C

De letter C heb ik altijd een van de mooiste letters van het alfabet gevonden, geschreefd of niet, zoals hier. Eenvoudig, elegant en ongecompliceerd maar gaaf. De O heeft dat ook, maar dat is zo vanzelfsprekend omdat de O het dichtst in de buurt van een cirkel komt. Een cirkel is natuurlijk compleet in haar volledigheid. Zo’n eigenschap vind je niet bij mensen terug.

Hier waar ik woon heb ik een C. in de buurt. Ik zie en spreek hem vrijwel dagelijks. C. doet zijn eerste initiaal alle eer aan: hij is elegant in denken. Ook wel in doen, maar daar wordt hij gehinderd door de ziekte COPD die de uitvoering van zijn doen enorm beperkt. Hij is zeker ook ongecompliceerd. Echter zeer helder in zijn denken, waarin hij, terwijl je er zelf niet opkomt, op een bijna voor de hand liggende wijze, inzichten met elkaar kan verbinden. En ja, C. is eenvoudig, recht door zee, draait nergens omheen. Hij heeft geen poolster nodig, geen sextant, om zijn koers van denken uit te zetten en te volgen. C’s achternaam duidt op richting en gezwindheid. Dat sluit ook weer naadloos aan op wie hij is.

Astronauten sterven, zo ook stratenmakers, kunstenaars en tandartsassistenten, tandartsen. Binnenkort sterft C. Op zijn eigen verzoek.

Daarom ga ik nu schrijven over wat ik aan C., doordat C. bestaat, zal gaan missen, wat eigenlijk hetzelfde is wanneer ik beschrijf hoe het is om met C. samen te zijn en naar Formule-1 te kijken, naar wielrennen of om het over kunst en vormgeving uit de eerste helft van de 20ste eeuw te hebben. Want die laatste twee zijn niet alleen grote interesses van ons beiden, ze verbinden ons ook. De rest van onze directe omgeving interesseert dergelijke toppen van menselijk kunnen geen ene reet, laat staan dat ze er met belangstelling of kennis over kunnen praten. We vangen elkaar op die gebieden af en toe ook vliegen af, vooral wanneer we samen kijken naar programma’s waarin herkomst en mogelijke waarde van cultuurgoederen aan de orde komen.

C. is zijn hele leven scharrelaar op niveau geweest. Waterlooplein, inboedels, onverwachte vondsten, spijt dat hij van iets afstand deed, achteraf: een Amsterdamse School slaapkamerameublement, bijvoorbeeld. Dat interesseert me, zowel de vondst als de emotionele betrokkenheid. Ook het gehecht raken aan dingen en er toch afstand van moeten doen, met spijt als haren op je hoofd, meteen al of achteraf.

C. kan nogal goed rechtdoor denken, logisch, menselijk betrokken, met mededogen, maar soms ook hard en helder. Daardoor springen C. en ik niet altijd in elkaars tender, maar wat kan dat schelen. Het eerlijk van mening verschillen, zonder blad voor de mond, heeft vooral leuke kanten. Vooral als er sprake van vertrouwen is. Ik heb de afgelopen tijd een beetje geleerd dat het niet goed is om een ander naar die mond te praten, mede van C.

Vorig jaar november gaven we hem met een paar vrienden het complete oeuvre van Vermeer cadeau. In offset natuurlijk. C. en ik verschillen, tendergewijs, enorm van mening over De Nachtwacht. Ik ben vooral een liefhebber van Frans Hals, in Haarlem immers opgegroeid, al vind ik Rembrandt zeker de moeite waard. Maar Vermeer vind ik voorbij elke vergelijking. C. vindt De Nachtwacht het mooiste schilderij ter wereld. Hij heeft het ook vele malen bekeken, alles bij elkaar uren. Niet zoals tegenwoordig een kunstwerk gemiddeld negen seconden aandacht krijgt van het schuifelend toerisme. In al onze dialogen was dat, tot op heden en voor zover ik me herinner, het enige onderwerp waarbij hij mij over een streep probeerde te trekken: “Kom op Hans, toch?!” Als kunst op die manier onderwerp van gesprek kan zijn ontroert me het wederzijdse karakter daarvan zeer.

Helaas is voor C. de na-oorlogse kunst een beetje een warboel. Vooral in de zin dat hij er nieuwsgierig kennis van neemt, maar er meestal geen touw aan vast wil knopen. “Maar wat betekent het nou?”, vraagt C. en daar heb ik dan, behalve met mijn enthousiasme, meestal ook niet snel een antwoord op. Al zeg ik hem dan altijd wel dat ‘betekenis’ in dit geval geen betekenis heeft, maar erg overtuigend is dat ook weer niet, dat weet ik. Toch begrijp ik dat wel een beetje van C. Ik heb tegenwoordig een enorme hekel aan werk van kunstenaars die in hun kunstwerken het procentueel gebruik van de tram versus de bus, vooral door jongeren, tot onderwerp maken, of het stemgedrag van Feijenoord-aanhangers. Vanaf een bepaald moment ontglipt je het begrip voor spelende zaken, al probeer ik, soms wanhopig, soms vloekend van afkeer, nog steeds om radicale ontwikkelingen die er voorheen niet waren bij te houden.

Ruim een half jaar geleden wandelde C. me naar het Coöperatiehof. Een kleine afstand van ons buurtje. C. haalde het allemaal heen en terug maar net, regelmatig stoppend om zijn adem te organiseren, maar wilde me dat mooie plekje per sé laten zien, want ik kon het zelf niet vinden, omdat ik er steeds langs struinde op weg naar De Dageraad die daar direct om de hoek ligt. Voor C. doemt nu snel een nieuwe dageraad. Anders dan we ons meestal wensen of voorstellen en vermoedelijk zonder perspectieven, niets anders dan een verlossing.

Ik kom, in deze context even niet weg van Dolly Parton’s lied Light Of A Clear Blue Morning (préparez vos mouchoirs!!), dat me meesleept in gedachten die C. ongetwijfeld ook moet hebben, maar die ik tot nu toe niet met deze compositie verbond. Dolly zingt over de arend die zijn vrijheid vindt in de lucht; C. is zo’n adelaar die het verdient om vrij te zijn.

Onlangs gebeurde er iets dat er toe leidde dat ik een van mijn beste vrienden verwijderd zag worden uit mijn directe nabijheid. Daar raakt die vriendschap niet van in gevaar, maar uiterst onaangenaam is het wel. Ik ben met opzet wat vaag, want de toedracht is te complex om hier toe te lichten.

C. en ik verschillen grondig van mening over de interpretatie van wat er gebeurd is, wat er aan vooraf ging en over de consequenties. Behoudens een moment waarop ik fel uit de bocht vloog in mijn argumenten, waarop C. mij ogenblikkelijk repliceerde dat hij in zulk gelul geen zin had, hebben we ons neergelegd bij het feit dat C.’s tender in dit geval een andere is dan de mijne, ook al is het onderwerp nog niet uit de lucht.

Evenals de kunst, zal dit onderwerp niet heel lang meer in de lucht blijven. Over een week is C. er niet meer. Zijn zelfgekozen afscheid van het leven heeft dan plaatsgevonden, tot zijn grote vreugde en eerder genoemde verlossing. Ik deel die vreugde en verlossing. Niet het afscheid, al is dat er onlosmakelijk mee verbonden.

Met een goudvis voer je geen gesprekken en als je die door de plee spoelt of, in het geval van kinderen, in park of tuin begraaft, doet een nieuwe cavia meestal wonderen. Zo gaat het niet werken met C. voor mij.

C. en ik kunnen zoveel deuren door, zodat er eigenlijk geen deuren meer zijn. Of dat vriendschap is? Ik denk het niet, maar wel een opgewekte verbondenheid en vertrouwdheid waardoor je aan elkaar gehecht raakt.

Ik realiseer me ineens hoe vaak ik steeds om C. moet lachen, niet schaterend, eerder hinnikend of met een gorgel. Al moet ik wel eens vragen wat hij zojuist nou eigenlijk zei, want zijn Amsterdams gemompel komt niet altijd meteen bij mij aan. Als we zo lachen moet hij natuurlijk wel eens erg hoesten.

Er bestaat de beroemde scene van Laurel and Hardy die ergens afscheid nemen van anderen. Eindeloos wordt heen en weer geroepen “Bye, bye, bye!, bye!, bye!!, bye!!, bye!!!, bye!!!”, tot het geen afscheid meer is, maar een op voorhand mislukte poging tot een toekomst.

Over een week valt regen of schijnt zon zonder C. De druppels zullen langzamer vallen, alsof ze er minder toe doen, en van die zon zal ik een tijd lang trager een kleur krijgen.

Bye Bye!!!

oktober 2019

Gepubliceerd door hnsgls

Het is me intussen, omdat het me inviel, duidelijk geworden dat ik vignetten schrijf. Geen korte verhalen. Een soort broche, dus, of een dasspeld of een oorbel die ik aan mijn leven vastprik. Dat er thematisch weinig touw aan vast te knopen valt neem ik op de (ver)koop toe. Terugkerende gegevens zijn de beeldende kunst, architectuur, de liefde, taal en mijn wens om zoveel mogelijk zaken in het leven met elkaar te verbinden. Daarnaast publiceer ik af en toe een e-mail die ik aan deze of gene schrijf of heb geschreven. Mijn profielfoto is dertig jaar oud en een deel van een portret van drie galeriehouders, Milco, Adriaan en mezelf, dat in 1990 gemaakt werd door Paul Blanca. Speels doel van Paul was, denk ik, om ons er zo ijdel mogelijk op te zetten en dat lukte goed.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: