms bijna religieuze proporties aanneemt. Maar dat mag, gezien mijn anti-theïsme, met een korreltje zout genomen worden. Van gelovigheid of daarmee samenhangende rituelen valt overigens in De Die niets terug te vinden, al hangt er in de gang met de maquette, waar die ene keer W in paniek was, verderop een hatseflats, altaarachtig plakbord met bovenzintuiglijke mededelingen en daarvoor een plateau met door batterijen aangestuurde waxinelichtjes. Hier dus niet, en nergens, wordt gebeden; niet voor het eten, daarna ook niet dank gezegd, noch slaat iemand af en toe een kruis of wordt er onverhoeds geknield, hoewel ik onder de rokers een enkele keer een warrige woordenwisseling over de almacht van god meemaakte.
Nu is het dan tijd voor H, de enige ziel die ik, voor zover mogelijk, heb leren kennen, waar het de levende have van de Zwaan-afdeling betreft.
H zit in een rolstoel, beweegt zich daarmee voort door voornamelijk van zijn linkervoet of van zorgvuldig daarop aangestuurde balustrades gebruik te maken, en hij heeft een vertrokken gezicht, nauw verwant aan iemand met het syndroom van Down. Hij spreekt niet, maar af en toe slaakt hij kreten ook al worden die niet op prijs gesteld. Op éen of andere manier is hij de mascotte van het gehele instituut en velen die bij De Die horen, patiënt of personeel, groeten hem door middel van een zogenaamde boks en dat lijkt hem te plezieren. Ik doe daar niet aan mee maar knik hem steeds vriendelijk toe of zeg hai. In welke mate hij mijn vorm van contact registreert blijft me volkomen onduidelijk. Door dikke brillenglazen staart hij dan soms in mijn richting, maar die blik kan zich ook zo maar weer afwenden. Aan GJ, die vrijwel dagelijks de glazen van H poetst zonder dat deze ook maar enigszins voor revalidatie in aanmerking komt, vraag ik wat er in godsnaam mis is met H. GJ antwoordt dat hij dat niet weet, wat ik betwijfel, maar ook dat hij natuurlijk over de patiënten in huis niets mag zeggen. Dat begrijp ik.
De dag dat ik voor het eerst, na eindeloos gezwier en gedraai in mijn rolstoel, een ruime ronde op twee krukken loop komen H en ik elkaar tegen bij de liften. Zijn mond krult tot wat zijn vorm van een glimlach moet zijn en hij steekt zijn duim op. Zo heeft nog niemand me met mijn nieuwe herstelstappen gefeliciteerd. Enkele dagen later rolt H me toevallig tegemoet als ik me, intussen met éen kruk, op zijn afdeling begeef. Opnieuw heft hij zijn duim en als we bij elkaar komen leg ik mijn rechterhand op zijn schouder. Klaarblijkelijk bevalt hem dit niet en hij schreeuwt. Ik bied mijn excuses aan (‘Sorry, sorry!, ik zal het niet meer doen’) en reik hem diezelfde hand. H legt daarop zijn kromme, verkrampte vingers op mijn handpalm waarna we ieder ons weegs gaan.
Een kleine week later klopt GJ op mijn kamerdeur voor de geplande fysio-afspraak. ‘Ja, wat nu weer?’, roep ik luid, mijn gebruikelijke begroeting aan hem. Ik pak mijn kruk en loop vanaf mijn laptop op hem af.
‘Wat gaan we vandaag doen, Hans?’
‘Ik heb geen flauw benul, GJ’, antwoord ik.
‘Ik eigenlijk ook niet’, zegt GJ, ‘wat mij betreft kun je naar huis. Ik bepaal dat niet, maar over het algemeen vinden ze dat hier op de afdeling maar niks, zo kort voor het weekend. Ontslag op staande voet met de procedure die daarbij hoort, en zo. Ik ga wel kijken wat ik kan doen’.
Ik vlieg hem niet om de hals, ben ook niet meteen in alle staten, maar rol wel een sigaretje en begeef me, nog steeds in de rolstoel die ik allang niet meer nodig heb, naar beneden en naar buiten. Op het Saïd-plein, zoals de voorplaats sinds een paar jaar heet en waar een schild op duidt (Saïd, brenger van geluk – 1990-2020; ik heb hem zes jaar geleden gekend), rook ik in mijn eentje, want gek genoeg zijn alle reguliere paffers afwezig, ook al schijnt de zon. En dan staat GJ ineens naast me: ‘Bestel voor morgen maar een taxi, Hans, je kunt naar huis, het wordt geregeld.’ Omdat ik me zes weken klein heb gehouden, me aanpaste aan de beperkte motoriek van het dagelijkse, barst ik niet uit in gejuich. Wel voel ik hoe er zich in mij iets uitzet. Ik rol 180 graden om en keer terug in de schoot van het vermaledijde gebouw. In de hal zie ik verder niemand die me opvalt; een lift gaat open en ik stijg op. De eerste die boven voor me klaar staat is H en in vluchtige termen vertel ik hem dat het klaar is voor mij, dat ik naar huis mag. H steekt zijn duim op, als felicitatie. En als afscheid vermoed ik. En we glimlachen elkaar toe.
