Om mijn waardering aan C. Stip te laten blijken …

Hoewel ik dol ben op poëzie (dat is een halve waarheid, want ik geloof er liever in dan dat ik het lees) weet ik er maar weinig van. Toen ik nog de sterren van het hockeyveld speelde (ook gelul van de bovenste plank) zwelgde ik met schoolgenoten en een enkele docent in het werk van Rutger Kopland. Die kon zelf ook heel mooi voorlezen uit eigen werk, betrokken, jonge sla. Maar toen ik hem, na zo’n lezing een keer wat langer sprak bleek hij precies dezelfde voorkeuren voor beeldende kunst te hebben als zoveel Nederlandse literatoren kenmerkt: ietwat precies, niet te los, figuratief, de derde klas middelbare school-filosofie van Harry Mulisch, zeg maar, maar dan beeldend.

Stilstaan is een extreme vorm van lopen, had ik op jonge leeftijd reeds geformuleerd, want je moet ergens beginnen. Daarna kwamen, althans binnen mijn blikveld, Mulisch met “De wijn is drinkbaar dankzij het glas” en Kopland met “Weggaan is een vorm van blijven”.

De vrolijke, maar zeer verfijnde huppelverzen schrijvende dichter C. Stip vermeed dergelijke semi-filosofische constructen al waren (en zijn) ze beslist niet zonder betekenis. Ter gelegenheid van het hieronder aangehaalde gedicht voeg ik gratis een illustratie toe, namelijk die van een specifieke vink, de vernoemde zogenaamde kruisbek, want niet iedereen kent die vogel, al spreekt de naam voor zich bij het waarnemen van dit ornithologisch fenomeen.

Op een kruisbek

Een grote kruisbek te Maastricht
beminde zeer zijn achternicht.
Doch toen een oom met ouder rechten
het met die kruisbek uit wou vechten
sprak deze met een breed gebaar:
‘Hou jij je grote kruisbek maar’.

Een Gevalletje Heupfractuur

30 juni 2019

Lieverd,

Geen paniek hoor, maar ik leg in het BovenIJ-ziekenhuis met een, intussen succesvol geopereerd, gevalletje heupfractuur. Was afgelopen donderdag ’s ochtends net niet goed genoeg op mijn wegrijdende bureaustoel gaan zitten om te schrijven, viel en kwam niet hard maar zeer ongelukkig op mijn linker bips terecht.

Intussen strompel ik alweer, met looprek en, sinds vanochtend krukken wat rond of rijd met de rolstoel, waarin ik oefen voor mijn vrije kür, naar buiten voor een pafke. Er ligt natuurlijk een hele revalidatie in het verschiet, maar vedders is iedereen dolenthousiast. Mag waarschijnlijk spoedig weer naar m’n Tolstraatje. Zie een beetje op tegen de trappen aldaar, maar die horen ook bij het leven. Af Fijn, er zijn erger dingen in de wereld.

Veel liefs van een goedgemutste Hans.

Vervolg / 30 juni

Alles is wel behoorlijk pijnlijk, maar ze zijn hier niet zuinig met medicijnen, laat staan de sterkte daarvan. Ze voeren me ook Lorazepam, weet niet waarom (ik weet het eigenlijk wel, intussen, maar daarover een andere keer), maar dat slik ik niet en leg ik apart voor andersoortige noodgevallen; wat ik aan pijnstillers krijg bezorgt me al hallucinaties genoeg. Mobiliteit is nog wat moeizaam natuurlijk, maar ik beweeg me rot: rolstoel, loopsteun en krukken. Eind van de dag dan moe maar tevreden.

Ik overweeg nu om nog 1-2 weken naar een revalidatiepark te gaan voordat ik dagelijks de trappen thuis ga bestijgen en afdalen. Iets meer kracht, routine en zelfvertrouwen opbouwen. Hier in het ziekenhuis gaan ze me daar zeker niet voor houden.

Vriend R. is hier elke dag en ik krijg ook wel support van anderen. Morgen komt M. bijvoorbeeld op bezoek en T. en vriend G.
Ben verder opgewekt en welgemoed (wat met een “t” is, volgens mij, maar wat ik graag met een “d” schrijf).

2 juli

Hoor net dat ik morgen om 11.00 uur word verwacht in revalidatiecentrum De Die, bij het Buikslotermeerplein. Ik zal worden versjouwd met een rolstoeltaxi.

Leuk hè, hoop ik?

3 juli

Deary,

Was hier in De Die om 11.45 uur en heb tot op heden, 16.15 uur, met allerlei leuke types, noodzakelijke, maar goeie gesprekken gevoerd. Ben nu toe aan vakantie omdat ik ook nog, tussentijds, naar beneden ben gerollatord om in de tamelijk fraaie binnentuin nicotine te gebruiken en om aan de balie een tv-koptelefoon aan te schaffen voor het geruisloos beluisteren van de televisie.

Ik lig op een kamer met een vriendelijke, maar verder totaal onbenullige oude man. Heb in meerdere gesprekken, niet met hem, aangegeven dat een solokamer mijn herstel enorm ten goede zal komen. Iedereen, wat personeel en staf betreft, is erg aardig en bij vlagen grappig.

Nu tennis, dan eten in het restaurant en dan, als ik tenminste niet al in dromenland ben beland, ons vrouwenvoetbal.
Gelukkig volgen ze hier naadloos het pijnstilregime van het ziekenhuis, want alles raakt natuurlijk bij vlagen uitgewerkt en toen kwam vanuit het niets ook nog hoofdpijn opzetten, dus ik hoop dat het verslavend middel dat ik zojuist heb mogen innemen spoedig zijn werk doet.
Tot zover een eerste impressie.

Lieve groet,
Hans

4 juli

Deary,

Zojuist, through the grapevine, gehoord dat ik een eigen kamer krijg. Officiële bevestiging en uitvoering volgen hopelijk later. Een voorlopig “joepie” lijkt op zijn plaats. 
Verder alles prima, al vindt men mijn bloeddruk aan de lage kant. Ik zelf heb nergens last van …

Liefs,
H

7 Juli

Goedemorgen Lieverd,

Hier alles redelijk kits. Ben elke ochtend rond zeven uur wakker, neem dan pijnstillers, nicotinepleister en mitavientjes, kleed me aan (vandaag, wegens het weer, voor het eerst zelf aangetrokken sokken en schoenen in plaats van slippers waar ik, al krukkend, de trap niet mee op of af mag) en wandel naar de lift en van daar naar buiten om een sigaretje te roken.

Daarna is het afwachten wanneer ik weer naar binnen kan want alle vanzelf schuivende deuren zijn op dit tijdstip nog niet werkzaam, behalve voor pasjeshouders. Dan lezen tot het ontbijt aanvangt, waar ik twee crackers met dit of dat eet en twee (of drie, want er zit toch geen cafeïne in) koppen koffie drink. Daarna breekt een alternerend rondrennen (met rollator of krukken) en rusten uit. Dat laatste door vanaf het bed naar Wimbledon of Le Tour te kijken of, zoals vroeger, door te lezen.

Vroeger namen ze ook nog wel eens mijn bloeddruk op of controleerden ze het zuurstofgehalte van mijn bloed en mijn temperatuur, maar dat blijft, wegens mijn permanente gezondheid, tegenwoordig achterwege.
Vanaf dinsdag begint een fysioregime, twee keer per dag een half of heel uur, al moet ik nu ook een paar keer per dag doelloos een trap op en af en wat zwabberen, voor-, achter- en zijwaarts, met mijn linkerbeen, want daar zit hem de breuk. Jammer dat ik er geen elektriciteit mee kan opwekken.
Ik ga vroeg slapen, hoewel het gisterenavond toch per ongeluk half elf werd.

Ik heb het gebruik van de pijnstiller Oxycodon, zonder de medische staf daarvan in kennis te stellen, intussen teruggebracht van vier naar drie maal per dag, want je ken d’r aan verslaafd raken. Ik verzamel elke vierde maar voor noodgevallen thuis.

Wat boterhambeleg valt het volgende te melden:
Cervelaat-, boterham- en grillworst, jonge-, komijnse- en oude kaas, ERU-Goudkuipje, Saksische lever-, smeer- en ossenworst en diverse zoetwaren (jam, paté a tartiner aux noisettes, pindakaas, benevens hagelslag en muisjes en, misschien omdat het vandaag zondag is, ook abrikozenjam. En dat alles gedragen door Echte Boter. En tweemaal per week een gekookt eitje, soms heel hard, soms op het waterachtige af, of een banaan.

Ik heb eigenlijk wel zin om, net als gisteren, een kwartiertje op zo’n fietsapparaat te peddelen, want dat maakt de boel lekker los, waar ik de hele dag profijt van heb. Maar het bewegingsdepartement is op zondagen hopeloos gesloten. Misschien hebben ze hier op de afdeling ook wel zoiets, zodadelijk, even aan B. vragen.

Becky is een heel mooi, zeer donker, meisje in de verpleging, kort van stuk, met een vollemaansgezicht (eigenlijk nieuwemaansgezicht, natuurlijk) van heb ik me jou daar, die me gisteren glansrijk, kordaat, vol van zelfvertrouwen en vrolijk, heeft geholpen toen mijn mobiel in ene uiterst eigenaardige kuren begon te vertonen.

Hâ, nu komt er nog een zonnetje door ook; klaar met het ontbijt, dus fluitend op zoek naar de Wielewaal,

Liefs & Dudeljo,

Hans

11 Juli

Good Day Darling,

9.30 uur

Zat zojuist buiten in de tuin een post-ontbijtsigaretje te roken en een nieuwe bewoner van mijn afdeling kwam tegenover me zitten. Hij belde op luide toon een kennis om deze op de hoogte te stellen van zijn status. Voor mij was het de eerste keer dat ik meer van hem beluisteren kon dan een enkele grom aan de ontbijttafel. Hij blijkt Nederlands te spreken, maar op een wijze die het mij slechts mogelijk maakt om één op zijn tien woorden van een betekenis te voorzien. Zijn enige zin die ik in samenhang kon begrijpen was: “Ik moet bewegen en ik moet rusten, dus ze weten hier niet wat ze willen”.

Af Fijn, dâlijk in groepsverband fysiotherapie en om 11.20 uur een bespreking van mijn toestand die moet leiden tot een te plannen ontslagdatum. Over dat laatste later meer.
Gisteren geoefend met nog maar één kruk, wat me goed afging, maar dat vandaag in enorme spierpijn resulteert. Gewoon doorbijten, Hans.

Opmerkelijk is hier ook dat alles wat aan de muur hangt echt goed scheef hangt. Daar kan ik niet tegen, maar het is onbegonnen werk om dat allemaal in het reine te brengen. Opvallend is tevens dat op vele wanden, als het gaat om IKEA-achtige printjes op doek, twee volstrekt identieke exemplaren naast elkaar te zien zijn, bevobbeld een waterlelie (2x), een orchidee (2x) of een schaap met lammeren (2x). Verder valt er veel te genieten van de resultaten van de creatieve schilder- en brei-uurtjes. Gelukkig nergens boetseerprodukten.

Het resultaat van mijn bezoek aan de inpandige haarsalon “Belinda” {vernoemd naar de vrouw die mij ook daadwerkelijk zelf knipte en wier geringe kapwinkel aanhoudend door allerlei oude, mannelijke medebewoners bezocht wordt die ongeorganiseerd binnenlopen om nieuwe jasjes en broeken te laten zien, waaronder éen van Bernd Lageveld, wat ik ondanks mezelf moet corrigeren) wordt bewonderd door zowel personeel als medepatiënten. Een lid van eerstgenoemde groep kwam, toen ik met twee bezoekers op mijn kamer aan tafel in gesprek was, de middagthee serveren. In totale verwarring ons drieën aankijkend vroeg ze “Waar issie?”. Nou is ook inderdaad vrijwel de helft van mijn voormalig kapsel verdwenen …

Nu moet ik naar de training; ik hoop maar dat er een radio’s aanstaan, net als hier op de etage op elke hoek, steeds op een andere zender. 
Zo meer over mijn evaluatie.

11.40 uur

Volgende week woensdag kom ik op vrije voeten! Ik moet nog even zien hoe. Openbaar vervoer is me, ook dan nog waarschijnlijk, iets te gecompliceerd en alle vrienden die niet op vakantie zijn, zijn autoloos. Een taxi kan natuurlijk altijd.

Verderop in de tuin hipt nu een Vlaamse Gaai en sinds vanochtend lees ik De Wetten van Connie Palmen. Straks de eerste bergetappe in de Tour.
Kortom: Het leven is een feest, als je maar zelf wat slingers ophangt.

Lieve groet,
Hans

12 Juli

Beste leukerd,

Zojuist zijn mijn laatste krammetjes uit mijn operatiewond succesvol verwijderd door C., een vrolijk, grappig, verpleegkundig kamerolifantje. Zij brengt mij op het fenomeen dat, bij benadering tachtig procent van het verzorgend personeel op zorgwekkende wijze aan overgewicht lijdt. De godganse dag schommelt het welgemoed en behulpzaam over de afdeling, bij vlagen de gangen blokkerend.

Ik zit weer in de grote achtertuin waar veel zitplekken zijn, maar ook veel door buxus omzoomde perkjes van twee bij drie meter. Hierin groeit en bloeit, in wisselende samenstelling, een enorme variëteit aan flora. Naast rozen, lavendel en andere gecultiveerde sierplanten vindt men er ook de Kaardebol in verschillende hoogtes, de Gele Toorts die ik ken uit de duinen, verschillende soorten Distel, het giftige Vingerhoedskruid en verschillende samengesteldbloemigen.

Naast een paar, intussen natuurlijk uitgebloeide, seringen luidt het verder alleen Esdoorns (van de Canadese vlag) wat de klok slaat. Parallel aan de lengte van de tuin loopt een rijweg. Aan de andere kant daarvan bevindt zich het architectonisch wonder dat ’t Hoogt heet. Het is dat ik dat weet want het wordt door een haag van groen aan mijn zicht onttrokken.

De vogelstand beperkt zich tot wat duiven die soms vechten, meerdere koolmezen, één (1) reiger die de ruime vijver tweemaal daags bezoekt, af en toe zo’n verdoemde, groene parkiet en de Vlaamse Gaai van gisteren. 

Zojuist spreekt een bejaarde vrouw, lid van de grootste bezoekersgroep van de tuin, de gedenkwaardige woorden uit:”Ik leef in een hel. Heb jij dat nou nooit?” Ik heb geen hoge pet op van het dus vooral uit vrouwen bestaande tuinpubliek. Veelal overstijgt hun niveau helaas niet dat van de Middelbare Meisjesschool, al voer ik wel korte gesprekjes over niets of luister ik gewillig, af en toe knikkend of het hoofd schuddend, naar gemompel. Op dit moment meldt mijn gesprekskameraad van gisteren dat je binnen niet mag roken vanwege de rookmelders. Zo kan je er ook over denken, schiet het door mijn hoofd.

Niets te melden, dus. Heb een fijne dag, net als ik,

Hans

PS
Ik kan trouwens sinds bijna een week ook weer heel goed met mijn verkeerde been uit bed stappen!

13 Juli

Lieve Correspondent,

Begin deze week begon het echt serieus tot me door te dringen om welk een enorme hoeveelheid uurwerken het in dit, architectonisch werkelijk zeer lelijke, verzorgingskasteel eigenlijk gaat. En dat terwijl de meeste bewoners van elk talent om iets met die doordenderende vrijheid te doen, verstoken zijn. Zowel degenen die hier tijdelijk verblijven, zoals ik ter revalidatie dus, als zij die hier voor eeuwig opgesloten zitten, want die heb je ook, proberen de tijd weg te tellen en het houvast daarvoor hangt aan veel te veel wanden. Niet dat ze sneller gaat, de tijd, als je er geen acht op slaat of kan slaan, maar het overweldigend aanbod van minuten en uren vind ik voor een plek als deze wel wat overdreven.
Daar komt bij dat elke wijzerplaat zijn eigen tijdzone kent met soms maar een geldigheid van een meter of drie, vier, uiteenlopend van een kwartier vóor tot vijftien minuten na de Cesiumtijd. 

In het reguliere leven kan ik, elke keer tot mijn eigen verrassing en met een marge van een minuut of vijf, schatten hoe laat het is, ook wanneer ik midden in de nacht ineens wakker word. Die gave maakt mij verder nergens speciaal geschikt voor, dus een aanvulling op mijn uitkering hoef ik er niet van te verwachten, maar soms is het wel handig; ik kom bijvoorbeeld zelden ergens te laat. Hier is op tijd komen echter in het geheel geen must; want volgend op de mededeling dat iemand over een paar minuten bij je langs komt breekt meestal een periode van anderhalf uur rust aan. Het lijkt ook alsof die gave van mij, in de korte tijd dat ik hier ter genezing mag zijn, aan kracht heeft ingeboet. Want elke keer dat ik nu een gokje doe blijkt de tijd me totaal ontsnapt te zijn. Net als de kwaliteit van mijn wandelen zal ook dat zich wel weer herstellen, maar het brengt me toch een beetje uit mijn evenwicht, net als die gebroken heup zelf, trouwens. 

Behalve dat ze een handige en betrouwbare conventie is, vind ik tijd, evenals leeftijd, verder van ondergeschikt belang, hoewel het zeker is dat, als je zonder zit, je niet heel erg veel voortschrijdt.

Ach, zomaar wat overwegingen (die voor mij zowieso nog slechts tot woensdag opgaan) op een saaie en trage zaterdagmiddag.

Ja, leuker is misschien om te vermelden dat ik vanochtend, in alle vroegte, een Grote Bonte Specht in de tuin aantrof. Die komen weliswaar zeer algemeen voor, zo zeggen alle vogelboeken en -websites, maar je ziet er zelden één (het zijn vlotte vliegers, dus je moet ze ook wel op tijd weten te herkennen, maar dat geldt vanzelfsprekend eigenlijk voor alles).
Laten we onze tijd dus goed gebruiken. Om van iets of iemand iets op te steken, om her en/of der iets goeds te doen of om van elkaar te houden, met alle consequenties van dien.

Lieve groet,
Hans

PS
Cesium is het sjemisch element waarvan de elektronen blijkbaar gebruikt worden om de atoomklok een beetje op tijd te laten lopen. Misschien ten overvloede, maar de afwijking van de atoomklok is één (1) seconde op vijf miljard (5.000.000.000) jaar. Daar kan je, als je ergens beslist op tijd moet zijn, je wekker dus wel op gelijk zetten.

15 juli

My dear Dear,
Gisterenavond had ik al snel een horizontaaltje te pakken. Daarop volgde een nogal wisselende avond en nacht van slapen en lezen, die er toe leidden dat ik pas om acht uur vandaag opstond. Toch verder vol goeie zin aan deze maandag begonnen.

Ben door mijn Duitse vrienden A. en S. gisteren uitgenodigd om de tweede helft van augustus, wanneer mijn herstel verwacht wordt zich in de afrondende fase te bevinden, naar Zwitserland, Ticino, te komen om daar in hun fraaie, verbijsterend mooi gelegen, onder architectuur gebouwde kleine huis, hun gezelschap op te leuken en van bier, wijn en het landschap te genieten. Dat lijkt me geweldig, natuurlijk.

Ik vond gisteren in het restaurant een leuk boek over heel veel lettertypes en hun geschiedenis; voor mij een schot in de roos dat zijn weg naar de huis zal gaan vinden, want voordat hier iemand het ter hand neemt zal er wel een generatie over heen gaan, vermoed ik.

Zojuist heb ik me op het naburig toilet succesvol ontlast. Naast dat dat enige tijd in beslag nam, was het resultaat zodanig machtig dat het zich niet op natuurlijke wijze door het watercloset liet wegspoelen. Een extra zetje van eigen hand bleek noodzakelijk.
Verder ben ik, sinds het uit bed komen, steeds met slechts één kruk onderweg, pijnloos en soepel. Ik weet dat ik dat niet te lang moet overdrijven want anders loop ik straks met de Gebakken Peren rond. De huisoefenfiets is bezet, dus kan ik daar pas later een kilometer of vijf op afleggen. Niet als krachttraining, maar om de heup- en benenboel lekker los te maken.

Om het, voor mijn vertrek van hier, niet te vergeten te vermelden graag ook je aandacht voor het volgende: in het gangetje naar de tuin, beneden, hangen drie ingelijste resultaten van een creatief-therapeutisch middagje, die eigenlijk, in weerwil van duidelijk amateurisme, wel degelijk de moeite van het bekijken waard zijn. Het zijn werken op papier uit de obscure zijtak in de beeldende kunst die “Cadavre Exquis” genoemd wordt. Als, in eerste instantie als literair, poëtisch, fenomeen bedacht door de surrealisten André Breton en Paul Eluard, kreeg het kort daarop een beeldende toepassing. Hierbij wordt een blad in drieën gevouwen en tekent de eerste kunstenaar op het bovenste deel zijn aandeel. Hij geeft slechts enkele aanknopingspunten van zijn creatie op het middendeel door waarop een collega, naar eigen inzicht en zonder kennis van het bovendeel, hierop aansluit. Op dezelfde wijze komt een derde kunstenaar aan de beurt. Bij het uitvouwen is het eindresultaat een amalgaam van drie artistieke fantasieën waar je als bekijker je eigen eenheid van kan maken. Ik wil van die drie beneden wel foto’s maken, maar ben er met dit nieuwe toestel, nog niet achter hoe dat werkt, kluns die ik ben.

Ga je zelf nog iets leuks doen vandaag?
Hans

Vandaag, 17 juli
Ich bin wieder theus! 
Misschien later afrondend meer …

Vandaag, later:

Deary,

Het is nu net na negenen ’s avonds en ik ben blij dat ik weer terug ben in De Pijp. Niet dat ik daar vandaag, nadat lieve vriend G. me van De Die naar huis had vervoerd, veel heb rondgedwaald, maar ik heb hier wel een gevoel van thuis.

Gisteren, en daar wil ik het toch even over hebben, werd ik in mijn schattig, treurig rehab-centrumpje overvallen door een, mij eigenlijk in het geheel niet passend, gevoel van melancholie. Weliswaar had ik daar mensen leren kennen, personeel en medepatiënten, maar die zal ik zeker spoedig vergeten, evenals de sporen van rolstoelen en rollators op het vergrauwde gele linoleum.

Het had natuurlijk alles, gevoelig tiepje dat ik ben, te maken met het afscheid nemen van deze plek. Hoewel er daar geen kip woont of werkt waar ik binnenkort nog naar zou kraaien, kreeg ik dat gevoel niet kwijtgespeeld. Er is in De Die weinig, niks eigenlijk, dat een moeizaam afscheid behoefde, behalve misschien I., de vrouw bij de ingangsbalie, die zo normaal, lief en natuurlijk vriendelijk is dat elk ander er wegens overbemoederend gedrag bij in het niet valt. Bovendien speelden Ineke en ik elk dag het spelletje of we elkaars voornaam nog wisten.

Af Fijn, vannacht kwam ik er vermoedend achter dat de oorzaak van mijn spleen lag in het volgende:
Toen ik mijn linker heup brak (heupen horen volgens mij in dezelfde categorie als lurven en hurken, trouwens) begon voor mij een avontuur. Eerst aarzelend, mezelf wijsmakend dat het ook een zware kneuzing kon zijn. Maar na een uur of acht, vooral omdat ik mijn linker been in het geheel niet meer kon bewegen, al kon ik nog wel met mijn tenen wiebelen, en ik me het traumamoment in herinnering bracht (totale slapte, een gevoel van lijkbleek te worden, en zo) werd de noodzaak om een ziekenauto te bellen wel duidelijk.

Toen kort na het arriveren van twee adequate ambulancebroeders op mijn kamer het gezelschap werd gecompleteerd door vijf (5) brandweermannen begon het Spel Zonder Grenzen echt. Vooral omdat ik van twee hoog door laatstgenoemden het raam werd uitgetakeld om daarna, zonder zwaailicht of sirene, naar het hospitaal te worden vervoerd. Een dergelijk hoofdstukje had ik in mijn leven nog niet meegemaakt. En dat hoofdstukje, die korte novelle eigenlijk, kwam gisteren dus ten einde, al moest ik er nog een nachtje in slapen, voordat ik weer in mijn eigen leven terecht kon komen. De weemoed om niks, gemengd met een lauwe opstandigheid kon daar weinig aan veranderen. Ik herken weer alle geluiden, al het geruis en gebabbel om me heen. Dus nu maar wachten op, of liever werken aan, een nieuw avontuur.

Lieve groet,
Hans

C

De letter C heb ik altijd een van de mooiste letters van het alfabet gevonden, geschreefd of niet, zoals hier. Eenvoudig, elegant en ongecompliceerd maar gaaf. De O heeft dat ook, maar dat is zo vanzelfsprekend omdat de O het dichtst in de buurt van een cirkel komt. Een cirkel is natuurlijk compleet in haar volledigheid. Zo’n eigenschap vind je niet bij mensen terug.

Hier waar ik woon heb ik een C. in de buurt. Ik zie en spreek hem vrijwel dagelijks. C. doet zijn eerste initiaal alle eer aan: hij is elegant in denken. Ook wel in doen, maar daar wordt hij gehinderd door de ziekte COPD die de uitvoering van zijn doen enorm beperkt. Hij is zeker ook ongecompliceerd. Echter zeer helder in zijn denken, waarin hij, terwijl je er zelf niet opkomt, op een bijna voor de hand liggende wijze, inzichten met elkaar kan verbinden. En ja, C. is eenvoudig, recht door zee, draait nergens omheen. Hij heeft geen poolster nodig, geen sextant, om zijn koers van denken uit te zetten en te volgen. C’s achternaam duidt op richting en gezwindheid. Dat sluit ook weer naadloos aan op wie hij is.

Astronauten sterven, zo ook stratenmakers, kunstenaars en tandartsassistenten, tandartsen. Binnenkort sterft C. Op zijn eigen verzoek.

Daarom ga ik nu schrijven over wat ik aan C., doordat C. bestaat, zal gaan missen, wat eigenlijk hetzelfde is wanneer ik beschrijf hoe het is om met C. samen te zijn en naar Formule-1 te kijken, naar wielrennen of om het over kunst en vormgeving uit de eerste helft van de 20ste eeuw te hebben. Want die laatste twee zijn niet alleen grote interesses van ons beiden, ze verbinden ons ook. De rest van onze directe omgeving interesseert dergelijke toppen van menselijk kunnen geen ene reet, laat staan dat ze er met belangstelling of kennis over kunnen praten. We vangen elkaar op die gebieden af en toe ook vliegen af, vooral wanneer we samen kijken naar programma’s waarin herkomst en mogelijke waarde van cultuurgoederen aan de orde komen.

C. is zijn hele leven scharrelaar op niveau geweest. Waterlooplein, inboedels, onverwachte vondsten, spijt dat hij van iets afstand deed, achteraf: een Amsterdamse School slaapkamerameublement, bijvoorbeeld. Dat interesseert me, zowel de vondst als de emotionele betrokkenheid. Ook het gehecht raken aan dingen en er toch afstand van moeten doen, met spijt als haren op je hoofd, meteen al of achteraf.

C. kan nogal goed rechtdoor denken, logisch, menselijk betrokken, met mededogen, maar soms ook hard en helder. Daardoor springen C. en ik niet altijd in elkaars tender, maar wat kan dat schelen. Het eerlijk van mening verschillen, zonder blad voor de mond, heeft vooral leuke kanten. Vooral als er sprake van vertrouwen is. Ik heb de afgelopen tijd een beetje geleerd dat het niet goed is om een ander naar die mond te praten, mede van C.

Vorig jaar november gaven we hem met een paar vrienden het complete oeuvre van Vermeer cadeau. In offset natuurlijk. C. en ik verschillen, tendergewijs, enorm van mening over De Nachtwacht. Ik ben vooral een liefhebber van Frans Hals, in Haarlem immers opgegroeid, al vind ik Rembrandt zeker de moeite waard. Maar Vermeer vind ik voorbij elke vergelijking. C. vindt De Nachtwacht het mooiste schilderij ter wereld. Hij heeft het ook vele malen bekeken, alles bij elkaar uren. Niet zoals tegenwoordig een kunstwerk gemiddeld negen seconden aandacht krijgt van het schuifelend toerisme. In al onze dialogen was dat, tot op heden en voor zover ik me herinner, het enige onderwerp waarbij hij mij over een streep probeerde te trekken: “Kom op Hans, toch?!” Als kunst op die manier onderwerp van gesprek kan zijn ontroert me het wederzijdse karakter daarvan zeer.

Helaas is voor C. de na-oorlogse kunst een beetje een warboel. Vooral in de zin dat hij er nieuwsgierig kennis van neemt, maar er meestal geen touw aan vast wil knopen. “Maar wat betekent het nou?”, vraagt C. en daar heb ik dan, behalve met mijn enthousiasme, meestal ook niet snel een antwoord op. Al zeg ik hem dan altijd wel dat ‘betekenis’ in dit geval geen betekenis heeft, maar erg overtuigend is dat ook weer niet, dat weet ik. Toch begrijp ik dat wel een beetje van C. Ik heb tegenwoordig een enorme hekel aan werk van kunstenaars die in hun kunstwerken het procentueel gebruik van de tram versus de bus, vooral door jongeren, tot onderwerp maken, of het stemgedrag van Feijenoord-aanhangers. Vanaf een bepaald moment ontglipt je het begrip voor spelende zaken, al probeer ik, soms wanhopig, soms vloekend van afkeer, nog steeds om radicale ontwikkelingen die er voorheen niet waren bij te houden.

Ruim een half jaar geleden wandelde C. me naar het Coöperatiehof. Een kleine afstand van ons buurtje. C. haalde het allemaal heen en terug maar net, regelmatig stoppend om zijn adem te organiseren, maar wilde me dat mooie plekje per sé laten zien, want ik kon het zelf niet vinden, omdat ik er steeds langs struinde op weg naar De Dageraad die daar direct om de hoek ligt. Voor C. doemt nu snel een nieuwe dageraad. Anders dan we ons meestal wensen of voorstellen en vermoedelijk zonder perspectieven, niets anders dan een verlossing.

Ik kom, in deze context even niet weg van Dolly Parton’s lied Light Of A Clear Blue Morning (préparez vos mouchoirs!!), dat me meesleept in gedachten die C. ongetwijfeld ook moet hebben, maar die ik tot nu toe niet met deze compositie verbond. Dolly zingt over de arend die zijn vrijheid vindt in de lucht; C. is zo’n adelaar die het verdient om vrij te zijn.

Onlangs gebeurde er iets dat er toe leidde dat ik een van mijn beste vrienden verwijderd zag worden uit mijn directe nabijheid. Daar raakt die vriendschap niet van in gevaar, maar uiterst onaangenaam is het wel. Ik ben met opzet wat vaag, want de toedracht is te complex om hier toe te lichten.

C. en ik verschillen grondig van mening over de interpretatie van wat er gebeurd is, wat er aan vooraf ging en over de consequenties. Behoudens een moment waarop ik fel uit de bocht vloog in mijn argumenten, waarop C. mij ogenblikkelijk repliceerde dat hij in zulk gelul geen zin had, hebben we ons neergelegd bij het feit dat C.’s tender in dit geval een andere is dan de mijne, ook al is het onderwerp nog niet uit de lucht.

Evenals de kunst, zal dit onderwerp niet heel lang meer in de lucht blijven. Over een week is C. er niet meer. Zijn zelfgekozen afscheid van het leven heeft dan plaatsgevonden, tot zijn grote vreugde en eerder genoemde verlossing. Ik deel die vreugde en verlossing. Niet het afscheid, al is dat er onlosmakelijk mee verbonden.

Met een goudvis voer je geen gesprekken en als je die door de plee spoelt of, in het geval van kinderen, in park of tuin begraaft, doet een nieuwe cavia meestal wonderen. Zo gaat het niet werken met C. voor mij.

C. en ik kunnen zoveel deuren door, zodat er eigenlijk geen deuren meer zijn. Of dat vriendschap is? Ik denk het niet, maar wel een opgewekte verbondenheid en vertrouwdheid waardoor je aan elkaar gehecht raakt.

Ik realiseer me ineens hoe vaak ik steeds om C. moet lachen, niet schaterend, eerder hinnikend of met een gorgel. Al moet ik wel eens vragen wat hij zojuist nou eigenlijk zei, want zijn Amsterdams gemompel komt niet altijd meteen bij mij aan. Als we zo lachen moet hij natuurlijk wel eens erg hoesten.

Er bestaat de beroemde scene van Laurel and Hardy die ergens afscheid nemen van anderen. Eindeloos wordt heen en weer geroepen “Bye, bye, bye!, bye!, bye!!, bye!!, bye!!!, bye!!!”, tot het geen afscheid meer is, maar een op voorhand mislukte poging tot een toekomst.

Over een week valt regen of schijnt zon zonder C. De druppels zullen langzamer vallen, alsof ze er minder toe doen, en van die zon zal ik een tijd lang trager een kleur krijgen.

Bye Bye!!!

oktober 2019

“Maybe She Moved”: E-mail aan velen van 5 mei 2020

Deary,
Terwijl ik net wat afval naar een container bracht bedacht ik de titel voor een nieuwe popsong:
Maybe She Moved …

Heb op Joetjoeb gecheckt ob es den schon gibt, aber nein. (De Duitse cover zou moeten heten: Ist sie vielleicht umgezogen, wat wel enige aanpassingen vergt in ritme en melodie, maar daar komen we wel uit)
Nu de tekst … En ik heb ook nog geen flauw idee of het een ballade moet worden of knalharde Rok en R(i)ool. In het eerste geval wordt het melancholiek, vol verlies en ingehouden verdriet (Sinatra, zeg maar, want je moet nooit te klein beginnen of desnoods Tom Jones). In het tweede geval krijgt iedereen uit de buurt de schuld, zo stel ik me voor (inclusief de supermarkt waar ze altijd boodschappen deed), plus alle steden waar ze mogelijk naartoe is verhuisd (Saratoga, Fresno, Nantucket, et cetera) en uiteindelijk de ik-persoon die zichzelf verwijt dat hij zelf niet verhuisd is, want geluk kun je ook opzoeken. Uitvoerenden in deze variant: The Ramones, of Bowie met The Spiders from Mars, bijvoorbeeld.
Het wordt geen Shakespeare, maar toch met behoorlijk wat drama.
Aan de slag dus!!

Hartje, Hans

P. S. Intussen, we spreken juli 2020, is ze weer opgedoken, maar nu met een kind van een jaar of zeven naast zich fietsend. Wat is er in die korte tussentijd gebeurd?

De Dageraad

Af en toe, wanneer ik me niet geheel op m’n gemak voel met mezelf en in de stad ben, begeef ik me op weg naar het woningbouwcomplex De Dageraad, gelegen in het zuidelijkste deel van de Amsterdamse wijk De Pijp. Ik neem in zo’n geval dat besluit in de wetenschap dat al mijn geestelijke spierpijn daar als sneeuw voor de zon zal verdwijnen, met in mijn achterhoofd het overweldigende, maar ondergewaardeerde lied There’s a Place van The Beatles.

Voorwaarden zijn echter dat de zon inderdaad schijnt, dat het nauwelijks winter is en dat mijn bezoek plaatsvindt in de tweede helft van de middag als de zon haar weg richting het westen is begonnen te zoeken. De minder opgewekte ochtenden moet ik dus op eigen kracht zien door te komen door bijvoorbeeld een optimistisch boek te lezen, of met het verwerken van recent nieuws over, of van, de krankzinnigste Amerikaanse president ooit. Aangezien ik niet lunch dient een dergelijke “activiteit” enige tijd in beslag te nemen, tenzij ik laat ben opgestaan, wat wel eens voorkomt wanneer ik, in een bezorgde nacht, niet goed heb kunnen slapen.

Vandaag was het weer eens zo ver, hoewel ik me eigenlijk geheel in orde bevond en de ochtend had doorgebracht met het lezen van blogteksten van de door mij enorm gemiste en betreurde Anthony Bourdain die me, om beurten, tot tranen brachten of me in hardop lachen deden uitbarsten. Het weer was verbijsterend mooi, ik had zin in een wandeling en sinds een paar maanden ligt De Dageraad zo goed als bij mij om de hoek. De heilzame werking van een bezoek moest dus deze keer mijn niveau van welbevinden op peil houden, zoals men bij voortdurende hoofdpijn, die ik zelden heb, de hoeveelheid paracetamol regelmatig moet aanvullen, de drempelwaarde, zeg maar. Dus ik trek mijn jas aan, doe voor de zekerheid mijn college shawl om (het is nog februari) en zorg dat ik voorzien ben van mijn tabak en een aansteker, loop de trap af en verlaat het huis. Vanuit de voordeur linksaf de straat op, weer links, dan rechts, nog een keer links, dit nog éen keer herhalen, en hoewel ik me al midden in het complex bevind, nog even doorstappen en dan 180o over de lengteas omkeren. Dan sta ik aan, wat ik beschouw als de visuele entree van het architectonischte wonder van een eeuw oud.

Het door mij gekozen tijdstip blijkt honderd procent het juiste. Het is half twee en de rechterhelft van de P. L. Takstraat wordt schrijlings door de zon beschenen terwijl zich links een montere schaduw ontwikkelt. De straatzijdes zijn aan beide kanten identiek vormgegeven, ook in het feit de ze geen uitstekende gevelornamenten hebben behalve de smeedijzeren, getordeerde hijshulpjes boven de hoogste vensters. Langs de rand van de trottoirs staan op regelmatige afstand fraaie bomen (platanen?), vermoedelijk een jaar of 30 geleden geplant, die wegens het bladerloze seizoen nog alle zicht bieden op de gevels. De hemel heeft de kleur van de jurk van Verspronck’s “Meisje in het Blauw” uit het Rijksmuseum.

Ik verkies het om eerst nog iets meer afstand te nemen door op het hoogste punt van het bollend bruggetje over de Jozef Israëlskade te gaan staan om zodoende de vrijwel identieke schoolgebouwen die de P. L. Takstraat flankeren aan mijn zichtveld toe te voegen. Opgetrokken uit heldergele baksteen en met een fraai ritme in raampartijen en in zowel wijkende als iets naar voren komende geveldelen, en voorzien van enkele typisch jaren ’20 sculpturen, zijn deze twee gebouwen, als het ware een kraag (contemporain, maar totaal anders van karakter, soberder en mathematischer) voor het te betreden woonlichaam van De Dageraad. De zon maakt, vanuit haar positie, geen onderscheid in het belichten van beide voorgevels, die dan ook het dragen van een zonnebril bijna onvermijdelijk maken, maar daar doe ik al 25 jaar niet meer aan. Tevens doet de zon, die me nu op mijn rug schijnt, me beseffen dat ik teveel buitenkleding draag, maar er is geen weg terug, alleen maar heen.

Terwijl ik het bruggetje afwandel en, nadenkend over hoe ik het complex moet omschrijven vanuit een vogelperspectief om planologisch het geheel van De Dageraad begrijpelijk te maken, maak ik, omdat ik natuurlijk niet naar beneden wil kijken, bijna een doodsmak over een verhoogde, felgeel geverfde stoeprand die vermoedelijk wil verhinderen dat fietsers, zittend op hun egocentrische vehikels, van de brug gebruik maken (totaal tevergeefs natuurlijk, want tijdens mijn stationaire verblijf op de brug ben ik gepasseerd door fietsers, precies, maar ook brommers, scooters en schattige moeders met hun kroost, soms wel drie, in hun moderne bakjes. De meesten groetten wel, of glimlachten).

Als je de P. L. Takstraat ziet als het lichaam van een vlinder spreiden de twee delen van De Dageraad zich uit als de vleugels, naar links en rechts, volstrekt identiek in aanpak en uitvoering.

Nou treft het niet helemaal, al is mijn plezier door niets te vergallen, dat een of andere woningbouwidioot heeft bedacht om in dit jubileumjaar, met enorme steigerconstructies en al, het complex te laten opknappen terwijl er overal tentoonstellingen zijn die aandacht vestigen op De Amsterdamse School en haar belangrijkste monumenten. Op dit moment is de noordelijke kant van de linkervleugel aan de beurt. Nou is die volstrekt identiek aan de rechterkant, dus je mist eigenlijk niks, als je tenminste ook een beetje spiegelbeeldig denken kunt, maar klunzig vind ik het wel. Alle Japanners, Zweden en Zuid-Amerikanen uit de hele wereld die speciaal hier naartoe komen worden nu geconfronteerd met een beugel in een overweldigend fraai gebit (het zijn ook nog eens heel lélijke steigers!).

Af Fijn, ik verklap teveel en loop op zaken vooruit, want, staande aan het begin van de straat, tussen de twee schooldelen in, kijk ik nog eens extra omhoog en, verdomd, daar valt me een detail, eigenlijk twee, op: bovenop de kopse kant aan elke zijde bevindt zich een figuratieve versiering in de vorm van een kraaiende haan, uitgevoerd in lood. Gebruik van lood zie je vaker toegepast in De Dageraad, met name in de afwerking van dakranden en andere aflopende elementen, maar niet in de vorm van iets herkenbaars. Omdat ik me, zo midden op straat, niet ineens kan gedragen als een voetballer die net een sensationeel doelpunt heeft binnengeschoten, moet ik het gejuich binnen mezelf zien te houden. En ik heb ook geen teamgenoten, want eerder genoemde nationaliteiten hebben deze zondagmiddag waarschijnlijk gereserveerd voor een bierervaring in het centrum.

De hanen links en rechts zijn, in verhouding tot de omvang van De Dageraad extreem bescheiden, terloops, je moet ze weten te zitten, maar tegelijkertijd thematisch geheel op hun plaats. De Dageraad doet zich immers voor bij zonsopgang, sterker nog: het ís de zonsopgang. En dan barsten die vocaal vroeg-agressieve beesten los, tot ergernis van menigeen. Ze zullen wel een metaforische betekenis hebben: een oproep tot iets (wakkerheid) of tegen luiheid, maar ik ben gelukkig met mijn ontdekking, vind ze mooi en ook uitzonderlijk binnen het gestileerd architectonische concept van De Dageraad. En ik vind betekenissen vaak maar van een beperkte geldigheid, al gaan sommige eeuwen mee.

Veel van mijn op eigen kracht ontwikkelde ideeën en zelfstandig gedane ontdekkingen zijn niet origineel, ook niet wat betreft De Dageraad. Veel inzichten ontstaan, soms vroeg, soms later, bij een verscheidenheid aan nadenkende mensen, of liggen ten grondslag aan de (een) basis; soms kost het je een mensenleven om tot de conclusie te komen dat je helemaal niet zo leuk, of origineel, bent als je altijd dacht. Dat blijkt ook later vandaag wanneer ik het mooie boek aanschaf dat De Dageraad tot onderwerp heeft: alles wat ik zelf aantrof en concludeerde wordt daarin uitgebreid benoemd en beschreven.

Alles, behalve: …

Even een korte beschrijving, niet van het voorafgaande en ook geen spoilers, van het bestaande. Je komt dus van het bruggetje af (overigens ook ontworpen door Piet Kramer, maar pas veel later en heel mooi uitgevoerd, maar middenop, met een typografisch debiel lettertype, vernoemd naar een held uit de tweede wereldoorlog), en steekt, niet struikelend, over naar het begin van de P. L. Takstraat. En dan, dames en heren, jongens en meisjes, valt mij iets op waar ik nog nooit iemand over heb gelezen of gehoord. De vleugels van De Dageraad zijn gebouwd, naar ontwerp van Kramer, op vlak terrein, waarvan acte. De P. L. Takstraat, vooral van De Klerk, echter gaat van hoger naar lager, waarbij het hogere moment aanvangt bij de Jozef Israëlskade die functioneert als een soort talud van waaruit de straat naar beneden neigt. Wanneer je dit gegeven combineert met de architectonische eigenschappen van het complex, of in ieder geval het begin daarvan, dan kan er geen andere conclusie zijn dan dat deze neiging van de straat van grote invloed is geweest op een aantal beslissingen in de vormgeving van de bouw.

Ik had zelf ook wel gezien dat de daken, op geweldige wijze, door het gebruik van dakpannen, mede het idee van golven opwekken. Maar elk blokje appartementen gaat, per eenheid, een centimeter of 40, 50 naar beneden waar de straat zakt. De daken golven mee naar beneden, op kalligrafische wijze, als een regelmatig handschrift. En hoe?, ze “moeten” wel! Aan alle andere buitenzijden van De Dageraad komen veel elegante, poëtische bollingen en welvingen voor, maar geen dakgolven. Consequenties (“vormen”) volgen omstandigheden (consequences (forms) follow circumstances), zou ik willen formuleren, vrij naar, later, form follows function.

Hoe anders had De Dageraad eruit gezien wanneer de P. L. Takstraat vlak was geweest? Ik denk dat “het dalende” van de straat in belangrijke mate het lyrische karakter van De Dageraad (dat Gaudí volstrekt overbodig en tot een tuthola maakt) heeft veroorzaakt. Architecten Mas de Klerk en Piet Kramer hadden te maken met een dwingend element dat hen dwong tot inspirerende keuzes die ze vanuit hun talentvolle tenen hebben benut. En die uiteindelijk hebben geleid, ook in de uitbreiding van De Dageraad door Kramer van de westelijke en oostelijke vleugels, tot een ongelooflijk overtuigende eenheid en schoonheid. De helling van de P. L. Takstraat heeft in belangrijke mate het karakter van De Dageraad gedefinieerd, naast al het ander moois dat elders door beide architecten al was neergezet.

Ik ben vandaag dus nog opgeknapter De Dageraad uitgekomen dan hoe ik er in ging. De Dageraad heeft op mij een reinigende werking, als een zonnebad, een waterbad, een goed gesprek, een liefdevolle vrijpartij. En met opzet laat ik aspecten van de sociale bedoelingen achterwege die hebben geleid tot de verwezenlijking van dit woningbouwcomplex, evenals het relatief matige woongenot naar huidige maatstaven, al zijn er veel verbeterende aanpassingen geweest sinds 1923.

Waarom zingen?

Proloog

Terwijl deze tekst, als eerste, ruwe begin van wat uiteindelijk een afgerond geheel moet worden zich al ontwikkeld heeft, vind ik, tweedehands, de negende druk uit 1992 van Braziliaanse Brieven van August (Guus) Willemsen. Dit boek werd me, reeds meer dan dertig jaar geleden, aangeraden door mijn vriend Pieter. Door wat voor omstandigheden ook, heb ik het nooit gekocht of geleend, laat staan gelezen. Dat laatste besluit ik echter meteen te gaan doen voordat er weer iets tussen komt. Een fraai boek, een aanrader; niet treuzelen, dus. Een zeer menselijk boek ook, voor zover ik daarmee iets zinvols zeg. En nu, bedroefd dat het niet verder gaat, heb ik het uit.

Op een avond in Rio, zo meldt Guus op pagina 215, raakt hij met vrienden verzeild in een obscuur gesitueerd café waar, op hoogwaardige maar informele wijze en voorzien van alsmaar aangedragen drank, traditionele Braziliaanse muziek wordt gemaakt; de café-eigenaar zingt. Guus maakt, aan zijn goede vriend en voormalig zwager Paul aan wie alle brieven gericht zijn, gewag van meegesleept te worden en, af en toe tot tranen, ontroerd te raken. Guus herpakt zich in zijn korte verslag van deze ervaring snel en formuleert: “Ik ben me pijnlijk bewust van de ontoereikendheid van het woord. Hoe beschrijf je muziek? Hoe beschrijf je een muzikale gebeurtenis, muzikale ontroering?”.

Omdat dat nou precies is wat ik me met het hierna volgende heb voorgenomen, wacht me, volgens Willemsen, een zware taak. Ik wil me hierdoor niet laten  ontmoedigen hoewel ik besef dat, naast een verantwoorde inhoud, vooral ook de compositie en de stijl van de tekst een belangrijke rol zal moeten spelen. Mijn narratieve dwarsfluit aan de wilgen hangen kan, indien noodzakelijk, in een later stadium.

o – o

De laatste tijd tiepel ik van alles en nog wat op. Dat doet en brengt me veel genoegen. Van de enkeling die ik de resultaten daarvan toestuur krijg ik ook wel complimenten en, te weinig, kritiek. Onderwerpen vallen me meestal zomaar te binnen en die kunnen variëren van mijn oude liefdes, beeldende kunst en architectuur, tot een kamerplant of een goede vriend. Soms moet ik af en toe mijn bed opmaken of m’n schone goed opvouwen en wegbergen zodat ik steeds een opgeruimde indruk maak, voor mezelf maar ook voor het geringe bezoek dat ik hier in huis ontvang. Veel van de, me door mezelf toebemeten, tijd gaat zitten in het denken over woorden, zinnen, beweringen of waarnemingen. Net zo goed onderga ik mijn denken als een vloeibare omgeving waarin zaken bovendrijven of, uit de diepte, archeologisch, tevoorschijn moeten worden gebracht. Soms is het ook uitbeitelen geblazen, uit paleontologisch hardsteen. In dit geval gaat het om een resultaat dat voortkomt uit een herhaald, bijna manisch, beluisteren van hetzelfde stuk muziek.

Dus bezoekt me de laatste tijd regelmatig Leonard Bernstein met zijn uitvoering van de 9de symfonie van Van Beethoven, vooral de uitvoering die in Berlijn plaatsvond ter gelegenheid van de val van de muur in 1989. Hoewel het initiatief tot zo’n bezoek elke keer van mij uitgaat , komt hij toch, steeds vergezeld van zijn (eigenlijk mijn) vriendin, waarover later meer, met die versie. Soms komt hij bij mij met dezelfde compositie op bezoek, maar dan van tien jaar eerder. Lennie is altijd geweldig gezelschap. Ook dan een explosie van schoonheid en plezier (zelfs al ontbreekt zij dan).

Terwijl ik dit schrijf kan ik even niet kijken naar die opname uit 1989 terwijl ik dat eigenlijk erg graag wil en, als ik niet aan het schrijven was, wél zou kunnen (je moet soms keuzes maken). Ik wil dat graag omdat daarin de mooie vrouw, die ik eerder Bernstein’s vriendin noemde, voorkomt. Om haar zou ik mijn eerste verhouding ooit hebben kunnen beëindigen, mijn daarop volgende relatie nooit zijn begonnen, laat staan, veel later, iets hebben gehad met een lerares zonder humor met drie, door haar onmogelijk geworden, kinderen. Die lerares benoemde trouwens mijn liefde voor Van Beethovens’s symfonie als een verschijnsel met fascistische tendensen, bij mij persoonlijk; geen smaak, geen gevoel en geen visie, dus.

Bernstein komt op en schudt, tegengesteld aan de traditie, niet de eerste violist de hand om het orkest te begroeten, maar een cellist en een basspeler, waarop hij ook nog eens kushanden de rest van het orkest inwerpt; ongebruikelijk maar zeer liefdevol en daarmee eigenlijk karakteristiek voor deze dirigerende reus. Maar het sluit ook nog eens zeer goed aan op de speciale gelegenheid waarvoor deze uitvoering plaatsvindt.

Soms is er iets waarvan je denkt: weet ik er wel wat van. Genade, bijvoorbeeld (of SM, maar daarover later), of een sacrament? Bijna alle scholen en religies hebben wijze meesters en wijsgeren gekend die ingebonden definities onderzochten op aangenomen, afgebakende, of fictieve waarheden en velen doen dat nog steeds. Hoeveel engelen passen er op de punt van een speld? Waarom is het celibaat een deugd? Waarom is de vrijheid een vreugde en voor wie. En zijn alle mensen wel vrij voor het oog van god, onder het uitspansel, onder de sterrentent?

Tja, moet ik hier al van de basfagot spreken? De basfagot, die als een soort kuchen, tot de oplopende vraag naar vriendschap en vrijheid oproept als begin van het voorlaatste deel van de symfonie?

Frrp, frrp. Beter kan ik dat moment niet citeren waar het een nieuwe aanzet tot de tekst aangaat, na de eerste inleidend gezongen regels. Neen, laat ik met de fagot nog maar even wachten en met het zingen ook … Tot dan toe, we spreken van enige tijd geleden, waren er immers nog geen symfonieën die een zangstuk in zich herbergden en nieuwigheid vraagt om gewenning.

Dus oh, hier komt ze, voorlopig niet meer dan alleen maar in beeld (ik heb toch maar even geschakeld naar de beeldregistratie) want het zingen is nog niet begonnen. Ook de solisten, een kwartetje, worden nu zichtbaar natuurlijk. Die zullen geweldig blijken te zijn en maken zich klaar voor de eerste ronde. Maar waarom niet permanent de camera gericht op mijn blonde vriendin, want dat zou al mijn leed in de wereld wegnemen. Op mijn knieën smeek ik de cameraman- of vrouw om met terugwerkende kracht, niet van haar weg te zwenken.

Intussen dirigeert Bernstein, duidelijk onder hoogspanning, soms subtiel, soms met een gebalde vuist, soms hoog opspringend, verder. Wijzend naar delen van het orkest, sussend, zwepend. Melodielijnen, vanaf het begin van dit deel geïntroduceerd, worden steeds verder uitgewerkt. Soms ontbreekt de laatste noot van een harmonisch neerwaarts toonverloop, als inzet tot het verder opvoeren van de spanning. Het wel uitvoeren hiervan zou een soort “voor het zingen de kerk uit” zijn. Complimenten aan Ludwig, dus.

De enorme muzikale klap waarmee het laatste deel van deze symfonie begint, en die meteen al vooruitwijst naar de eerste zanglijn, kort daarop, zal spoedig, als afsluiting van de uitgebreide instrumentale introductie, maar ook als startschot voor de vocale ontploffing, herhaald worden. Alle muzikale aankondigingen dienen een doel.

En dan mag de baszanger zijn eerste oproep doen: “Oh Freunde, nicht diese Tönen!” (vrij vertaald: “Niet zo negatief, jongens, zet hem op!”), waarmee librettist Schiller zijn Ode aan de Vreugde begint.

Vrijwel meteen, worden we geconfronteerd met de beslissing waarmee  Bernstein ingegrepen heeft, bij Beethoven zowel als bij Schiller: om redenen van het momentum van deze gelegenheidsuitvoering vervangt hij “Vreugde” door “Vrijheid”. Waar heeft Bernstein dit bedacht? Aan de keukentafel in New York, in het vliegtuig op weg naar Berlijn, in voorbereidende besprekingen met de ongetwijfeld grootschalige organisatie? En wat ging er door hem heen toen hij op deze eenvoudige woordwisseling kwam? Damned, that’s it!! De impact ervan emotioneert me zeer: vrijheid gaat vooraf aan vreugde, onvrijheid aan angst. Vrijheid onder het hemels uitspansel waar wel voor  iedereen een lieve vader moet wonen (Schiller). De wanstaltige onderdrukking door de Sovjetunie en de vazalstaten (en nog steeds in China, bijvoorbeeld, of Cuba) moet Bernstein een vergelijking opgedrongen hebben met het Joods zijn van hemzelf, zijn familie en alle Joden in de wereld. En met elke andere vorm van onderdrukking, want hij was een vrijheidslievende, homoseksuele intellectueel, met stijl, genialiteit en humor.

En dan verzin ik dat, ooit, vroeger, Van Beethoven een oom van me geweest had kunnen zijn. Dan was ik weliswaar nooit op de hoogte geweest van allerlei hedendaags moois, maar had ik hem kunnen vragen: “Oom Ludwig, kunt u, voordat ik naar school ga, nog een keer dat thema van het slotkoor voor me spelen. Als ik dan terugkom doe ik voor U de afwas”.

Intussen zingt ze, net zo duidelijk als een lid van het mannenkoor, af en toe buiten de lijntjes, wanneer ik de beelden mag geloven. Net als menig ander koorlid, trouwens. Dat doet mij extra van haar houden (van hem die tussen de mannen zingt niet: ik vind hem een beetje een aansteller, met zijn haar en zo, maar ik denk dat hij Frans is, want de gehele orkestbezetting is internationaal samengesteld, dus dat kan best). Zij komt pas nog eens in beeld wanneer het slotkoor in al z’n geweld echt begint en dan ook nog maar af en toe. En wat haar nationaliteit betreft tast ik geheel in het duister en het maakt het traceren van haar er ook niet eenvoudiger op. Intussen zit ik al te huilen; niet vanwege haar, maar omdat de boodschap van de muziek zo overweldigend is. Omdat ik ook maar een mens ben, in feite.

Ik vind wel dat er fouten zijn gemaakt wat betreft de kledingkeuze voor orkest, koren en solisten. Zo draagt het meisjeskoor een kleuterschooluniform dat verboden had moeten worden en de solisten hebben zichzelf voorzien van nogal tuttige, traditionele podiumkledij. Dat laatste is sowieso een probleem in de klassieke uitvoeringspraktijk, maar een oplossing heb ik er nog niet voor. Geen enkele diva past een little black dress (dat verder in geen enkele garderobe mag ontbreken, als ik goed ben geïnformeerd). Maar al dat brokaat, borduurwerk en plisségedoe leidt af en past nooit binnen de neutrale context van het steeds in galazwart aangetreden orkest, dat wat mij betreft ook gerust in gezamenlijk ingekochte spijkerbroeken en donkerblauwe T-shirts zou mogen optreden.

Mijn reactie op schoonheid, of een ontbreken of belediging daarvan, in welke vorm dan ook, is me sinds mijn jeugd eigen. En dat geldt niet alleen voor werken van muziek, beeldende kunst, architectuur, literatuur en design. Een lelijke stoel, van de Leen Bakker bijvoorbeeld, kan me werkelijk een aanval van maagkramp bezorgen. Ik zal in die zin dus wel decadent of hiberzenzidiev zijn, maar de keerzijde is dat ik méer dan geniet van erg mooie dingen: kippenvel, vochtige emoties of een jubelstemming (soms dansend, maar soms vloekend wegens de onmacht om iets hemels aan te kunnen) zijn dan het resultaat. Maar op het gebied van jurken van solozangeressen ligt dus nog een zee van mogelijkheden, als ik daar tenminste iets over suggereren mag.

Leonora (“Leo” voor mij) heeft daarentegen een uitdagend, maar toch decent tenue aan. Volwassen, maar toch meeslepend, om het maar beschaafd te zeggen, al springt ze er wel uit in het vrouwendeel van het koor, vooral door de filigranen bedekking van het belangwekkendste deel van haar bovenlichaam.

Wanneer Leonard bij me langskomt, vanuit 1979, is zij er natuurlijk niet bij. Naast dat hij van de verkeerde kant is, is zij (mag ik haar wel Leonora noemen, niet naar de dirigent, maar naar een mooi leeuwinnetje?) te jong; voor hem vooral wegens seksuele incompatibiliteit, maar ook voor mij, als ik haar leeftijd juist inschat. Of misschien juist niet?

Bernstein’s uitvoering van 1979 is wat ronder, heeft een minder geprofileerd karakter, is minder dwingend in emotioneel opzicht, maar erg mooi en niet romantisch, wat erg belangrijk is! Iets minder nadruk op de alles bepalende syncopen in de compositie. En dat Lenny de weg kon kiezen om nu Freude door Freiheit te vervangen in Berlijn in 1989 had niemand toen voor mogelijk gehouden! Wat een ingreep in een stoot van een symfonie; wat een politiek en humaan gebaar, wat een scherpte aan het front.

Ik ben, in ieder geval bij vlagen, nogal dol op jubel, zoals bijvoorbeeld in concerten van Corelli. En, zoals bij wijze van spreken in een wielerkopgroep, wisselen jubel en melodische ondersteuning elkaar hier af, soms ontsnapt een frase uit het groepje van de melodie, vooruitlopend op het hoogtepunt. Steeds nader komt de eindstreep, de overwinning (van de vrijheid), armen omhoog, en daarna tranen en gladiolen. Jubel wint, op magistrale wijze en met poëtisch, maar groots machtsvertoon.

Ik ben er van overtuigd dat iedereen haar, als vanzelf, zal herkennen en daar schuilt zeker ook een nadeel in; ze is van mijn leeftijd, maar dan iets jonger. Kon ze maar eens lezen wat ik over haar schreef, want dit is niet de eerste keer dat ik woorden aan haar wijt. Mijn tranen zijn elke keer echt en ik vind dat die sprong die Lennie maakt, wanneer hij aan het eind iedereen aanzet om, nog een keer, het onderste uit de kan te halen, niet sterk genoeg in beeld wordt gebracht.

Ik herinner me, al voel ik me 23, Nadia Elena Comăneci, de Roemeense turnster, die de sterren van de hemel danste in haar disciplines. Hoe kan ik het uitvoeren van de 9de symfonie van Van Beethoven vergelijken met turnen, of, zoals even hiervoor, met wielrennen? Alles waartoe een mens in staat is, het componeren van een symfonie als deze, het winnen van een wieler- of turnwedstrijd, vereist dat er geen grenzen mogen zijn aan menselijke mogelijkheden. “Lekker ver gaan!”, zoals Sjarel Ex, directeur van Museum Boijmans in Rotterdam, het een keer benoemde.

Ik begrijp heel goed dat een eenvoudige lezer mij zou willen toeroepen: “Wat moet ik met jouw bewondering voor dit antieke stuk?!”. En het antwoord op die vraag, realiseer ik me, kan twee kanten op. Ik wil u natuurlijk niet Leo’s kant opsturen, want met dat deel van mijn onderzoek houd ik mezelf al enige tijd unilateraal bezig. En waar u naar luistert moet u helemaal zelf weten (luister in ieder geval naar iets, in godsnaam, Johnny Cash, of desnoods gospel, waar ik ook erg van houd, als het van goede huize komt), maar liever niet naar Dries Roelvink of een gelijkaardig gebekte nepmerel.

Maar het is niet míjn bewondering, míjn waardering, míjn plezier, waar ik het hier over heb. Soms wordt je, door het woord of door het zwaard, of, mutatis mutandis, door muziek tot een vergeestelijkte vorm van onderdanigheid gedwongen; opperste schoonheid kent haar regels, in dit geval muzikaal, net als in het sadomasochisme, waarbij de meester en de slaaf zich in een harmonische relatie tot elkaar verhouden (al weet ik daar verder niks van want ik zing niet in dat genre). Zo is er op een gegeven moment, wanneer de koren allang aan het zingen zijn, een oproep van trompetten: een strelende, eveneens prikkelende, uitdaging om je klaar te maken voor de nóg iets rakere klappen; je moet er maar tegen kunnen … (en er van houden, en dat doe ik in dit geval wel).

Al dit geweld lijdt tot een finale die je ademloos achterlaat, amechtig, als na een astma-aanval, na een te diepe duik in een oceaan van emoties. Je moet het ademen als het ware herontdekken en huilen als een pasgeboren kind dat de hele boel op gang moet krijgen. Ademen met een nieuw gevoel voor zuurstof. En juichen!

Ik hoor nu pas hoe verbijsterd, verstomd, het publiek is bij de aanvang van hun reactie. Het klappen begint met stilte (je zou bijna denken dat ze er geen bal aan vonden), maar daarna ontstaat een aanzwellende storm van bewonderend, hysterisch geloei, een wassen en watergolven van emoties en een bijna psychotisch begrip van wat ze hebben meegemaakt, niet alleen in de zaal, maar ook daarbuiten bij een duizendkoppig straatpubliek in Berlijn..

Soms komt je man, of je vrouw, een ex, of welke geliefde dan ook, met een cadeau tevoorschijn. Voor je verjaardag, voor kerstmis, of zonder een enkele aanleiding of bedoeling, waardoor je alleen maar ontroerd kan raken omdat het te groot is, of klein, of precies, maar dik van liefde. Is er daarnaast dan nog iets wat er toe doet?

Na een eerste bescheiden bosje bloemen in het orkest te hebben geworpen, dreigt Bernstein ook even hetzelfde te doen met een reusachtige, in cellofaan verpakte struik, tot grote hilariteit van iedereen. Dit lijkt te werken als een bliksemafleider voor het onweer van de uitvoering, de ontlading wint daardoor alleen nog maar aan kracht.

Helaas wordt Leonora niet naar voren geroepen als vertegenwoordigster van de koren, maar gelukkig ook niet die rare vent van tussen de mannen. Wel klappen alle kinderen uit het koor mee, al zal hun herinnering aan deze avond langzaam wegzakken en vergroeien met hun jeugdbasalt.

In de hoop dat er vanaf een bepaald moment in hun leven brilmonturen bestaan die hun respectieve, toekomstige schoonheid wél recht doet en dat ze uiteindelijk in vrijheid zijn opgegroeid en leven, verblijf ik …

o – o

Epiloog

Naast het feit dat ik er natuurlijk niet in geslaagd ben om van een muzikale achtbaan al was het maar éen bocht weer te geven, althans voor de oren van de lezer, want wat betreft de onmogelijkheid daarvan had Willemsen zeker gelijk, vind ik dat welke ervaring dan ook nooit enkelvoudig is. Mijn wanhopige, maar ook kinderlijke vermenging van elementen, van mijn ondergaan van de symfonie van Van Beethoven & Bernstein, met mijn puberale verliefdheid op een zangeres in het koor op de koop toe, alles aangestuurd door een internetfilmpje, bedoelt, geloof ik aan te geven dat wat je als mens meemaakt nooit is waar je om gevraagd of op gehoopt hebt. Het wordt wel eens tijd dat er een uitvoering van de 9de komt waarin wordt gezongen: “Alle Menschen werden Schwester!”, maar dat terzijde.

Ik heb in Het Concertgebouw wel eens op een stoel gezeten, waarin zoiets als een veertje los zat, ook al waren alle stoelen (en vrijwel het hele gebouw) toen allemaal net vernieuwd; dan adem je na verloop van tijd toch anders bij Haitink.

En het kan gebeuren dat je naar iets luistert in het besef dat er iemand bestaat die van je houdt of hield. Dan klinkt alles nieuw. Of oud.

Hans Gieles

Amsterdam, 15 april 2019/17 juni 2019/20 oktober 2019

Het is een sonnet, maar daar is het meeste wel mee gezegd, geloof ik …

Tijden Wegen

Voor twee wegen naar hetzelfde doel
Is zelden noodzaak. Houwen, trouwen,
Dat weer wel, zorgen voor de hele boel.
Maar samen in een diep vertrouwen

Elkaar vinden, voortgaand op éen zelfde weg
En het kennen moet nog komen. Wie begint:
Zeg wat ik meemaakte, zeg jij nou, zeg
Wat jij meemaakte, zeg nou waar jij begon.

Vraag me, bijna niemand komt er om,
Niet te huilen als je weer eens zingt
Of te lachen bij terloopse pech

Het struif is van het geel gescheiden.
Nou goed, dan allemaal maar lijden.
Het wachten is op goede tijden.

Mijn Anthurium

Ik kan niet door Truman Capote heen. Truman schreef zijn geweldigste en betekenisvolste korte verhaal “Lola” over een vogel, een gekortwiekte raaf. Veel mensen hebben dat niet gelezen, wat bijna verwijtbaar is als het niet zo treurig zou zijn, want het is een verhaal over liefde.

Capote’s verhaal begint met de mededeling dat hij niet zo heel veel op heeft met vogels. Ik kan me daar weinig bij voorstellen, want ik ben dol op vogels. Ik ken er ook veel, al kennen ze mij niet.

Ik heb wel een paar honden gekend, die mij wel én goed kennen, nog steeds, al zie ik hen en zij mij niet meer. Sommige heb ik veel uitgelaten, ze mede opgevoed, er veel mee gespeeld toen ze jong waren, ze vertrouwd gemaakt als puppy. Ik sta er mee op foto’s. Het verlangen om die honden nog eens te zien is groot, zeker omdat ze spoediger zullen sterven dan ik zelf, maar de mogelijkheden daartoe zijn niet heel erg uitgebreid.

Nu zit ik naast een Anthurium.

Op zich, dat geef ik ogenblikkelijk toe, is dat ook wat waard. Maar waar Truman problemen had met vogels, heb ik planten, gras, maar ook bomen altijd maar rare elementen der natuur gevonden. Enige jaren was ik, door aangename omstandigheden gedwongen, een verwoed, dus enthousiast tuinier. Omdat ik nou eenmaal neig naar het vormgeven van alles, moest ook de beslist niet kleine stadstuin die mijn ex en ik er toen op na hielden er aan geloven. Terrassen, borders, vroeg- en laatbloeiers en altijd groene struiken werden uit tuincentra aangesleept en er was ook een vijver met libellen, kikkers, salamanders, et tout le tabac. Door omstandigheden is het gehele concept in de loop der jaren niet tot in de fijnste details uitgewerkt, ben ik bang. Sommige dingen moet je groot maken in een tuin en andere juist klein houden. Maar sinds ik er geen oog meer op kon houden vrees ik dat sommige zaken zich buitenproportioneel hebben ontwikkeld. Nou ja, soit, bij bepaalde zaken moet je je als mens, of in een mensenleven, neerleggen, of je dat nou wel zou willen of niet.

Maar intussen zit ik dus naast een Anthurium.

En die dreigt ook nog eens om te vallen omdat hij steeds meer naar het licht toegroeit.

Mijn grootmoeder van vaders kant had ook een Anthurium. Ze had geen gordijnen aan de kant waar de plant stond, maar daar kwam ook geen zon binnen geschenen (elders wel gordijnen, van die zware pluche), en wat aan de vegetatie rood moest worden werd ook rood. Dat laatste gebeurt bij mij niet; de “bloesems” blijven een soort vaalgroen, doorschoten met een enkel roze vlammetje. Het zou natuurlijk gekund hebben dat mijn oma zich, elke keer wanneer wij als kleinkinderen te logeren kwamen, als een goudvis na een logeerpartij, een nieuwe Anthurium aanschafte, maar dat kon ze volgens mij, qua leugen en qua geld, niet opbrengen. Daarnaast kregen we, na elke etappe van de Tour de France, een ijsje omdat er iemand had gewonnen, wat ik eerlijk en heerlijk vond en geen reden voor wantrouwen. Tevens staat mij bij dat de grootmoederlijke Anthurium geen extreme proporties aannam, maar zich eerder stabiliseerde in een soort Twiggy-vorm. Geen Dolly Parton, bedoel ik.

Ik zit dus met een paar vragen over míjn Anthurium.

Kijk,… ik weet van wie ik hem/haar heb gekregen en aan die herkomst schort helemaal niks. Ik weet dus bijvoorbeeld zeker dat mijn Anthurium niet op jonge leeftijd is misbruikt. Toch zet die schuchterheid, wat kleurontplooing betreft, me wel een beetje aan het denken. Ik begrijp natuurlijk best dat niet elke bescheiden deerne meteen een volle blos op haar toet heeft. Maar mijn gewas wil naar het licht toe, gretig zelfs. Daardoor, en met dat probleem zit ik naast haar, dreigt zij, als ik niet spoedig ingrijp, om te vallen. En ze groeit maar door, zich ontplooiend tot een jonge Rododendron. Er lijkt sprake van lust.

Ik weet wel dat zonnebloemen, waarmee in Zuid-Frankrijk hele agrarische terreinen vol staan, het oog enorm kunnen boeien omdat ze met de zon mee draaien, denk aan Vincent, maar daar zit ik hier, met mijn Anthurium, natuurlijk niet op te wachten, want er zijn in het geheel geen kunstschilders in de buurt (wat niet waar is, want Marlene Dumas heeft haar atelier in het pand naast mij, maar zij doet niet aan bloemen).

Ik heb liever niet dat mijn Anthurium omkiepert uit lichtgeilheid. Zal ik haar eens honderdtachtig graden draaien? Dat is een goeie suggestie, behalve dat mij dan het zicht op het halve beeldscherm van mijn Lap Top wordt ontnomen vanwege dat ik een nogal economisch geschapen, en dus petieterig bureautje heb waar ik liever geen afstand van doe. Bovendien: draait ze dan niet, analoog aan die zonnebloemen, haar eigen nek om, terwijl ik, tijdens dat proces, een belangrijk deel van alle internetinformatie over Donald Trump moet missen?

Intussen heb ik mijn Anthurium, ik ben zelf per slot van rekening man, voor het gemak, en de lezer zal het hebben gemerkt, het vrouwelijk geslacht toegerekend (werkelijk determineren is mij, in deze periode van mijn leven, een net iets te gynaecologische klus). Ik ben behoorlijk politiek correct, maar de hele tijd dat ge-hem/haar hangt me de keel uit.

Over haar maten heb ik overigens niets te klagen, bladeren groot (per analogie zeker Cup D) en die bloemen, die maar niet rood willen worden, maar wel met zo’n piemeltje er uit, zouden bij de bloemist toch echt een bepaald bedrag opbrengen.

Maar ik kan van mijn Anthurium natuurlijk niet meteen een investering maken. Voor de bloemen moet je d’r kortwieken en met die Cup-maat kan je haar wel achter het raam zetten, wat ze eigenlijk al staat, maar er heeft nog niemand aangebeld. Nou, okay, toegegeven, we zitten op tweehoog, dus van passanten moeten we het niet hebben. We zouden natuurlijk op Tinder kunnen gaan, maar, zojuist gezocht hebbend, konden we even de plantaardige afdeling niet vinden.

Ik weet wel dat er vrouwen zijn die er bij zichzelf van alles instoppen, gereedschap, oude wijnflessen, of champagnekurken, maar dan ben je zo’n plant in éen keer kwijt. En ik heb schenker/erfgever Guus beloofd dat ik goed voor haar zou zorgen en belofte maakt schuld.

Kijk: er zijn, naast andere zaken, in de wereld twee dingen: je hebt een Anthurium of je hebt er geen. Een goeie vriend heeft er bijvoorbeeld geen éen, wat heel lullig voor hem is, maar ík heb er wel éen en dat brengt een diversiteit aan voordelen met zich mee. Je kan je er bijvoorbeeld zorgen over maken. Wanneer was ook al weer het laatste moment van water geven? Nou, kort voordat ik naar Duitsland ging; Genau, en nu dus weer: Alles vorbei, geen zorgen meer. Of er bijvoorbeeld over nadenken hoe het komt dat ze bijna om duvelt. Niet omdat ze Leffe Blonde (en daarna Havana Club rum) heeft gedronken, maar omdat ze opgewonden het raam uit tuurt, terwijl er helemaal geen andere Anthuriums in de buurt zijn. Of: of de buitenwereld heeft opgebeld voor een afspraakje? En ik zou me ook kunnen afvragen of ze eenzaam is en of ze te weinig licht krijgt, want soms heb ik het gordijn wel een halve dag dicht.

Maar ik zit altijd naast haar. En wie kan daarover klagen, in Godsnaam?

Enfin, ik zal wel een breipen of een enorme satéstok in haar plantaardig wortelstelsel moeten steken en haar daaraan vastbinden. In België zou menige vrouw dat geweldig vinden, maar ik doe het, hier in Noord-Holland, met tegenzin. Niets zal me echter verhinderen om haar reputatie overeind te houden.

Ze is, per slot van rekening, mijn Anthurium.

Hans Gieles

Amsterdam, 20 maart 2019

Voor Roy, mijn goeie vriend.