Mijn Anthurium

Ik kan niet door Truman Capote heen. Truman schreef zijn geweldigste en betekenisvolste korte verhaal “Lola” over een vogel, een gekortwiekte raaf. Veel mensen hebben dat niet gelezen, wat bijna verwijtbaar is als het niet zo treurig zou zijn, want het is een verhaal over liefde.

Capote’s verhaal begint met de mededeling dat hij niet zo heel veel op heeft met vogels. Ik kan me daar weinig bij voorstellen, want ik ben dol op vogels. Ik ken er ook veel, al kennen ze mij niet.

Ik heb wel een paar honden gekend, die mij wel én goed kennen, nog steeds, al zie ik hen en zij mij niet meer. Sommige heb ik veel uitgelaten, ze mede opgevoed, er veel mee gespeeld toen ze jong waren, ze vertrouwd gemaakt als puppy. Ik sta er mee op foto’s. Het verlangen om die honden nog eens te zien is groot, zeker omdat ze spoediger zullen sterven dan ik zelf, maar de mogelijkheden daartoe zijn niet heel erg uitgebreid.

Nu zit ik naast een Anthurium.

Op zich, dat geef ik ogenblikkelijk toe, is dat ook wat waard. Maar waar Truman problemen had met vogels, heb ik planten, gras, maar ook bomen altijd maar rare elementen der natuur gevonden. Enige jaren was ik, door aangename omstandigheden gedwongen, een verwoed, dus enthousiast tuinier. Omdat ik nou eenmaal neig naar het vormgeven van alles, moest ook de beslist niet kleine stadstuin die mijn ex en ik er toen op na hielden er aan geloven. Terrassen, borders, vroeg- en laatbloeiers en altijd groene struiken werden uit tuincentra aangesleept en er was ook een vijver met libellen, kikkers, salamanders, et tout le tabac. Door omstandigheden is het gehele concept in de loop der jaren niet tot in de fijnste details uitgewerkt, ben ik bang. Sommige dingen moet je groot maken in een tuin en andere juist klein houden. Maar sinds ik er geen oog meer op kon houden vrees ik dat sommige zaken zich buitenproportioneel hebben ontwikkeld. Nou ja, soit, bij bepaalde zaken moet je je als mens, of in een mensenleven, neerleggen, of je dat nou wel zou willen of niet.

Maar intussen zit ik dus naast een Anthurium.

En die dreigt ook nog eens om te vallen omdat hij steeds meer naar het licht toegroeit.

Mijn grootmoeder van vaders kant had ook een Anthurium. Ze had geen gordijnen aan de kant waar de plant stond, maar daar kwam ook geen zon binnen geschenen (elders wel gordijnen, van die zware pluche), en wat aan de vegetatie rood moest worden werd ook rood. Dat laatste gebeurt bij mij niet; de “bloesems” blijven een soort vaalgroen, doorschoten met een enkel roze vlammetje. Het zou natuurlijk gekund hebben dat mijn oma zich, elke keer wanneer wij als kleinkinderen te logeren kwamen, als een goudvis na een logeerpartij, een nieuwe Anthurium aanschafte, maar dat kon ze volgens mij, qua leugen en qua geld, niet opbrengen. Daarnaast kregen we, na elke etappe van de Tour de France, een ijsje omdat er iemand had gewonnen, wat ik eerlijk en heerlijk vond en geen reden voor wantrouwen. Tevens staat mij bij dat de grootmoederlijke Anthurium geen extreme proporties aannam, maar zich eerder stabiliseerde in een soort Twiggy-vorm. Geen Dolly Parton, bedoel ik.

Ik zit dus met een paar vragen over míjn Anthurium.

Kijk,… ik weet van wie ik hem/haar heb gekregen en aan die herkomst schort helemaal niks. Ik weet dus bijvoorbeeld zeker dat mijn Anthurium niet op jonge leeftijd is misbruikt. Toch zet die schuchterheid, wat kleurontplooing betreft, me wel een beetje aan het denken. Ik begrijp natuurlijk best dat niet elke bescheiden deerne meteen een volle blos op haar toet heeft. Maar mijn gewas wil naar het licht toe, gretig zelfs. Daardoor, en met dat probleem zit ik naast haar, dreigt zij, als ik niet spoedig ingrijp, om te vallen. En ze groeit maar door, zich ontplooiend tot een jonge Rododendron. Er lijkt sprake van lust.

Ik weet wel dat zonnebloemen, waarmee in Zuid-Frankrijk hele agrarische terreinen vol staan, het oog enorm kunnen boeien omdat ze met de zon mee draaien, denk aan Vincent, maar daar zit ik hier, met mijn Anthurium, natuurlijk niet op te wachten, want er zijn in het geheel geen kunstschilders in de buurt (wat niet waar is, want Marlene Dumas heeft haar atelier in het pand naast mij, maar zij doet niet aan bloemen).

Ik heb liever niet dat mijn Anthurium omkiepert uit lichtgeilheid. Zal ik haar eens honderdtachtig graden draaien? Dat is een goeie suggestie, behalve dat mij dan het zicht op het halve beeldscherm van mijn Lap Top wordt ontnomen vanwege dat ik een nogal economisch geschapen, en dus petieterig bureautje heb waar ik liever geen afstand van doe. Bovendien: draait ze dan niet, analoog aan die zonnebloemen, haar eigen nek om, terwijl ik, tijdens dat proces, een belangrijk deel van alle internetinformatie over Donald Trump moet missen?

Intussen heb ik mijn Anthurium, ik ben zelf per slot van rekening man, voor het gemak, en de lezer zal het hebben gemerkt, het vrouwelijk geslacht toegerekend (werkelijk determineren is mij, in deze periode van mijn leven, een net iets te gynaecologische klus). Ik ben behoorlijk politiek correct, maar de hele tijd dat ge-hem/haar hangt me de keel uit.

Over haar maten heb ik overigens niets te klagen, bladeren groot (per analogie zeker Cup D) en die bloemen, die maar niet rood willen worden, maar wel met zo’n piemeltje er uit, zouden bij de bloemist toch echt een bepaald bedrag opbrengen.

Maar ik kan van mijn Anthurium natuurlijk niet meteen een investering maken. Voor de bloemen moet je d’r kortwieken en met die Cup-maat kan je haar wel achter het raam zetten, wat ze eigenlijk al staat, maar er heeft nog niemand aangebeld. Nou, okay, toegegeven, we zitten op tweehoog, dus van passanten moeten we het niet hebben. We zouden natuurlijk op Tinder kunnen gaan, maar, zojuist gezocht hebbend, konden we even de plantaardige afdeling niet vinden.

Ik weet wel dat er vrouwen zijn die er bij zichzelf van alles instoppen, gereedschap, oude wijnflessen, of champagnekurken, maar dan ben je zo’n plant in éen keer kwijt. En ik heb schenker/erfgever Guus beloofd dat ik goed voor haar zou zorgen en belofte maakt schuld.

Kijk: er zijn, naast andere zaken, in de wereld twee dingen: je hebt een Anthurium of je hebt er geen. Een goeie vriend heeft er bijvoorbeeld geen éen, wat heel lullig voor hem is, maar ík heb er wel éen en dat brengt een diversiteit aan voordelen met zich mee. Je kan je er bijvoorbeeld zorgen over maken. Wanneer was ook al weer het laatste moment van water geven? Nou, kort voordat ik naar Duitsland ging; Genau, en nu dus weer: Alles vorbei, geen zorgen meer. Of er bijvoorbeeld over nadenken hoe het komt dat ze bijna om duvelt. Niet omdat ze Leffe Blonde (en daarna Havana Club rum) heeft gedronken, maar omdat ze opgewonden het raam uit tuurt, terwijl er helemaal geen andere Anthuriums in de buurt zijn. Of: of de buitenwereld heeft opgebeld voor een afspraakje? En ik zou me ook kunnen afvragen of ze eenzaam is en of ze te weinig licht krijgt, want soms heb ik het gordijn wel een halve dag dicht.

Maar ik zit altijd naast haar. En wie kan daarover klagen, in Godsnaam?

Enfin, ik zal wel een breipen of een enorme satéstok in haar plantaardig wortelstelsel moeten steken en haar daaraan vastbinden. In België zou menige vrouw dat geweldig vinden, maar ik doe het, hier in Noord-Holland, met tegenzin. Niets zal me echter verhinderen om haar reputatie overeind te houden.

Ze is, per slot van rekening, mijn Anthurium.

Hans Gieles

Amsterdam, 20 maart 2019

Voor Roy, mijn goeie vriend.

Getting Back from BH to Amsterdam

Dearest S. and A.,

Whilst I was experiencing it, I started, bit by bit, to realize that a report on my trip from Frankfurt to Amsterdam could be worth a little story. I dedicate this text especially to our friendship, but also to the friendship between Germany and The Netherlands in general (please see attached Exhibit A).

After being so kindly dropped off at Frankfurt Hbf by you, Susan, I easily found my way to the correct Gleis (19) where my train already had been patiently waiting for me and my fellow travelers. I found the chair that was reserved for me, tucked my little golden-orange suitcase in a safe place and installed myself. I made sure that I had your wonderful goodie-bag at hand, opened my Anthony Bourdain book and was ready to go. The train left according to schedule (as opposed to the first train I ever took in Switzerland to get me from Zürich to Basel, which had a delay of 15 minutes, despite the great name of precision that the Swiss have concerning train travel). The chair next to me remained empty, even though, according to the digital description had a reservation attached to it: Lucky Me (LM). 

I always felt that ICE, both as a train as well as the Pistachio-version, is a great invention and my first leg of the trip home, until Cologne, proved that for the umptiest time. Arriving at the Gleis closest to the Dom I was allowed a great view of it and thus a minuscule feeling of having been in Cologne too during this voyage. When are they planning to finish the restoration of this enigmatic building, by the way? 2057, 100 years after I was born?

Anyway, without any trouble I found my connection, ICE as well, which would bring me to Oberhausen. Deutsche Bahn kept there promise immaculately and, while showering me with DB-chocolates, dropped me off at the immensely boring and ugly Oberhausen Central Station. Despite the station’s rusty state, I didn’t become aware yet that it was as of here that things would start to go ziemlich wrong, but as of now, I will interpret such demise as a warning signal.

The next train I was to take was a regional one. All fine, you could say, but I am not partial to this kind of transport quality, certainly not since I was supposed to be moved, from you to Amsterdam, in First Class Mode (FCM). The sign above the Quay mentioned Wesel, Emmerich and Zevenaar as stops before we would reach Arnheim, where my 3rd and final transit would await me. Immediately after gaining speed leaving the station it started to diminish that wonderful aspect of travel to prepare for the stop at Oberhausen-whatever (not Oberhausen-Flughafen!). And this announced a stop-and-go rhythm (which I felt as a penalty (ask Adrian what this means in Formula-1)), whereby it seemed that, as decided by some DB-overlord, it was absolutely necessary to have a train station every 900 meters between O’hausen and Wesel (Dinslaken comes to mind). All these “stations” were in an even more decrepit state than the aforementioned and practically devoid of travel aspiring passengers. 

I have to admit that the train personnel was forthcoming, but the fact that First Class was completely NOT DIFFERENT from the class for farmers and laborers troubled me. There was a difference, admittedly, namely a piece of cloth, to be hung by Velcro on the head rest of one’s chair, on which was printed “1. Klasse” (please see Exhibit B). All very unconvincing.

Just before driving into Wesel things started to get worse. Over the board radio it was announced that our train was Kaputt and wouldn’t be able to make it beyond Wesel. A bus would be waiting for us outside Wesel-Hbf which would transport us to Emmerich where we then could continue our trip on the Eisernen Weg as planned. This all came as a surprise to me, since, apart from the aforementioned, I did not have any complaints about this local thingy’s qualities in terms of moving in the forward direction. But since I am not a mechanical engineer, I am clearly not the person to judge these aspects of transportation, even though I would like to turn such a hobby into my profession.

Since I had, at Oberhausen, acquired two half liter cans of Veltins of which I had finished the first one during this village trip, and since the train I was traveling in had no toilet facilities, I started to bother about my bladder. In the end I managed to keep everything in until a correct moment appeared to release myself, but exiting it was! 

En Fin, everybody out of the train and into the bus. I hurried to be secure of a place to sit and I managed that. But since I have spent already nine Months in a fetus-like position, I wasn’t very happy to have to relive such a state for close to 45 minutes. The fat German guy next to me did in no way gave me any room and I had forgotten to eat my suitcase. A comparison to sardines in a tin comes to mind as well. 

In general I do not particularly object to being in a bus for a while, but in this case, ladies and gentlemen, it was horror. It would have been, zum Beispiel, better if night had already fallen, but we were driven around in brought daylight. Of course the bus had to visit every hamlet where the train would have stopped, the Abellio-transport company clearly being to much of a coward to forward us directly to Emmerich where everything was supposed to get normal again. So, sitting at a bus window, I was treated to many a boring landscape, Wiesen, a boring forest (in which sheep roamed, separated by gender) and completely avoidable gatherings of houses accompanied by even more avoidable shops and hairdressers. Unfortunately I clearly remember, for instance,  the Konditorei in the village of (“Welcome in …”) Willingen (or a concoction of a similar name). Think Bitburg, but then really, really small and without any historical highlight, let alone a brewery). Deeply engraved in my memory too is the house and its surroundings, apparently belonging to a collector of ornamental garden decorations including a, probably hand-painted, concrete gorilla of some sort. In short: all of them places where you wouldn’t want to be found dead, not even when you were in hell or heaven already.

At a certain point cars with number plates starting with KLE- began to appear. This signals the area around the city of Kleve which is way, way south of the line between Oberhausen and Arnheim. Soon I might be back in Frankfurt, I thought as of then.

But naturally, in space and time, we reached Emmerich. Sometimes, and without love, I can stare in amazement at monuments of “industrial architecture”. Characteristics are usually a grandeur of concrete and steel and an ergonomic connection of elementary parts of the production site, be it a coal mine or a factory for animal food. The Emmerich train station has none of this! Leaning against a pole will destroy your coat forever because of the rust stains it will leave and walking around over the platform demands a strong eye-sight to stay away from a stumble or fall.

Twenty five minutes later more or less exactly the same train arrived as we had left one-and-a-half hours before. Same nice personnel again, different but similar. Suddenly, probably planned, there were no tiny stations anymore, just Zevenaar (which is not a place to long for after having visited Naples), before arriving at Arnheim Station from which, ten minutes later, an ICE departed for Amsterdam, chocolates and all, me in an empty 4 person cabin, but not before having peed in the ICE-water closet that sucks everything away with such great Sound and Vision.

Of course I was able to endure all of the above because of the Great Bad Homburg Experience (GBHE)!

Thanks, Love,

Hans

E-mail aan goede vriend H. – 14 juni 2020

Verdomme H.,
Wat een ellendig bericht! Ik bedoel dat je genoodzaakt bent om er die inhoud in te stoppen. Het bericht zelf is lief en vol aandacht voor mij. Maar denk maar niet aan mij. Wat moet ik zeggen? Ik heb enorm met je te doen en maak me natuurlijk al een tijdje zorgen; naar nu blijkt terecht. Ik wilde dat ik iets voor je kon doen, maar gezien je huidige omstandigheden zit er zelfs geen opwekkend gesprek in. Laat maar weten …Voor L. zal het ook wel niet gemakkelijk zijn. Als zij een keer aan de telefoon wil huilen of stoom wil afblazen ben ik er klaar voor, al hoop ik dat jullie andere alternatieven om je heen hebt dan ik.
Mededelingen als Hou je Haaks slaan in dit geval natuurlijk nergens op. Vanaf een afstand sla ik maar mijn armen om je heen. 9 Juli is niet zover weg meer, al begrijp ik dat je niet uitziet (sorry!) naar een dergelijke ingreep. Wat je misschien opvrolijkt, al doet ruzie dat nooit, is de wetenschap dat ik die de afgelopen dagen wel degelijk met Rob S. heb gehad, maar daar vertel ik je nog wel een keer over.
Heel veel sterkte, lieve vriend, ook voor L., en als ik met wat dan ook kan helpen om je buiten het bereik van het afvoerputje te houden dan moet je het maar laten weten (de poezen water geven, de bibliotheek op kleur rangschikken, het tapijt van Hans H. bijschilderen of de roeden in het trappenhuis poetsen).
Luv, Hans

E-mail aan P. (bij uitzondering op deze saait) – 15 juni 2020

Lieve P..
Ik zit nu een tijdje te kijken en te luisteren naar een lezing van John Cleese voor de Cornell-Universiteit, waar hij op uitzonderlijke wijze al een aantal jaren professor is. Weliswaar is Cleese erg zelfingenomen en ook helemaal niet zo grappig als hij zelf denkt dat hij is, maar toch luister ik graag naar hem omdat hij nou eenmaal zeer intelligent en analytisch is. Hij draait vaak zaken op een mooie manier om en is ook een goed waarnemer van menselijk gedrag. Zo ook hier.
Ja, beide, thermiek en turbulentie waar we het over hadden, zijn mooie metaforen, maar zou het niet mooi zijn als we in een “thermieke” (ik kan even geen betere bijvoeglijke vorm verzinnen, termiekrijke, misschien?) tijd zouden leven? Een dergelijke samenleving ga ik hier niet helemaal omschrijven, maar de potentieel goede eigenschappen komen vast ook bij jou bovendrijven. Dat men zweeft op de goeie energie die in de wijde omgeving wordt losgemaakt en waar eenieder zelf ook aan die energie bijdraagt voor alle anderen. En dat kan dan natuurlijk in een sociale, een maatschappelijke of zelfs een politieke context, maar ook inclusief alle verhoudingen met Moeder Aarde die haar eigen thermische eigenschappen uitwasemt.
Zeker, die libellen: F. en ik hadden een niet kleine vijver in onze niet kleine voortuin (we hadden ook een niet kleine zijtuin en een enorme achtertuin, voor Amsterdamse begrippen, en die laatste dan ook nog eens aan “open” water. Dus dat “spel” van de Dragon Flies heb ik vaak mogen meemaken en van vele soorten, ook van waterjuffers. Evenals de salamanders, waterkevers, schaatsenrijders, kikkers, en zo voorts. Die eerste, net als de laatste, de Amfi Biën dus, kun je overigens niet een vijver in dwingen. Pas wanneer de biotoop het hun naar het zin doet voelen komen ze bij je langs en blijkbaar van overal vandaan. En ze zijn ook geen lange periode van water afhankelijk. Oh, oh, oh, wat een schoonheid was dat. Gelukkig pasten er geen nijlpaarden in ons meertje, want hun liefdesspel is, in onze ogen in ieder geval, wat minder poëtisch en luchtig, al duurt het minimaal een half uur.
Plagiaat (of copyright, ik had de afgelopen week binnen 36 uur weer eens ruzie met Rob S.) is in veel gevallen een ongelukkige vorm van domheid. De kunstenaar die jij citeert weet blijkbaar waar hij mee bezig is. Dat is enerzijds verwerpelijk, en anderzijds ook slecht beredeneerd (“Maar ik heb het gemaakt!”). Geestelijke armoede lijkt in de huidige (kunst)wereld een lofwaardig streven geworden. Eigenlijk parallel aan de uitspraak van de armen van geest dat mijn kleine zusje dat ook kan, al komt die dan vanuit de publiekshoek. Soms zijn de lijntjes ook wel erg dun, zoals bijvoorbeeld tussen Steven Aalders (gokje) en de Amerikaanse minimale schilders. Toch kan iemand haar of zijn terrein veroveren, zoals Steven geloof ik wel gedaan heeft. Een groot probleem is altijd al geweest dat men zich zo slecht informeert, zo weinig nieuwsgierig is, zo weinig kennis opdoet. Het was bijvoorbeeld een groot genoegen om te kunnen converseren met zo iemand als Jan Roeland, die heel veel wist (net als Steven). Van zichzelf zowel als van de kunst en de wereld en die daar ook met veel relativering en humor tegenaan kon kijken. Regelmatig serieus gelachen met Jan…
Lief dat je suggereert dat ik wel de opvolger van Joost zou kunnen zijn, maar DWDD bestaat inderdaad niet meer, er is geen andere televisiecontext voor een dergelijke rol, opboksen tegen de nalatenschap van Joost is onmogelijk en ik kan eigenlijk alleen maar in kleine kring functioneren op die manier. Misschien is dan voor mij een petit decor zoals Pierre Janssen dat had, of Simon Carmiggelt, nog het best. Maar de vraag is of ik überhaupt zoiets zou kunnen spelen voor de kijkertjes thuis. Al dacht ik af en toe wel: Nou, Joost, het kan ook wat minder, maar hij heeft het voor een groot publiek steeds heel mooi gedaan. Ik zou natuurlijk graag over On Kawara praten, of over Alan Uglow, maar dan word ik na die twee afleveringen met goedbedoeld geweld van de buis gehaald.
Dat ongewisse avontuur waarin een kunstenaar zich begeeft is inderdaad een groot probleem. Als je in Italië aangeeft dat je kunstenaar bent, schrijver, schilder, dichter, actrice, dan ben je meteen Professore. In Duitsland verdiende Rob in Kassel 10.000,00 Mark (plus een eigen studio) per maand om een week per maand zijn studenten te begeleiden. Dat zijn maatschappelijke en financiële vormen van respect. Dat hebben we hier niet en dus moet je, als kunstenaar, jezelf elke dag overtuigen dat je met iets bezig bent dat de moeite waard is. Natuurlijk ben je als kunstenaar geïsoleerd op je atelier, maar dat brengt het beroep met zich mee (behalve voor hen die het sociale gedrag ten opzichte van verkeerslichten op de gevoelige plaat vastleggen). Het verkrijgen van erkenning daarvoor lijkt af te hangen van de mensen die de moed kunnen opbrengen om zich voor jouw werk uit te spreken, in woord, gebaar, aankoop, of een andere vom van actie. En die mensen zijn in Nederland relatief zeldzaam. Bovendien hebben die vaak ook maar een kort, in ieder geval geen everlasting, geheugen; last van een korte aandachtsspanne. Afhankelijk zijn van je rijke onafhankelijkheid is moeilijk. En dat alles nog eens in de wetenschap dat je, binnen die rijke onafhankelijkheid, tegen (je eigen) grenzen aan kan lopen. En dan wordt een kunstenaar ineens vormgever of ontwerper van wepsaaits, waar op zich geen kwaad in schuilt. Ach, Edy de Wilde was jurist, dus niet alles hoeft het einde van de wereld te betekenen.
“Haast” is een eigenaardig begrip; ik stel mezelf bijna de vraag of haast wel met “Tijd” te maken heeft. Naast dat F. mij veel heeft bijgebracht, heb ik haar weer geleerd om, niet manisch, maar toch, ergens op tijd te komen. Het was niet zozeer een discipline, maar het vloeide voort uit een verlegging van voorafgaande zaken vermengd met het aardige idee dat iemand, elders, niet hoefde te wachten tot haar gelakte nagels droog waren (bij wijze van voorbeeld, want er waren altijd andere dingen). Krijgen we haast aangeleerd of rust? Als je voor vrienden aan het koken bent en je hebt de peterselie vergeten aan te schaffen dan moet je nog even gehaast naar de groentenjuwelier. Omdat het je schema verstoort, want je hebt alles goed gepland omdat je alles in je hoofd hebt uitgewerkt: de stoofschotel staat in de oven, een kwartier na aankomst van de gasten mag de rijst op en het voorgerecht is al uit de koeling gehaald, want het mag niet te koud worden opgediend. En de wijnen zijn natuurlijk allemaal op de juiste temperatuur. Geen reden voor haast, maar de fijngehakte peterselie maakt nou net het hoofdgerecht af: haast dus. Terwijl het programma al helemaal was uitgestippeld, van het marineren van de komkommer de dag tevoren tot het uitruimen van de vaatwasser, de volgende morgen. Haast is niet wat je kunt, maar wat je van jezelf meent te mogen verlangen. En om je daardoor op te laten zwepen. Bij haast is je ruimte beperkt. Van rust kun je zeggen dat de ruimte te ruim is. Dat nog éen glas sherry voordat de gasten arriveren geen kwaad kan. En dat de Pouilly-Fuissée dus te koud geserveerd zal worden.
Of heb je, dear Pete, al vóor je wat je de komende jaren nog af wíl of móet maken? Gewoon de boel mooi op spanning houden. Dat doen die libellenparen ook and nature takes its course.

E-mail aan M. – 20 juni 2020

Ineens schiet het me weer in het verkeerde keelgat, luisterend naar deze geweldige compositie van Lou: de reactie van T. op mij. Met zijn hele epistel van 18 juni, op de openbare App-structuur over dat “ik er wel wat aan gehad had als ik met hem in gesprek had willen gaan.” (net zoals hij, een dag later, ook weer M. aanvalt). Wat denkt deze gemankeerde alcoholist wel dat het aan hem is om mij op een openbaar platform terecht te wijzen? En wie denkt hij wel dat hij is dat IK iets aan een gesprek met HEM zou kunnen hebben? Is hij nou heliomaal van de pot gerukt? Niemand van onze leuke vriendjes en vriendinnetjes hier in huis reageren en die denken natuurlijk: och, laten die twee dat met elkaar uitzoeken. En eigenlijk hebben ze gelijk ook. Maar jij en J. reageren (natuurlijk) ook niet. Als jullie, in het ondersteunersoverleg, hebben bedacht dat het wel eens tijd wordt om Hans op z’n plaats te zetten, laat dat dan gewoon een keer weten. Het porselein in de kast is allang kapot en de olifant kataklopt intussen vrijuit langs de Amstel. Zie ook het zieke voorbeeld van Kees, eerder. 
Nou ja, meer weet ik nu ook even niet …
Hartelijks van “de eenzame patiënt” Gieles.

Louise

In het begin en in het midden van de jaren negentig, net als in de jaren tachtig, was het mogelijk om in een in offset gedrukte vorm gegevens van kunstenaars op te zoeken. Als galerie of kunstinstituut kon je daarin adverteren en bij de gratie van de opbrengsten daarvan bestond die publicatie, The Art Diary. Klaarblijkelijk kon menig kunstenaar de verleiding niet weerstaan om haar of zijn gegevens, adres, postcode en telefoonnummer, daarin te laten opnemen. Intussen is deze ranke pocket in het web opgelost en zijn kunstenaars een stuk terughoudender geworden in het openbaren van hun informatie.

Aangezien ik artistiek leider was van het kleine bedrijf dat mijn vrouw en ik begonnen waren ontwikkelden zich bij mij in die lijsten van contactmogelijkheden diverse verlangens. Zoals het er naar uit zag kon ik iedereen wiens of wier werk ik bewonderde bereiken door middel van dit boekje. Bijvoorbeeld Robert Ryman (die even geen zin had in een werk in oplage), Jeff Koons (die ik al had leren kennen, maar geen heil zag in een samenwerking), Robert Gober, Robert Barry (met wie meerdere projecten tot stand kwamen), Elsworth Kelly (met wie enkele memorabele telefoongesprekken volgden, maar geen editie) en met Bridget Riley bij wie ik nog steeds op de thee mag komen, maar die me toevertrouwde dat ze onze zeefdrukker niet precies genoeg achtte om iets met ons samen uit te geven; ten onrechte, maar de kunstenaar was altijd de baas of bazin, zo meende ik …

Naar aanleiding van een vakantievoorval had het bedrijfje van mijn ex-vrouw en mij een Franse naam. Om begrijpelijke redenen was dat voor Louise Bourgeois meteen een reden om in mij een aanvaardbare Franse gesprekspartner te vinden. Vanaf het eerste moment dat ik contact met haar kreeg, zij in New York, ik in Amsterdam, vonden de eerste twee minuten van ons gesprek in haar moerstaal plaats. Met plezier wrong ik me altijd even in de bochten die mijn minimale kennis van het spreken in het Frans me boden. Spoedig echter moest ik Louise manen tot een “lentement” om kort daarop over te mogen gaan op een Engels dat zij natuurlijk zeer goed beheerste al was ze een Frans accent nooit kwijtgeraakt.

“Yes, tell me!”, was haar eerste nieuwsgierige vraag naar wat ik eigenlijk uitspookte en wat de reden was voor mijn telefoontje, gevolgd door de vraag: “Are you in New York?”.

In die tijd was Louise natuurlijk nog niet de wereldheldin die ze nu is. Dat wist ze natuurlijk zelf ook, al was haar zelfrespect terecht gestegen met alle aandacht die er gelukkig sinds eind jaren ’80 voor haar werk was ontstaan. Er bestonden al enkele cult-documentaires over haar waarin ze een soort half-waanzinnige kunstenaarspersoonlijkheid speelt, des ochtends haar kranten strijkend, en waarin ze af en toe haar eigen sculpturen voor de camera stukgooit omdat ze, zo meldt ze, daar gewoon zin in heeft.

Maar het werkelijk internationale respect voor Louise Bourgeois was nog aan het groeien. Tegelijkertijd maakte Louise al bronzen gietsels van haar houten sculpturen uit de jaren veertig, dus ze wist wel degelijk precies wat ze waard was. Beelden die vaak als masculien worden gezien, maar die, vooral gegroepeerd, een enorme kwetsbaarheid, teerheid en onzekerheid weerspiegelen, maar alles nadrukkelijk uitgesproken.

Net als bij Andy Warhol zijn die drie eigenschappen ook specifiek voor het hele oeuvre van Louise: bijvoorbeeld in tekeningen, zakdoeken, stofpoppen, cell-werken, voeten, handen, teksten.

Af Fijn, Louise en ik belden dus met enige regelmaat, oui, bien sûre.

En ik had haar gevraagd of ze voor ons een werk in oplage zou kunnen concipiëren. Nou, dat was niet zo gemakkelijk, want ze was enorm aan het etsen. Dat deed Louise namelijk graag, etsen, en een enorme concurrent van ons in New York had net, recentelijk, zojuist, vorige week, een hele etsinstallatie bij Louise in de kelder, down town, geïnstalleerd. Daar moest ze dus wel mee aan de slag. Toch zou ze wel degelijk over onze uitnodiging nadenken. Maar wanneer was ik nou eigenlijk precies van plan om haar in New York te bezoeken??

De aan haar gerichte uitnodiging was er niet een van de reguliere orde, of eigenlijk wel, voor ons. We hadden in Amsterdam verzonnen, ik eigenlijk, dat het wel wat had als een kunstenaar een voorstelling bedacht die we dan in “onzichtbare inkt” lieten drukken. Je kon dat “lege” beeld dan als kunstenaar, wat velen ook gedaan hebben, weer handmatig zichtbaar maken met (kleur)potlood, grafiet, pigmenten of pastelkrijt.

“Ja, graag, Louise, ook jij!”

“Are you in New York?”

Het leek wel een halve relatie, dus ik moest naar New York. Dat moest ik sowieso al, voor een bezoek aan een paar kunstbeurzen, aan de New York Public Library en aan het MOMA, want tijdens de verkoop ging mijn werk gewoon door.

Naast haar werk is Louise Bourgeois ook bekend vanwege het feit dat ze op zondagmiddagen, jaren lang, vooral vrouwelijke kunstenaars, curatoren en critici ontving in haar huis, meestal vanaf een uur of drie; haar zogenaamde Salons, die langzamerhand een cultstatus kregen. Het zal niemand verbazen dat ik daarvoor werd uitgenodigd en wel op het vroegchristelijke tijdstip van twee uur des middags.

Nou wil ik niet zeggen dat ik me een ongeluk heb lopen zoeken, maar wel, en dat is echt waar, dat op weg naar haar townhouse, vanaf een nauwelijks volgroeide boom me, zonder dat het opmerkelijk hard waaide, een behoorlijk zware tak op m’n schouder viel. Ik weet wel dat je in Amerika mensen, gemeentes en staten overal voor kunt vervolgen, maar dat leek me niet de beste binnenkomer bij Louise. En verder werd ik door pijn noch door angsten achterna gezeten.

Trapje op, aanbellen. Wat moet je anders. Uit het voorraam komt het rozijnige hoofd van Louise Bourgeois gestoken. Louise was toen reeds ruim in de tachtig.

“Yes”?

“Hello, I am Hans”.

“Yes, I’ll open the door”.

Ik ben altijd van het tutoyeren geweest, althans, vanaf het moment dat ik je en jij tegen mijn ouders durfde te zeggen. En dat heeft vele jaren in beslag genomen omdat suggesties in die richting niet van hen kwamen. Het beslag laten leggen op “Het Uwen” heeft lang geduurd. Bij hun voornamen, Ben en Lenie, heb ik mijn ouders nooit genoemd en in zekere zin doet dat me nog steeds verdriet. In het Duits is het niet vanzelfsprekend dat je iemand met “je, jou en jij” aanspreekt (behalve God en je grootouders), maar omdat ik toch een buitenlander was (en ben) deed en doe ik dat daar steeds en dat valt meestal goed.

Ik kan me niet herinneren dat ik Louise begon aan te spreken bij haar voornaam, maar dat moet reeds snel hebben plaatsgevonden: “Yes, but Louise, …”, want we waren het telefonisch niet altijd met elkaar eens.

De vraag of ik op deze New Yorkse zomerdag zenuwachtig ben is eigenlijk van geen belang; we hebben elkaar al vaak aan de telefoon gehad; wat hebben we van elkaar te vrezen? Nou ja, ik sta op het punt om een van de belangrijkste beeldhouwsters van de 20-ste eeuw thuis te bezoeken.

Kort na mijn binnenkomen overhandig ik haar een fles zeer fraaie Bourgogne, gekocht op advies van een gemeenschappelijke kennis, die ze dankbaar in ontvangst neemt, die ik open maak, en die ze in de loop van de middag, in een rustig tempo, na een kopje koffie en naast een glas voor zichzelf, aan mij zal proberen op te schenken. Tevens overhandig ik haar een exemplaar van een T-shirt met daarop ons logo, vergezeld van de vraag of zij zich daarin op een door haar gekozen moment en wijze wil laten fotograferen.

“I will do so”, zegt Louise, “I will wear it. And Nothing Else!!” Helaas heeft ze zich nooit aan die toezegging gehouden, voor zover ik weet.

Ze vraagt mij om de luiken en ramen naar haar tuin te openen (het is augustus, warm en enorm benauwd), ze krijgt het zelf niet meer voor elkaar. Daarna stelt Louise mij aan als portier voor de komende middag en geeft me de daartoe noodzakelijke instructies: “You open the glass window in the door, ask who is there, you close the glass, you will come to me, tell me who it concerns, and I will tell you if you can let them in, or not”.

“Okay, Louise”, en dat doe ik dus ook in de loop van de middag, alsmaar goeie vriendinnen van haar binnen latend, want voor niemand anders (“or not”) is er een reden bij haar langs te wippen of aan te bellen. Ik ben verdomme begin veertig, maar ik laat me dit recente aspect van onderdanigheid in onze nog frisse verhouding met een licht gevoel van ongemak aanleunen.

De rest van dat eerste uur zitten Louise en ik samen in de piepkleine keuken die zich in het midden van de bel-etage bevindt. Het keukentje grenst in open setting aan de zeer ruime achterkamer waar twee wanden door boekenkasten worden afgedekt. Een veelheid aan dingetjes, memorabilia en recente kleinere stoffen voorbeelden van eigen werk vult alles wat horizontaal is. Waarschijnlijk werkt ze aan die laatste nog, want verder is er geen Bourgeois-tekening of -sculptuur te bespeuren, zoals dat hoort bij goede kunstenaars.

Aan die binnendruppelende en door mij welkom geheten vriendinnen mag ik daarna, op Louise’s bevel, steeds opnieuw mijn voorstel voor die onzichtbare inkt uitleggen, precies als eerder aan Louise zelf. De Meesteres doet of zegt zelf weinig, maar blijft zeer alert en geniet duidelijk van de samenkomst. Ze maakt vooral notities met potlood in een petit aantekeningenboekje. De gespreksonderwerpen beperken zich niet tot beeldende kunst en regelmatig wordt er gelachen. Ik voel me licht geïntimideerd door de entourage, maar tegelijkertijd op mijn gemak. Ik realiseer me steeds dat ik “een man met een missie” ben: Louise overhalen om met ons samen te werken, natuurlijk, maar ik kan niet anders dan “go with the flow”.

Wanneer haar zoon Jean-Louis onverwacht opbelt, vanuit Mexico (waarom niet?), en Louise zelf de telefoonhoorn van het vrijwel antieke toestel opneemt, geeft ze die na enkele woorden, met een uitgestrekte magere arm, door aan éen van haar gasten (gelukkig niet aan mij) die de goeie man nooit gesproken of ontmoet heeft met de woorden: “Jean-Louis wants to talk to you!”, wat tot een kort en vanzelfsprekend weinig samenhangend gesprek leidt met een verbijsterde jonge kunstcritica terwijl de rest van het kleine gezelschap getemperd doorkeuvelt.

Na een afrondend Good-bye, nice to meet you en een kusuitwisseling tussen Louise en mij verlaat ik om een uur of vijf de eigentijdse, maar ook anachronistische fata morgana aan de twintigste straat. Was het vanmiddag nou 1958 of 1998?, vraag ik me af.

Daarnaast blijft het ook nog eens ongewis of Louise bereid is om mijn uitnodiging serieus te overwegen. Wat me in ieder geval rest is een vorm van trots en plezier dat ik zojuist éen en ander aan Louise heb mogen voorleggen en dat ik deelgenoot ben geweest van een legendarische babbelclub van niveau en genoegen.

Een maand of drie later komt er in Amsterdam via de fax een voorstel van Louise voor een kunstwerk in zeer kleine oplage hetgeen ik afwijs omdat het niet voldoet aan het door mij voorgestelde concept.

Had ik mijn verstand maar gebruikt. Alles was zo eenvoudig geweest! Oh, waar was mijn respect voor Louise? Hoe kon ik zo brutaal zijn? Was ik maar nooit geboren!

Een paar maanden voor haar dood in 2010, Louise is dan 98 jaar oud, staat haar zaakwaarnemer, tevens muze, Jerry Gorovoy me nog een kort telefoongesprek met haar toe. Ja, alles is goed, zegt ze, en ze informeert of alles goed met mij is.

Of we Frans of Engels spreken kan ik me niet meer herinneren, maar Louise vraagt me wel of ik toevallig in New York ben.

Hans Gieles

Februari MMXX

Email aan C. – 3 juli 2020

Lieve C.,

Ik leuter nog maar wat door na onze mooie correspondentie per Whats-App. Ik moest denken aan dit nummer, al heb ik geen flauw idee waarover het gaat, en al komt het woord politiek regelmatig voor, wat ik niet zozeer in eerste instantie met jou associeer. Ach, je zal het wel niet voor het eerst horen, en origineel zijn is ook voor mij niet weggelegd. Het is zo moeilijk om je in het leven neer te leggen bij het feit dat alles dat je bedenkt al eerder bedacht is. Ik begin er toch steeds meer aan te wennen en daar ben ik intussen 63 jaar oud voor geworden. Het is heel erg onduidelijk wat winst is, of verlies
Ik ben erg onder de indruk van je schrijven, om het maar kort en duidelijk te zeggen. Schrijf je wel vaker, of schrijf je al langer? Mocht dat zo zijn dan zou ik wel eens wat meer willen lezen. En dan in alle vertrouwen dat er geen woord van verder komt.
Ik schrijf wel degelijk, maar zonder een systeem of een discipline of noodzaak. Soms zijn het lange e-mails, maar soms ook teksten die ik intussen “vignetten” ben gaan noemen. Want het zijn geen korte verhalen, het zijn ook geen columns, en ook geen anekdotes. Ik weet niet of je het geduld hebt om af en toe iets te lezen, maar ik kan je wel een keer iets sturen. Nou ja, ik hecht, ongevraagd, een “vignet” aan over het openen van ramen.
Wist je dat ik heel erg goed ben in het voeren van gesprekken per telefoon? Gemiddeld duren de gesprekken die ik voer, met de liefste mensen om me heen, waaronder F. en broers en zussen, tussen de 1 en 3 uur, waarbij T-Mobile heeft bedacht dat het na twee uur wel eens afgelopen mag zijn en dan wordt de verbinding ook heel succesvol verbroken. Of ze veronderstellen dat je tegen die tijd wel in slaap zal zijn gevallen. Ik geloof niet dat er instellingen zijn om dat te voorkomen. Soms zijn er dagen dat ik, bevobbeld, drie van zulke gesprekken voer. En die gaan niet over niks. Zo heb ik sinds twee jaar een vriendin, geen VRIENDIN, maar gewoon een geliefd medemens, wier zus niet lang geleden zichzelf door middel van de metro om zeep heeft geholpen. Gelukkig ben ik er in geslaagd om haar een praatgroep in te lullen, waar ze onlangs haar eerste positieve ervaring heeft gehad.
Geloof jij nog in God, tegenwoordig? Ik niet, in ieder geval, maar wel in Elvis Presley en Frank Sinatra.
Ga je binnenkort een keer met me mee naar het Rijksmuseum? Gewoon een beetje rondlopen en naar Vermeer en Rembrandt kijken?
Af Fijn, ik vind het fijn dat we dit contact hebben. Je moet je er verder maar niks van aantrekken of gewoon een stukje ossenworst met mosterd eten, maar je weet hoe je me kan bereiken en ik neem je zeer serieus.
Met zeer lieve groet en je sterkte wensend, Hans